Geloven in God ervaren we vaak als een zaak van het hart, van iets heel dieps in ons, iets dat ons troost en hoop geeft. Zo ook ons geloof in Jezus en in wat de Kerk ons leert. Maar voor de meeste van onze tijdgenoten is dat helemaal niet zo. Zij komen niet of nauwelijks in de kerk, geloven nauwelijks dat er een God bestaat, zien Jezus hoogstens als een goed mens uit een ver verleden en verder proberen ze zo goed mogelijk te leven. Wat ze daar dan onder verstaan kan erg verschillen. Een leugentje om bestwil, grote uitgaven aan luxe artikelen, samenwonen en scheiden en als het moet een abortus: het moet allemaal kunnen.Wij ‘gelovigen’ hebben heel wat uit te leggen als we werkelijk gelovig menen te zijn, in God, in Jezus en in zijn Kerk, in haar moraal: zeker vandaag met alle seksschandalen in de Kerk. Dus is er werk aan de winkel en moeten wij ons wat vormen, wat verdiepen en ‘wapenen’, om het gesprek met de wereld aan te kunnen. En dat altijd op een positieve niet-agressieve manier, getuigend van wat er leeft in ons hart, onze eigen kleinheid en fouten niet uit het oog verliezend. Dat noemen we nieuwe evangelisatie.
Mijn apostolaat ‘Biofides’ is er op gericht om daartoe een bijdrage te leveren vanuit mijn achtergrond als bioloog. Hoe kan je een biologische kijk op het bestaan, een wetenschappelijke, verzoenen met het geloof in God, in Jezus en de Kerk? Waar geloof en wetenschap, en ook ethiek, elkaar raken, zo is mijn ontdekking, is het terrein van de redelijkheid. Als het goed is zijn onze gedachten over het leven, biologisch, menselijk en godsdienstig, redelijk en daardoor uiteindelijk voor iedereen aanvaardbaar. Vandaar deze twee uitzendingen over de redelijkheid van ons geloof. Vorige week hebben we gesproken over de redelijkheid van het geloof in God. We hebben gezien dat de biologische wetenschap, ook al kan zij het bestaan van God nooit aantonen, begrijpelijkheid en logica die we in de natuur aantoont, net als orde en doelgerichtheid. Het is derhalve veel redelijker om aan te nemen dat we met een intelligente Schepper achter de schermen te maken hebben, dan met een louter toevallig feit in een redeloze en chaotische, zuiver materiële wereld. We hebben gezien hoe de moderne kosmologie aantoont dat het universum, opgebouwd uit materie, energie, ruimte en tijd, een begin heeft gekend en dus een oorzaak moet hebben die materieel noch energetisch is en buiten ruimte en tijd zich situeert. En dat een aantal constanten in de kosmos heel fijn afgesteld blijken te zijn, door een oorzaak die buiten de natuurlijke orde ligt en intelligent moet zijn. Zo zijn er de mens, de moraal en ook het idee van Gods bestaan zelf en zijn zelfopenbaring: vele wetenschappelijke en filosofische argumenten die het redelijker maken om in God te geloven dan niet.
Vandaag wil ik met u kijken aar de redelijkheid van het geloof in Jezus en de Kerk. We kunnen in Jezus geloven omdat we Hem bijzonder vinden, of ervaren in ons gebed, maar vandaag gaat het ons om rationele argumenten om in Jezus te geloven. Wij kennen zijn naam uit de geschiedenis en kunnen ons bijvoorbeeld afvragen of Hij wel echt heeft bestaan en geen mythe is. Misschien zijn er mensen in uw familie- of vriendenkring die dat menen te weten. Dan is het aardig te weten dat er geen figuur is uit de oudheid, waarvan wij meer historisch bewijs hebben dan van Jezus Christus. Om te beginnen blijken we te beschikken over verschillende bronnen, waarvan er enkelen, de meest betrouwbare in het zg. Nieuwe Testament gebundeld zijn. In feite is het Nieuwe Testament niet zozeer het tweede deel van de Bijbel dat op Jezus en de apostelen betrekking heeft, maar het Nieuwe Verbond tussen God en de mens in Jezus gesloten. Maar in de praktijk noemen we de bundeling van de meest betrouwbare geschriften over Jezus en de apostolische periode het Nieuwe Testament. Daarin vinden we vier in mindere of meerdere mate van elkaar afwijkende maar uiteindelijk in veel meerdere mate elkaar bevestigende bronnen van vier schrijvers: de evangelisten. Dan is er Paulus, de schrijver van de Hebreeën-brief en Jacobus. En buiten de bijbel vinden we de Romeinse historicus Tacitus, de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus en de Talmud, het belangrijkste Joodse boek naast de Joodse Bijbel, ons Oude Testament, die expliciet of impliciet naar de persoon van Jezus verwijzen. Dat zijn dus genoeg min of meer onafhankelijke bronnen om aan te nemen dat Jezus werkelijk heeft bestaan en geen fictieve figuur is. Als we naar de manuscripten kijken die wij vandaag in handen hebben en die naar feiten of personen uit de oudheid verwijzen, dan valt het op dat we van geen persoon zoveel materiaal in handen hebben als van Jezus en zijn leven op aarde. Van bijvoorbeeld de beschrijving van de veroveringsoorlogen van Julius Caesar in Gallië – niemand twijfelt aan de historiciteit van die tekst – hebben we een tiental tekstkopieën uit de Middeleeuwen, dus van 1000 jaar na de feiten. Zo zijn er nog voorbeelden van teksten uit de oudheid waarvan we enkele tot enkele tientallen kopieën van manuscripten hebben, daterend van 500 tot 1500 jaar na de feiten. Maar van de Nieuwtestamentische teksten hebben we meer dan 5600 kopieën van manuscripten uit de eerste twee eeuwen vandaag in handen, verspreid over bibliotheken in de wereld, die ook nog eens een enorme onderlinge overeenkomst vertonen. Dat is zoveel meer dan alle anderen, dat er vele malen meer aan het feitelijk bestaan van iemand als de filosoof Plato of keizer Nero getwijfeld zou moeten worden, dan aan de figuur van Jezus. Historisch gezien zijn we van niemands bestaan in de oudheid zekerder dan van het bestaan van Jezus Christus. Nemen we daarbij als criterium het effect dat een historische figuur op het wereldgebeuren heeft gehad, dan kunnen we gerust zeggen dat niemand een grotere invloed heeft gehad dan – opnieuw – Jezus. Van de schaakgrootmeester Bobby Fisher, werd in 1972, toen hij wereldkampioen werd, gezegd dat hij op Jezus Christus na de beroemdste figuur in de wereldgeschiedenis was. Ook de Beatles hebben hun beroemdheid afgemeten aan Jezus Christus en vonden dat zij Hem zelfs voorbij streefden. Zo zie je dat ook de niet-gelovige wereld het belang van de persoon van Jezus in het wereldgebeuren erkennen. Iemand die niet bestaan heeft, kan onmogelijk zo’n invloedrijk persoon uit de wereldgeschiedenis zijn.
Een volgende vraag betreft Jezus’ wonderen, waaraan wij zijn Goddelijkheid ontlenen. Wij leven in een tijd waarin ook aan in naam katholieke universiteiten ernstig getwijfeld wordt aan die wonderen, op grond van het idee dat de moderne wetenschap zou hebben aangetoond dat wondere niet kunnen voorkomen. Dat laatste is niet waar: dat weet ik uit ervaring. De moderne wetenschap kan geen verklaring vinden voor wonderen, dat is zeker. Zij kan alleen de normale, volgens de natuurwetten verlopende processen begrijpen en verklaren. De bovennatuur behoort niet tot haar competentie. Indien iets biologisch of fysisch niet kan betekent het nog niet dat het niet kan, vanuit God bezien. En er kunnen andere redenen zijn om wel degelijk in Jezus’ wonderen te geloven.
We beperken ons hier tot de verrijzenis uit de dood, het grootste wonder in het leven van Jezus. Er zijn minstens drie feiten uit de evangeliën die daaromtrent vaststaan: dat Jezus gestorven en begraven is, dat het graf leeg is gevonden en dat de volgelingen van Jezus claimen verschijningen van Hem gehad te hebben. Voor elke van deze drie heeft men andere verklaringen trachten te vinden dan Jezus dood en verrijzenis: Hij zou niet echt dood zijn geweest: alsof de Romeinse soldaten hun vak, de executie van een crimineel aan een kruis, niet verstonden. Het dode lichaam zou gestolen zijn door zijn leerlingen: de evangelist Mattheüs schrijft dat zelfs op! Niet slim om – als de leerlingen dat heimelijk gedaan hebben – het ook op te schrijven in je evangelie. De enige redelijke verklaring voor het feit dat Mattheüs de complottheorie van het gestolen lichaam opschrijft is, dat die theorie niet waar is en de verrijzenis wel. Hij is blijkbaar wel erg zeker van zijn zaak. De evangelisten laten vervolgens vrouwen als eerste getuigen optreden van het lege graf, de als meest onbetrouwbaar geachte getuigen in de samenleving van toen. Vrouwen mochten in een rechtszaak niet eens als getuige optreden. Dus moeten de apostelen erg dom geweest zijn hen op te voeren, tenzij het feit van de verrijzenis zo waar is dat zelfs vrouwen in die tijd als getuigen konden dienen.
En wat de verschijningen betreft: Jezus zou volgens bepaalde exegeten slechts voortleven in de gedachten van de mensen of ze zouden een soort hallucinaties gehad hebben. Aan de met de ‘K’ worstelende Universiteit van Leuven wordt deze theorie serieus gedoceerd. Een van de zeer sterke argumenten om te weerleggen dat het verrijzenisgeloof slechts een soort ‘wishful thinking’ zou zijn geweest is het simpele feit dat leerlingen bereid waren hun leven voor dat geloof in Verrezene te geven. Indien je eigenlijk weet dat het slechts een wensgedachte van je is, dan laten zovele leerlingen zich als het er op aan komt daarvoor niet voor doden. Bovendien wordt het getuigenis van de verschijningen door verschillende mensen op verschillende plaatsten gegeven. Paulus somt ze op in 1 Kor 15. En hij schrijft dat Jezus op een zeker moment aan 500 personen tegelijk verschenen is. Vijfhonderd mensen die tegelijkertijd precies dezelfde hallucinatie hebben gehad: ik ben geen psycholoog of psychiater, maar heb mij laten vertellen dat dat echt onmogelijk is. Kortom – het is onmogelijk hier alle argumenten in detail te bespreken – de enige redelijke verklaring voor de dood en begrafenis, het lege graf en de verschijningen van de Verrezene is dat Jezus werkelijk van de dood is opgestaan. Wie aanneemt dat Jezus niet dood was, moet nog verklaringen vinden voor het lege graf en de verschijningen. Hallucinaties zijn geen verklaring voor het lege graf , etc. De enige plausibele verklaring voor de feiten waar de evangeliën het over eens zijn, is de dood en opstanding van Jezus. En indien God bestaat is er geen enkele reden om aan te nemen dat een dergelijk wonder of welk ander wonder dan ook, de maagdelijke geboorte, de genezingen, de broodvermenigvuldging of welk wonder ook, niet zou kunnen voorkomen, wonderbaarlijke gebeurtenissen die we zien als het meest klinkende bewijs van Jezus goddelijkheid.
Ik zou nog met u willen spreken over de ‘redelijkheid’ van de menswording, dood en opstanding van Jezus als antwoord op het kwaad in de wereld, misschien wel heeft meest sterke argument van atheïsten om het bestaan van God af te wijzen. Mgr. Léonard, de aartsbisschop van Mechelen-Brussel schrift daar prachtig over in zijn boek ‘Redenen om te geloven’, dat helaas nog in het Nederlands moet verschijnen. God heeft de wereld geschapen heeft en de mens met een vrije wil. Dit leidt noodzakelijkerwijs tot de mogelijkheid van het kwaad, door de vrijheid die wij kunnen aanwenden om niet Gods wil, het goede, te doen. Dan is het redelijk te veronderstellen dat die God – indien Hij liefde is – ook een reddingsplan klaar heeft liggen. Misschien mag ik het vergelijken met een zoon die gaat studeren of werken en op zichzelf wonen. Als ouder heb je dat kind uit liefde op de wereld gezet en geleidelijk aan zijn vrijheid toevertrouwd met zijn opgroeien. Maar gaat het mis, is het dan niet redelijk om ook ene reddende hand uit te steken, indien dat kind in de problemen komt doordat hij zijn vrijheid niet goed gebruikt? Mgr. Léonard komt tot de conclusie dat de christelijke godsdienst het meest redelijke antwoord is op het mysterie van het kwaad. God daalt neer naar de aarde om de gevallen mens de hand te reiken, omdat Hij liefde is.
Tenslotte wil ik met u praten over de redelijkheid van het geloof in de Kerk. Zoveel mensen zeggen of denken in hun hart: Jezus is prima, maar de Kerk, nee. En dan denken ze aan de negatieve verhalen die zij gehoord hebben over wat er in de Kerk op aarde allemaal ooit is gebeurd en nog gebeurt. Recent geven de misbruikschandelen daar alle aanleiding toe, helaas. In de geschiedenis hebben zich ook zaken voorgedaan die de schoonheidsprijs niet altijd verdienen. Tegelijk blijken er vaak veel indianenverhalen de ronde te doen. Zoals over de vermeende negatieve rol die de Kerk gespeeld zou hebben in de ontwikkeling van de wetenschap. Het tegendeel blijkt waar te zijn: de Kerk is zo’n beetje de wieg van de moderne wetenschap geweest en onder de meest vooraanstaande wetenschappers bevinden zich vele overtuigde katholieken. De Kerk zou het kritisch denken van haar leden onderdrukken. Wie naar de feiten kijk ziet dat het tegendeel waar is. Vanaf het ontstaan van het christendom hebben apostelen, Johannes en Paulus om te beginnen, geen schroom gehad om de confrontatie aan te gaan met de Griekse filosofen. Augustinus heeft in de vierde en vijfde eeuw een synthese tot stand gebracht tussen het denken van Plato en het christelijke geloof. Aristoteles, de andere grote Griekse denker, is in de Middeleeuwen door Thomas van Aquino binnengebracht in het kerkelijk denken, wat tot een hoogtepunt in de christelijke filosofie en theologie heeft geleid en ook de de wetenschap vleugels heeft gegeven. Met die vleugels is de wetenschap later wel weggevlogen van het geloof, tijdnes de zogenaamde Verlichting, maar dat terzijde. De Kerk heeft ook getuige bijvoorbeeld het Eerste Vaticaanse concilie en de encycliek Fides et Ratio van Johannes Paulus II geen enkel probleem met het menselijk verstand, dat zij als een geschenk van God ziet, een faculteit die we mogen en moeten gebruiken, zoals elk van onze talenten. Tegelijk begrijpt zij dat het menselijk verstand z’n beperkingen kent en soms zich ook vergist. Het heeft nood aan de verlichting door het geloof, dat zij ontvangt in de openbaring die God ons van zichzelf geeft. De Kerk is dus een verdedigster van de rede, zonder er een hoogste goed, een soort afgod van te maken, zoals de rationalisten van de Verlichting hebben gedaan.
Wat het voor de redelijkheid van ons geloof in de Kerk lastig maakt zijn de scheuringen die zich in de loop van de geschiednis hebben voorgedaan. In welke Kerk moeten wij nu geloven? welke is ook op rationele gronden te meest betrouwbare? Of moeten we geloven in een ‘kerkelijk relativisme’ dat ons zegt dat het niet zoveel uitmaakt in welke Kerk wij geloven? Komend uit een sterk door het protestantisme gekleurd land heeft die vraag ook mij erg bezig gehouden. Maar meer en meer biddend én nadenkend kan ik er niet omheen dat het het meest redelijk is te geloven dat de Katholieke Kerk de meest betrouwbare Kerk is om je vertrouwen in te stellen. Om te beginnen, omdat zij de enige Kerk is die historisch terug te voeren is op Petrus en de andere apostelen. Jezus zegt tegen Petrus: op u zal ik mijn Kerk bouwen, en dan zegt hij ‘Kerk’ in het enkelvoud, niet ‘kerken’. Aan hem zal Jezus de sleutelmacht geven, bindende uitspraken te doen. We kunnen we niet anders concluderen dan dat Jezus deze Kerk heeft gesticht. Van geen enkel ander kerkgenootschap, hoezeer ik deze ook waardeer om het vele goede dat ik ook in die gemeenschappen aantref, kan dit van zichzelf zeggen? Paulus vergelijkt de Kerk met het menselijk lichaam, waar de ledematen elkaar nodig hebben. Nergens zegt hij dat wij geroepen zijn gescheiden te leven, alsof een arm los van het lichaam kan bestaan. Hoe moet je er in redelijkheid mee omgaan dat je kerkgenootschap tot stand gekomen is door een koning die een echtscheiding door wilde drukken en uiteindelijk meerder vrouwen om het leven bracht. Met alle respect voor de Anglicaanse traditie, die in feite vrijwel volledig teruggaat op de katholieke: een dergelijk fundamenteel feit ondergraaft toch de geloofwaardigheid van je kerkgenootschap? Nog los van het feit dat men de door Christus’ verhoopte eenheid der christenen verbroken heeft. Niet dat er aan katholieke zijde geen fouten zijn begaan, maar breken met de moederkerk blijft toch een probleem. Je komt vervolgens terecht in alle mogelijke discussies over het ambt, de sacramenten, de gemeenschap van heiligen en het pausschap, die ons af houden, zo lijkt mij, van wat ons eigenlijk te doen staat: het evangelie van Jezus Christus verkondigen en zijn heil in de wereld brengen. Oecumenische dialoog is een enorme prioriteit om die eenheid weer te bereiken, maar vaak laten katholieken zich verleiden tot een soort oecumene die essentiële aspecten van het katholieke, dat is het ‘originele’ christelijke geloof ter discussie stellen stellen: de aanwezigheid van de Heer in de eucharistie, het gezag van de bisschop van Rome. Veel christenen uit andere kerkelijke gemeenschappen dan de Katholieke Kerk komen op een vaak heel rationele manier tot het besluit om katholiek te worden, zoals bijvoorbeeld kardinaal John Henri Newman. Niet zelden doen zij dat na bestudering van de Kerkvaders, dat zijn de gezaghebbende christelijke schrijvers van direct na de apostelen tot in de zesde, zevende eeuw, een absolute aanrader om de Katholieke kerk beter te leren begrijpen. Wanneer je leest hoe zij schrijven over typisch ‘katholieke’ thema’s als de eucharistie, het pausschap, de heiligen, dan kan je er niet omheen: de Katholieke Kerk is de ‘originele’ Kerk van Jezus Christus. Het gaat vaak meer om het uit de weg ruimen van alle mogelijke misverstanden omtrent het katholieke geloof, allerlei zaken die ons aangewreven worden, zoals dat wij Maria zouden ‘aanbidden‘ in plaats van haar te vereren en om haar voorspraak vragen. Alleen God komt onze aanbidding toe en elke katholiek die zijn geloof een beetje kent weet dat. Niet alleen niet-katholieken, maar ook katholieken zélf zijn over die zaken vaak erg slecht geïnformeerd.
Om het kort samen te vatten en zonder ook op dit thema volledig te kunnen zijn: ik denk dat het niet alleen redelijk is om in God te geloven en in Jezus Christus , maar ook in de Katholieke Kerk. De redelijkheid gebied mij een keuze te maken en ‘ja’ te zeggen. Tegelijk kan het niet de redelijkheid alleen zijn die mij tot deze overtuiging brengt. Ook ik heb die goddelijke waarheid, want daar gaat het in feite om, in gebed mogen ontvangen, door genade. Ik herinner mij nog een achtdaagse retraite in Frankrijk, aan de voet van de Alpe d’Huez in 1990, toen ik – geleid door de geestelijke oefeningen van Sint Ignatius – tot een diepe innerlijk overtuiging kwam: de Katholieke Kerk is de Kerk van God. Daar is de waarheid en de liefde te vinden. Elders wordt die waarheid maar partieel aangeboden, vaak vertroebelt met verkeerde ideeën. En dat zonder een negatieve houding te ontwikkelen tegenover niet-katholieke christenen of wie dan ook. De waarheid gaat bij God altijd gepaard met liefde. Zo ook mijn geloof in Christus: ik vind dat redelijk, maar ik heb de genade gehad dit geloof in Hem te mogen ontvangen, en daarmee in God, Vader, Zoon en Geest. Maar ik sta open om met moslims, joden, agnosten en atheïsten in gesprek te gaan en verantwoording af te leggen va de overtuiging die in mij leeft.
Ik hoop, beste luisteraars, dat deze twee uitzendingen ver de redelijkheid van ons geloof u iets hebben mogen brengen dat uw geloof kan versterken. Het verstand speelt een belangrijke rol in ons geloof. Tegelijk wil ik het niet overdrijven: de gave van het Geloof is van een hogere orde, rechtstreeks komen van God. Ik wens u veel geloof toe, veel hoop en nog meer liefde!

0 Reacties tot “De Redelijkheid van het Geloof in Jezus en de Kerk”