In deze serie van twee uitzendingen voor Radio Maria wil ik met u nadenken over de redelijkheid van ons geloof. Geloof wordt vaak gezien als iets wat je maar moet aannemen, of wat je van je ouders heb meegekregen, maar niet in de eerste plaats iets van het verstand. Verstand wordt in verband gebracht met wetenschap. Velen denken dat geloof en wetenschap vijandig tegenover elkaar staan: ik geloof iets omdat de Bijbel of de Paus het zeggen. Ik weet iets zeker omdat de wetenschap het zegt.
Een bioloog als ik, die in 1980 tijdens zijn studie ontdekte dat God bestaat vraagt zich onvermijdelijk af of biologische wetenschap te verzoenen is met geloof in God. Ik had daar van meet af aan geen problemen mee al zag ik nog niet direct hoe die verzoening precies vorm moest krijgen. Wel begreep ik door ondervinding dat het om twee zaken ging van een andere orde. Wetenschap was voor mij een zaak van zintuigelijke waarneming van materiële – in mijn geval levende – zaken en logische redenering. Geloof was voor mij iets dat te maken had met zelfopenbaring van God aan de mens en begrip, middels het verstand, van wie Hij is, wat openbaring is en wie de mens uiteindelijk blijkt te zijn: een biologisch wezen met religieuze capaciteiten. Geloof en wetenschap zijn dus twee werkelijkheden die je goed van elkaar moet onderscheiden, maar die je niet volledig van elkaar hoeft te scheiden: zij raken elkaar in de mens en wel in het bijzonder in zijn verstandelijke mogelijkheden. Voor wetenschap zowel als geloof heb ik mijn verstand nodig.
Zo goed als dat wetenschapsbeoefening dus redelijk is, is geloof dat ook, als het goed is. De Katholieke Kerk heeft dat in haar geschiedenis vele malen bevestigd, bijvoorbeeld door Augustinus en Thomas van Aquino in haar vroegere geschiedenis en door Johannes Paulus II en Benedictus XVI in haar recente geschiedenis. We gaan nu die redelijkheid van het geloof wat nader onderzoeken vertrekkend, allereerst vanuit de biologie, dan de kosmologie, daarna de mens en tenslotte kijken we even naar het geloof zélf. We kunnen in deze uitzendingen maar enkele aspecten belichten uit vele, aspecten die ieder op zich ook een veel uitvoeriger toelichting verdienen dan we hier kunnen geven. Anderen hebben op Radio Maria dergelijke thema’s ook al wel behandeld. Laten we het hier behandelde als een aanzet beschouwen.
We vertrekken gezien mijn achtergrond vanuit de biologie. Deze wetenschap beschrijft en verklaart het leven op aarde, maar staat tot op de dag van vandaag voor een aantal grote raadsels: het ontstaan van levende natuur uit levenloze materie blijkt uiterst onwaarschijnlijk als we het aan het toeval moeten overlaten. Een bacterie, het eenvoudigste celtype op aarde, overstijgt in complexiteit de een spaceshuttle vele malen, niet in de laatste plaats doordat de bacterie zich kan vermenigvuldigen en de spaceshuttle niet. De bouw en werking van de cel met een echte celkern, bouwsteen van het leven voor alle organismen inclusief de mens, is nog veel complexer. De kans op het ontstaan van dergelijke complexe structuren door louter toeval is verwaarloosbaar klein. Zo ook de kans op evolutie van lagere naar hogere levensvormen zonder dat daar een soort drijvende kracht achter zou zitten. De biologie kan deze feiten en processen beschrijven en verklaringen binnen het evolutionaire mechanisme voorstellen, maar voor het feit dat het gebeurt en voor de gerichtheid van evolutie zo dit gebeurt geen ultieme verklaring leveren. Het is dus niet zonder meer onredelijk om te vermoeden dat er achter de schermen een scheppende intelligentie, een ontwerper, werkzaam is, tenzij we aannemen dat er niets anders dan levenloze en levende materie en toeval bestaat. Maar die aanname, het naturalisme, is nergens op gebaseerd. Als we ons uitspreken over een intelligente ontwerper en schepper verlaten we echter het terrein van de biologie. De biologie kan zich immers niet uitspreken over niet-biologische of bovennatuurlijke oorzaken. Gods bestaan wordt door de biologie dus niet bewezen, maar de redelijkheid gebiedt op het niveau van de filosofie, niet de biologie, de hypothese ‘God’ niet uit te sluiten. God mogen we niet gebruiken als stoplap voor nog onopgeloste biologische vraagstukken, als een vervanging van natuurlijke oorzaken voor levensverschijnselen. We mogen de verschillende verklaringsniveaus niet met elkaar verwarren zoals in de Intelligent Design -beweging veel gebeurt. Binnen de biologische discussie over het ontstaan van complex leven wordt dan opeens intelligent ontwerp aangevoerd als verklaring. Intelligent ontwerp is echter geen geen biologische maar een metafysische verklaring. Je hoeft gene ongelovige te zijn om die verklaring in een biologische discussie irrationeel te vinden. De goede bioloog zegt: hier hebben we geen verklaring voor en zwijgt verder. Wat de bioloog ook niet mag doen is de werkelijkheid reduceren tot een biologische, zoals veel ongelovige wetenschappers doen, alsof er niets meer zou zijn dan de materiële werkelijkheid. Daar is biologisch gezien geen enkele reden voor; in tegendeel: er zijn dingen die de biologie niet en de filosofie en theologie mogelijk wel kunnen verklaren en waarvoor zij zeer redelijke argumenten voor hebben. Het is vanuit de biologie vertrekkend dus helemaal niet onredelijk om in God te geloven, ook al kunnen we Hem biologisch niet aantonen en moeten we daarvoor ons vakgebied verlaten.
Het biologische leven speelt zich af in tijd en in ruimte, op basis van materie en energie. Met deze vier factoren heb ik de kosmos of het universum waarin wij leven beschreven. De wetenschap die het universum bestudeert is de kosmologie. Deze wetenschap biedt twee sterken argumenten voor het bestaan van God. Geen bewijzen, maar feiten die wijzen in de richting van een mogelijk bestaan van een Schepper. Het eerste is het feit dat het universum een begin kent. Filosofen hadden al bedacht dat je in de tijd niet oneindig terug kan gaan. Zonder begin zou je dan immers nooit in het heden kunnen aanbelanden, zodat er nooit een heden zou zijn en dus ook geen toekomst. Geen tijd, dus, zonder begin, dachten zij en de gedachte wordt nog steeds door veel filosofen onderschreven. De Belgische priester en kosmoloog Georges Lemaître ontdekte in 1927 dat het heelal uitdijt en een begin moet hebben gehad, een toestand waarin alle tijd en ruimte, materie en energie vanuit een primitief atoom via een oerknal of ‘Big Bang’ moet zijn ontstaan. De astronoom Hubble, waarnaar de ruimtetelescoop genoemd is, bevestigde Lemaîtres opvattingen door waarnemingen met zijn telescoop. Ook latere wetenschappers tot in het afgelopen decennium bevestigen dat het universum – hoe dan ook – een begin heeft gehad. Indien nu het heelal uit het niets is ontstaan, dan moet er filosofisch gezien een oorzaak voor zijn, die buiten tijd en ruimte, en immaterieel moet zijn. Immers: als iets begint te bestaan moet er toch een oorzaak voor zijn. Het is niet redelijk te geloven dat iets iets ‘zomaar’ begint te bestaat, ook al denken veel ongelovige kosmologen dat, omdat ze anders mogelijk in een God moeten aan geloven. Het is echter redelijker een oorzaak te vermoeden die zorgt dat iets begint te bestaan, dan geen oorzaak . Doe oorzaak moet dat heelal ook gewild hebben, want het had ook niet kunnen ontstaan. Alles in ons universum heeft de eigenschap van de ‘contingentie’, wat wil zeggen dat het bestaat, maar ook niet had kunnen bestaan: sterren, planten, dieren, u en ik. Het feit dat die zaken en ook wij bestaan geeft aanleiding te denken dat deze bovennatuurlijke oorzaak van het heelal wil dat wij bestaan, dus een wil bezit, een verstandelijke geest is, een Iemand, een persoon. Ook al toont de kosmologie daarmee het bestaan van God niet aan – dat kan zij niet, want zij kan alleen het universum zelf bestuderen – toch toont de kosmologie aan dat het niet zo onredelijk is om in God te geloven.
Het tweede feit uit de kosmologie is dat het universum heel fijn is afgesteld. Er blijken een twintigtal kosmologische constanten te bestaan, die zeer precieze waarden hebben op diverse grote schalen. Een beetje zoals dat u voor Radio Maria uw radiotoestel nauwkeurig op een bepaalde golflengte moet hebben afgestemd om mij te horen. Bij die constanten in het universum kan je denken aan de lichtsnelheid, de zwaartekracht, krachten binnen en tussen atomen die nodig zijn voor moleculen als water, koolstofdioxide en zuurstof, noodzakelijk voor leven, en andere constanten. Deze blijken heel precies afgestemd op waarden die het universum en biologische leven mogelijk maken. Indien één van die waarden een fractie anders zou zijn in grootte, dan zou of het universum of het leven of beide niet kunnen bestaan. Het lijkt een ongelofelijk toeval dat een twintigtal constanten precies die waarden hebben, dat ons universum kan bestaan en het leven op deze planeet aarde. Die kans is zo klein als – bij wijze van vergelijking – de kans dat een chimpansee op een typemachine in twee weken het complete oeuvre van Shakespeare zou weten te typen, zonder hulp en zonder spelfouten. Hiermee heeft de ksmologie niet bewezen dat God bestaat, maar wel degelijk aanleiding geboden om ons de vraag te stellen of God niet bestaat. In elk geval blijkt het allerminst onredelijk, vanuit de kosmologie vertrekkend, om in een intelligente scheppende God te geloven, de die constanten zo fijn heeft afgesteld vanaf het begin van het universum. Naast deze biologische en kosmologische aanwijzingen voor het bestaan van God, zijn er nog andere: bijvoorbeeld in de quantumfysica, waar zelfs natuurkundigen tot de conclusie komen dat er achter de realiteit die wij op dat laagste niveau van de materie waarnemen een versluierde werkelijkheid zou bestaan die het fundament is van de materiële werkelijkheid die wij waarnemen. Ik heb een tijd om daar nu dieper op in te gaan.
Laten we ook eens naar de mens zelf kijken en zien of ons eigen bestaan de redelijkheid van het Godsgeloof bevestigt. De mens beschikt over unieke eigenschappen, zoals de taal, zijn intelligentie, het vermogen om abstract te denken, waarheid van onwaarheid te onderscheiden, morele afwegingen te maken tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ middels het geweten, het verlangen naar ‘zin’ in het leven, naar schoonheid, creativiteit op technisch esthetisch vlak, een aanleg tot religiositeit, zichzelf weten te ervaren als een persoon of een ‘ik’, bewust van het eigen bestaan. De ongelovige zal trachten al deze eigenschappen terug te voeren op de materiële kant van ons bestaan, onze neurologische eigenschappen als product van toevallige evolutionaire ontwikkelingen. En het is inderdaad niet uitgesloten dat evolutie van de mens vanuit de hogere primaten een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van onze soort met al deze eigenschappen, al weten we nog niet hoe dan precies. En de vraag is of dat genoeg is om als die menselijke eigenschapen te verklaren, of het niet redelijk is om een geestelijke oorzaak van dat alles te vermoeden. In onze materialistische tijd zijn wij soms bang om die hypothese toe te laten, omdat de geestelijke wereld op het eerste gezicht ongrijpbaarder voor ons is dan de materiële wereld. Maar de materiële oorzaken voor onze menselijke eigenschappen blijkt toch echt tekort te schieten. Hoe kan een redeloze levenloze natuur een redelijke levende soort als Homo sapiens opleveren als daar geen redelijke oorzaak achter schuil gaat. Hoe kan de menselijke geest ontstaan uit een zuiver materiële voorgeschiedenis, zeker als deze ook nog onsterfelijk blijkt te zijn. Voor het voorbestaan van de menselijke geest bestaan zelfs aanwijzingen vanuit de wetenschap. Hoe kan een iemand, een persoon, ‘zomaar’ uit een iets, een onpersoonlijke werkelijkheid, ontstaan, als dat niet door Iemand veroorzaakt wordt? Immers: waar haalt ‘iets’ de kracht vandaan om ‘iemand’ te doen ontstaan? Is het nu echt zo onredelijk te vermoeden dat er voor het bestaan van de mens wel een redelijke, geestelijke en persoonlijke oorzaak moet zijn. Iemand die de mens naar zijn beeld heeft geschapen? Als je de afweging moet maken tussen de twee hypothesen, dan moet je tot de conclusie komen dat er oneindig veel meer pleit voor het bestaan van die persoonlijke Schepper dan voor de hypothese van het blinde toeval en louter de materie. Het gaat er opnieuw niet om om op deze manier het bestaan van God aan te tonen, maar wel om aan te tonen dat het veel redelijker is om in God als schepper van de mens te geloven dan niet.
Tenslotte een overdenking om het niveau van God zelf. Filosofen hebben gesteld dat God in feite niet niet kan bestaan. Ik refereer dan aan het befaamde ‘ontologische argument’ van de 13e eeuwse monnik Anselmus. Heel kort door de bocht samengevat: wie God ‘denkt’ kan op een zeker moment niet anders besluiten dan dat die God ook bestaat. Ook dat argument laat te wensen over als bewijs, zeker voor de ongelovige. Maar de vraag blijft of het kan zijn dat God niet bestaat als wij Hem toch ‘denken’, niet ‘bedenken’ dus ‘maken’ in onze geest, ‘inbeelden, maar ‘denken’, de gedachte van God bestaat in ons, zelfs bij atheïsten. Is er niets voor te zeggen dat Hij dan ook moet bestaan? Het idee van God is ook niet in zichzelf tegenstrijdig, zoals het idee van een vierkante cirkel of een getrouwde vrijgezel dat is. Wij mensen kunnen dus ideeën er op na houden die gewoon niet kunnen bestaan. Hetzelfde geldt voor die bekende steen die God wél geschapen zou kunnen hebben, maar die zo zwaar is dat Hij hem niet op zou kunnen tillen. Nee, God kan geen steen scheppen die Hij niet kan tillen, want een steen die God niet kan tillen kan per definitie niet bestaan. Dat ligt niet aan God maar aan die steen en tast de almacht van God dus niet aan. Het idee van God zelf, een geestelijke almachtig, tijdloos, persoonlijk, oneindig goed wezen dat de eerste oorzaak is voor alle bestaan, is een idee waarbinnen geen strijdigheid is aan te treffen, zoals die vierkante cirkel, die getrouwde vrijgezel of die voor God te zware steen. Het idee van God is dus niet in zich onredelijk. Hij zou kunnen bestaan. Nu, dan zou het ook wel eens goed kunnen zijn dat Hij bestaat. Wordt het dan op een zeker moment niet erg onredelijk te geloven dat Hij niet bestaat?
En dan is er nog dit: bibliotheken vol in de wereld getuigen van een merkwaardig gegeven. God die God waarover we tot op heden alleen maar gefilosofeerd en gespeculeerd hebben, zich zou hebben geopenbaard. De godsdiensten, de christelijke meer dan welke andere dan ook, getuigen daarvan. We zijn aanbeland in de bijbel en de joods-christelijke traditie, in de traditie van de Kerk. Vele landen in de wereld hebben hun steden en dorpen voorzien van merkwaardige gebouwen met torenspitsen en kleurrijke glas-in-lood-ramen. Mensen stromen daar in grotere of kleinere aantallen wekelijks samen om hun God te ontmoeten, te bidden, van Hem te horen en voor Hem te zingen. Sommigen laten zich opsluiten in vierkante gebouwen, nee, geen gevangenissen maar kloosters, om Hem beter te begrijpen en te dienen. Anderen brengen de grootste menselijke offers, soms zelfs dat van hun leven, om hun geloof in God en hun dienst aan de naaste gestalte te geven. Vergissen al die mensen zich? Misschien is het redelijker om aan te nemen dat zij zich niet vergissen en die kleine minderheid van atheïsten onder de mensen wel. Het percentage overtuigde atheïsten zou in Europa ergens rond de 5% liggen wereldwijd zouden er een kleine 12 % mensen zonder geloof maar daarom nog geen atheïst zijn, in onze tijd.
Wat we in deze uitzending aannemelijk hebben willen maken is niet: dat God bestaat. U wist dat al, vermoed ik. Wat ik met u heb willen aantonen is dat het redelijk is om in God te geloven. Als bioloog heb ik er nood aan te weten dat de wetenschap mij niet alles kan verklaren en dat er reden zijn om in iets hogers te geloven. Als gelovige heb ik er nood aan dat mijn geloof niet onredelijk is en met de wetenschap samengaat, haar completeert. De geschiedenis van de wetenschap laat mij trouwens zien dat zij niet bestaan zou hebben zonder het christelijk geloof. Daar zouden we al een hele serie uitzendingen aan kunnen wijden. Mensen die het geloof in God ter discussie in stellen of zelfs afwijzen blijken dus op alle fronten aan het kortste eind te trekken. Zonder religieuze ervaring of katholieke opvoeding zou men al een beter aan doen om op redelijke gronden gelovig te zijn. Niet vreemd dus, dat de bijbel slechts één zinnetje aan hen wijdt, in psalm XX: alleen de dwaas beweert: er is geen God.
Maar voor de twijfelaars nog deze tip van Blaise Pascal, de mathematicus en filosoof. Hij raadde mensen op statistische gronden aan op in God te geloven. Indien je niet in God gelooft en hij blijkt niet te bestaan heb je geen probleem, toegegeven. Maar als Hij wel blijkt te bestaan bij uw overlijden, dan zit je met een groot probleem. Indien je wél in God gelooft en Hij blijkt op op sterfbed niet te bestaan verliest je niets. Indien je in God gelooft en Hij blijkt ook te bestaan win je alles. Conclusie: het is gunstiger om wel in God te geloven dan niet, want je verliest er niets bij. ‘Geloof u maar liever in God en haast u!’, voegt Pascal er aan toe.
Volgende week wil ik met u de redelijkheid van het geloof in Jezus en in de Kerk nagaan. Ik hoop u dan weer onder mijn luisteraars te mogen begroeten.
0 Reacties tot “De Redelijkheid van het geloof in God”