Op 7 september 2010 mocht ik een eerste radiouitzending verzorgen bij Radio Maria Nederland & Vlaanderen, in een serie van drie, in het kader van het programma ‘Theologische Academie’, over het menselijk embryo. Hieronder vindt u de integrale tekst.

Goede morgen beste luisteraars van Radio Maria. Vandaag en de komende twee weken op de dinsdagmorgen gaan we het eens uitgebreid hebben over het menselijk embryo. Wij allen groeien in de eerste negen maanden van ons aardse bestaan op in de schoot van onze moeder nadat we daar hopelijk uit liefde verwekt zijn. Sinds enkele decennia is het echter helaas alles behalve zeker geworden voor zo’n kleine vrucht of hij of zij ook daadwerkelijk het levenslicht te zien krijgt. Naast de spontane abortussen of miskramen, die er altijd zijn geest en altijd zullen blijven, is het de mens zelf die in onze tijd vrij gemakkelijk redenen vindt om het leven van een ongeboren kind te beëindigen. De maatschappij heeft dat inmiddels geaccepteerd en door wetgeving straffeloos gesteld. Abortus is niet iets van onze tijd alleen: de gehele mensengeschiedenis door hebben mensen de vruchtbaarheid niet alleen als een geschenk, maar ook als een probleem ervaren en abortussen verricht. In onze tijd zijn er nog andere gevaren voor het menselijk embryo bij gekomen, zoals de in vitro fertilisatie of medisch begeleide voortplanting, waarbij gemakkelijk rest-embryo’s in koelkasten belanden, vernietigd worden of aangewend worden voor experimenteel onderzoek.

Als katholieke christenen begrijpen we hopelijk dat deze dingen eigenlijk niet kunnen en onze kerkelijk leiders hebben zich daar ook altijd duidelijk over uitgesproken. Maar als iemand ons vraagt waarom, dan kan het zijn dat we toch wat moeite hebben om ons standpunt uiteen te zeggen. Ik als bioloog met enige theologische vorming voel me dan ook geroepen om in dergelijke kwesties een aantal gedachten op een rij te zetten en Radio Maria geeft me de gelegenheid om deze met u te delen. Ik ga u weinig nieuws vertellen vandaag, maar meer met u een aantal argumenten overlopen die gebaseerd zijn op drie bronnen van kennis: de biologie, de filosofie en de theologie. De vraag die we ons stellen is wat we nu precies bedoelen als we spreken over het menselijk embryo? Hebben we het over een klompje cellen? Of hebben we het over een pre-humaan wezentje? Of hebben we het over een volwaardige mens, met alle lichamelijke, verstandelijke en geestelijke kwaliteiten die een mens bezit? U kunt de tekst van deze uitzending nalezen op mijn website www.biofides.eu.

Als we met een louter biologische bril kijken naar het menselijk embryo, dan kan het ons overkomen dat we in de eerste fasen van de ontwikkeling nog niet direct een mens zien. Na de samensmelting van ei- en zaadcel ontstaat de zogenaamde ‘zygote’, en zijn wij een ééncellig wezentje. Dat gaat zich door zogenaamde klievingen delen tot twee, vier, acht, zestien, tweeëndertig en zo verder cellen die inderdaad in de vorm van een rond bolletje, een klompje als u wil, de ‘morula’, ordenen. Die morula wordt een blaasje of blastula en daarin gaan een groepje cellen een kiempje vormen waar uiteindelijk het embryo zal groeien. Tot op heden speelt zich dit alles af in de eileider, maar de blastula gaat zich, nu aangekomen in de baarmoeder, innestelen in de baarmoederwand en een placenta of moederkoek vormen. En nu kan de ontwikkeling van weefsels en organen echt gaan beginnen. Op zich genomen is dit proces vergelijkbaar met dat van dieren en zouden we dus kunnen denken dat er nog niet echt sprake is van een mensje. Kijken we echter wat verder, naar de erfelijke code van dat wezentje, het DNA in  de celkern, dan moeten we toegeven dat dat vanaf de bevruchting een unieke set van erfelijk materiaal is die slechts tot een mens en tot geen enkel ander levend wezen kan leiden.

De evolutiebiologie heeft er op gewezen dat het embryo van de mens als het ware een herhaling in negen maanden lijkt te zijn van de evolutionaire ontwikkeling van de mens. Eerst lijkt ons embryonale stadium op een visje, dan een amfibie, etc. De vraag is of die vergelijking helemaal opgaat en of onze embryonale ontwikkeling ook een ‘bewijs’ voor evolutie zou zijn. Die vraag laat ik hier nu liggen. Wat ik hier wil opmerken is dat die vergelijking tussen evolutie en embryonale ontwikkeling de gedachte kan voeden dat wij in de eerste weken en maanden van ons bestaan in de baarmoeder wellicht niet meer dan een diertje zouden zijn. Maar de erfelijke informatie in dat wezentje verraad zonder twijfel dat het wel degelijk om een mensje gaat, dat alle capaciteiten heeft om zich tot een volwaardige mens te ontwikkelen.

Heel populair en ook vrij algemeen aanvaard is de gedachte dat het menselijk embryo in de fasen voor de innesteling en de ontwikkeling van de gespecialiseerde weefsels en organen een zogenaamd ‘pre-embryo‘ zou zijn. Die term dateert van 1986 en komt van een ethiekcommissie van een Amerikaanse overheidsorganisatie die zich met de menselijke vruchtbaarheid buigt. Het wrange is dat in die commissie zich niet één embryoloog bevond. Minstens zo bizar is het dat de term ‘pre-embryo’ in de wereld van de menselijke embryologie niet als wetenschappelijk wordt gezien. Er is geen biologische grond voor de gedachte dat er een pre-embryonaal stadium zou zijn. Hoewel je kan zeggen dat vanaf ongeveer een bepaalde fase cellen zich gaan specialiseren en organen zich gaan vormen, is er onder embryologen geen discussie over dat de embryonale ontwikkeling van de mens een continu en geleidelijk proces is, zonder scherp te trekken grenzen tussen ontwikkelingsfasen. Alle fasen gaan geleidelijk in elkaar over. Elke grens die men trekt om welke reden dan ook, zuiver wetenschappelijk of om een abortuswet te schrijven, zijn arbitrair en willekeurig.

Als we termen als pre-embryo de revue laten passeren zijn we zo’n beetje aangekomen op het terrein van de filosofie. Er worden discussie gevoerd, alle eeuwen door, over het wezen van de mens en zo ook over het wezen of ‘statuut’ van het menselijk embryo. Die discussies voeden zich met biologische argumenten en zelfs met theologische, en hanteren minder gemakkelijk grijpbare begrippen als ‘individu’, ‘persoon’ en ‘ziel’. Op dit terrein blijkt het minder evident te zijn om tot harde uitspraken te komen die elke twijfel over de status van het menselijk embryo weg te nemen. Dat een bevruchte eicel een individu is lijkt voor de hand te liggen, totdat we ons realiseren dat in het stadium van de ‘klievingen’, de vermeerdering van ongedifferentieerde cellen van 1, naar 2, naar 4 etc. er een opdeling van de vrucht kan optreden met een eeneiige tweeling als gevolg. Was er bij de bevruchting nu één individu of waren er al twee? Of is een eeneiige tweeling misschien uiteindelijk toch één individu? Dat laatste lijkt onwaarschijnlijk; het eerste is moeilijke te beantwoorden.

Nog moeilijker wordt het als we spreken over het begrip ‘persoon’. De mens wordt ook in de filosofie vaak gezien, maar niet door allen, als een ‘iemand’, maar wat is dat? Vaak wordt gerefereerd aan het hebben van intelligentie, zelfkennis en zelfbewustzijn en het vermogen van de mens om met anderen in relatie te staan en te communiceren, ja zelfs met God die Persoon is. Daarin zouden we ons ook onderscheiden van de dieren. Maar in welk stadium wordt de vrucht een persoon? In welke maand of week van de zwagerschap? Niet gemakkelijk om daar een sluitende uitspraak oer te doen, dat vinden zelfs de pausen. En ten laatste het begrip ziel. U moet zich er niet over verbazen dat ook onze grootste christelijke denkers in de Middeleeuwen er niet zomaar van overtuigd waren dat de onsterfelijke ziel al vanaf de conceptie of bevruchting ingestort werd bij de mens. Voorstellen zijn gedaan als zou dat pas na enkele weken het geval zijn. Ik maak hier even een uitstapje naar de evolutiebiologie: ook hier is het de grote vraag wanneer in de evolutie van de mens vanuit een gemeenschappelijke voorouder de chimpansee, de mens een onsterfelijke ziel heeft gekregen. Vragen waar we gewoon geen antwoord op hebben. Onze huidige paus heeft er ooit op gewezen dat we ook moeten oppassen te ‘dingmatig‘ over deze dingen te denken, alsof de ziel een soort extra orgaan zou zijn dat dieren niet hebben. De bovennatuurlijke realiteit van het menselijk leven, dat wat hem in staat stelt zijn eigen dood geestlijk te overleven – en dan zwijg ik nog over de verrijzenis van het lichaam – zijn mysterievolle zaken die wij met onze menselijke voorstellingsvermogen nauwelijks aan kunnen. We kunnen in geloof aannemen, dat wij een onsterfelijke ziel hebben en leven na de dood en dat vraagt de kerk ook van ons, maar daarmee zijn niet alle vragen opgelost.

Als we dan over ziel en onsterfelijkheid spreken, dan komen we aan op het terrein van de theologie. Niet dat de theologie in de eerste plaats de mens of het menselijk embryo als onderwerp van studie heeft: dat is God zelf en zijn zelfopenbaring in de schepping en in de geschiedenis van de mensheid. Op grond van die openbaring geloven wij en leren wij ook onze eigen ware aard pas echt goed kennen. De theologie helpt ons ons geloof beter te begrijpen en het geloof, de openbaring, verlicht onze intelligentie. En als wij ons dan buigen over ons eigen bestaan in het licht van God, dan ontdekken wij dat wij naar zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen, als personen die geroepen zijn om te leven en lief te hebben en uiteindelijk in een eeuwige aanschouwing en vereniging met God te leven, over de grens van de natuurlijke dood. Wij zijn dus meer dan het product van een evolutionair proces en meer dan het product van de versmelting van twee geslachtscellen.

Als bronnen voor deze vanuit de theologie gevoede visie op de mens gelden de bijbel of Heilige Schrift en de christelijke traditie, deze laatste niet zonder het leergezag van de Kerk: haar van Christus ontvangen mandaat om inzake kwesties bindende uitspraken te doen die wij als ‘waar‘ mogen kwalificeren, als betrouwbaar. Ik neem deze dus mee in mijn betoog. Daarbij zij het opgemerkt dat Bijbel en Traditie niet ‘om de haverklap‘ over het menselijk embryo spreken, want er zijn zoals u weet nog een paar andere zaken die de mens aanbelangen en die er aan de orde komen. Maar wel spreken beide altijd in de meest positieve woorden over de menselijke vrucht in de schoot van de moeder. Ook moeten we ons realiseren dat zowel Bijbel als Traditie zich uitspreken in de termen en met de kennis van zaken die horen bij de tijd waarin de betreffende teksten uitgesproken en geschreven zijn. We mogen van een bijbelse tekst of een middeleeuwse theoloog dus geen embryologische kennis verwachten die pas in de twintigste eeuw is ontdekt. Dat maakt Bijbel en Kerkelijke traditie geen zaken voor naïevelingen die de moderne wetenschap niet kennen: er zijn waarheden die van alle tijden zijn en nooit zullen veranderen en het is daarmee dat Bijbel en Traditie zich vooral bezig houden.

Als de Bijbel spreekt over het menselijk embryo, dan is dat dus altijd in positieve zin. Dat begint al in het boek Genesis, als God man en vrouw schept, niet bij wijze van ongelukje, maar met een uitdrukkelijk voortplantingsdoel: “Ga heen en vermenigvuldig u”. Psalm 127 herinnert ons eraan “dat de vrucht van de schoot zijn gave is” en geen ramp die je kan overkomen. Jeremia toont ons aan dat de vrucht vanaf het begin een persoonlijk karakter meekrijgt als hij van God verneemt dat deze hem al kende voor Hij hem vormde in de moederschoot, en dat hij als voor zijn geboorte aan God toegewijd werd (Jer. 1,5). De boetepsalm 51 herinnert ons aan twee belangrijke feiten als er wordt gesteld: “Schuldig was het dat mijn moeder mij ontving”. Vanaf mijn ontvangenis, de bevruchting ben ik al iemand voor God, een persoon, zou ik zeggen en vanaf dat moment deel ik helaas ook in de zonde van onze eerste ouders en de mensheid, heb ik dus verzoening nodig die mij in de godmens Jezus geboden zal worden. Van iets dat slechts een klompje cellen is kan je dat moeilijk zeggen.

Het Nieuwe Testament geeft in de verhalen van twee wonderlijke zwangerschappen, die van Elisabeth en haar nicht Maria een klinkend getuigenis van de waarde van het ongeboren leven, als de kleine Johannes opspringt in de schoot van Elisabeth bij de groet van Maria, de moeder van Jezus. Meer nog: God blijkt het te verkiezen om langs de weg van de moederschoot als mens op aarde te verschijnen. We zullen waarschijnlijk nooit weten hoe dat biologisch mogelijk is geweest, wat de genetische code van Jezus precies was, want er is volgens het evangelie – ik permitteer me om het zo te zeggen – geen mannelijke zaadcel aan te pas gekomen. We mogen toch aannemen dat Jezus ook een eencellig mensje is geweest, dat er klievingen hebben opgetreden, een morula en blastulastadium, innesteling en zo verder.  We hebben in elk geval geen reden om daar aan te twijfelen. Gelukkig weten we dat voor God alles mogelijk is en dat God zich niet laat binden door de door hem zelf geschreven biologische wetten. Dat geldt evenzeer over Jezus’ opstandig uit de dood en de vele wonderen.

De kerkelijke traditie getuigt van haar respect voor het ongeboren leven onder meer in de constante afwijzing van abortus provocatus. Al in de tweede eeuw vinden we in de Didachè, een geschift waarin het leven van de jonge kerk beschreven wordt, dat het menselijk leven vanaf het begin en in alle stadia van de ontwikkeling geëerbiedigd moet worden. Tertulianus, de kerkvader die leeft de tot in het begin van de derde eeuw vindt dat er geen wezenlijk verschil is tussen een reeds geboren zielenleven of een leven gedurende het wordingsproces. “Hij is reeds een mens, hij die het zal zijn”. Ook al zijn er in de Middeleeuwen verschillende opvattingen geweest over de instorting van de ziel in de menselijke vrucht, wat leidde tot verschillende weging van abortus naar gelang de fase waarin het uitgevoerd werd: altijd is abortus als een kwaad beschouwd. En daar is de Kerk ook in onze dagen niet van afgeweken, getuige uitspraken van het  Tweede Vaticaanse Concilie, de recente pausen, en ondersteund door instructies van de Congregatie van de Geloofsleer, het belangrijke ministerie van theologische en morele zaken van het Vaticaan. In 1974 schreef deze congregatie: ”Vanaf het moment dat de eicel bevrucht wordt, bevindt zich een leven in staat van begin, een leven dat niet van de vader is, noch van de moeder, maar van een nieuw menselijk wezen, dat zich ontwikkelt op en voor zichzelf. Dit zal nooit menselijk worden, als het dat niet is vanaf dat moment.” en “Vanaf de bevruchting is het avontuur van het menselijk leven begonnen”.

In 1987, nu onder voorzitterschap van de huidige paus, toen kardinaal Ratzinger: “Ongetwijfeld kan geen experimenteel gegeven op zich volstaan om een geestelijke ziel te doen erkennen; niettemin leveren de conclusies van de embryologie een kostbare aanwijzing om rationeel een persoonlijke aanwezigheid te onderscheiden vanaf dit eerste verschijnen van een menselijk leven: waarom zou een menselijk individu geen menselijke persoon zijn?”. Daarbij onthoudt de Kerk zich dus van een bindende filosofische uitspraak; filosofie is immers niet de voornaamste competentie van de Kerk, dat zijn geloofsinhoud en moraal. Maar zij verdedigt wel de eerbiediging van de menselijke vrucht vanaf het begin; deze moet vanaf het moment van de ontvangenis geëerbiedigd en behandeld worden als een persoon en dus het recht op leven worden toegekend. Paus Johannes Paulus II heeft dit alles in een grootse visie opgenomen in zijn encycliek Evangelium Vitae en de kerk breng haar visie op het menselijk embryo voortduren bij de tijd in functie van nieuwe biomedische en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals recent in 2008 in de instructie Dignitas Personae, opnieuw van de Congregatie van de Geloofsleer, nu onder voorzitterschap van de Amerikaanse kardinaal Levada. Zo geeft de Kerk antwoord op die eenvoudige vraag die wij ons altijd zouden moeten stellen: ‘Wat vind God er nu eigenlijk van, van dat menselijk embryo’?

In deze uitzending heb ik getracht met u naar het menselijk embryo te kijken vanuit biologisch, filosofisch en theologisch gezichtspunt. De ethische conclusies dringen zich op, maar daar ging het me nu in eerste instantie niet om: die zijn immers een gevolg van wat wij als de waarheid over de mens kunnen vaststellen door ons geloven en denken. In de volgende uitzending ga ik in op de hedendaagse bedreigingen waar het menselijk embryo mee te maken heeft en in de derde uitzending wil ik dat plaatsten in een groter maatschappelijk en kerkelijk kader. Ik denk u hartelijk voor uw welwillende belangstelling.

Heeft u vragen of opmerkingen? Mail dan naar biofides@gmail.com of laat een opmerking hieronder achter.

Terug naar ‘Het Menselijk Embryo’

0 Reacties tot “Het Menselijk Embryo: biologisch, filosofisch en theologisch bekeken”



  1. Geef een reactie

Dank u voor uw reactie! Wij zullen zeker antwoorden maar uw bericht niet publiceren.

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s




Vul uw e-mail addres in om u voor deze blog in te schrijven en per e-mail notificaties te ontvangen van nieuwe berichten.

Blog Stats

  • 34,739 hits

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 144 other followers