Tekst van de Radiouitzending van 14 september bij Radio Maria in de serie van drie over de Verkondiging van het Evangelie van het Leven.
Beste luisteraars,
Het is me een genoegen u vandaag weer eens te mogen spreken over een thema dat twee kanten van mijn persoon raakt: enerzijds mijn bioloog zijn en anderzijds mijn katholiek christen-zijn. Paus Johannes Paulus II heeft die twee thema’s met elkaar verbonden in zijn encycliek Evangelium Vitae, het Evangelie van het Leven. Ons geloof in de blijde boodschap heeft alles te maken met ons aardse, biologische bestaan. Het is niet mijn bedoeling om zijn encycliek hier te behandelen, maar wel om in zijn geest met u na te denken over in welke tijd wij leven, welke de uitdagingen er voor ons, biologische én geestelijke wezens, liggen en op welke manier wij die opdracht tot de verkondiging van het Evangelie van het Leven zouden kunnen aanpakken. Ik doe dat binnen het kader van het apostolaat ‘Biofides’, dat wil laten zien hoe biologie en geloof samen gaan en wil bijdragen aan de verkondiging van dat Evangelie van het Leven. Meer daarover, net als de tekst van deze uitzendingen kunt u lezen op mijn website www.biofides.eu.
Ik heb deze serie van drie uitzendingen als volgt verdeeld: in deze eerste uitzending ga ik in op de tijd waarin wij leven, die gekenmerkt wordt door secularisatie, materialisme en atheïsme. In de tweede uitzending wil ik met u nadenken over de redenen om te geloven in het Evangelie van het Leven. In de derde en laatste uitzending wil ik praktisch worden en met u spreken over hoe wij het evangelie van het leven praktisch kunnen beleven, privé, in onze familie- en vriendenkring en in maatschappij en beroepsleven.
Maar nu dus eerst eens kijken naar onze tijd, de context waarin wij leven en die de verkondiging van het Evangelie van het Leven naar het oordeel van de Kerk zo nodig maakt. Ik doe dat een beetje aan de hand van mijn persoonlijke ervaring, mijn herinneringen die teruggaan tot het begin van de jaren zestig. Dat is misschien een wat subjectief beeld, maar ik denk dat er veel herkenbare aanknopingspunten in zullen zitten. Dat begin van die jaren zestig, – ik spreek als Nederlander, ook al woon ik nu in België – werd in hoge mate gekenmerkt door enerzijds vanzelfsprekende structuren en opvattingen op het terrein van geloof en zeden, en anderzijds een grote ijver om de wederopbouw van de naoorlogse periode verder uit te bouwen tot een echte welvaartsmaatschappij, waar iedereen het goed kon hebben. Grote woningbouwprojecten, de massale opkomst van de auto in het straatbeeld, ik herinner mij nog de eerste supermarkt die in Utrecht-Oost verscheen, de aanleg van autosnelwegen rond de stad, vaak ten koste van prachtig landschap waarvan ik achterop de fiets bij mijn vader nog zo van genoten had, de enorme opkomst van de technologie: de kleurentelevisie, huishoudelijke apparaten, medische vooruitgang, de landing op de maan, en nog later de opkomst van de computer en het internet. Tegelijkertijd ontstond het probleem van de milieuvervuiling, maar het was aanvankelijk nog te vroeg om ons daar echt zorgen over te maken. Het vreemde in die hele ontwikkeling was dat de vanzelfsprekendheid waarmee men katholiek of protestants christen was ongemerkt weggleed naar de achtergrond. In feite was de vooruitgang vooral materialistisch van aard, ook de georganiseerde solidariteit in de maatschappij: het ging om een financiële solidariteit die in wetten en via het loonstrookje geregeld werd, maar daarmee niet persé vanuit het hart werd beleefd zoals bij een vrijwillige schenking. Die solidariteit was niet altijd helder vanuit een diepe godsverbondenheid en geloofsovertuiging onderbouwd, althans, daar sprak men niet zo veel over. Men dreef op een bepaald christelijk bewustzijn, maar het ontging ons dat dat christelijke kurk waarop wij dreven en die ons tot de verzorgingsmaatschappij aanspoorde, in feite onder ons aan het verdwijnen was. Toen er dan ook binnen en buiten de kerk grote geloofstwijfels en zelfs geloofsondermijnende ideeën opkwamen, hadden velen daar geen antwoord op, te weinig geworteld als men vaak was in de de christelijke geloofsovertuiging en de manier waarop die zich kon vertalen in concrete standpunten voor het leven, morele en maatschappelijke ideeën. Bovendien was die christelijke geloofsovertuiging in Nederland erg heterogeen, door de kerkelijke verdeeldheid die het land kenmerkt. Er deden zich in de jaren zestig en nog daarna een aantal revoluties voor: in liturgie en theologie, in de muziek en de cultuur, in de maatschappij en in het gezin, in de seksuele moraal niet in de laatste plaats. En bij verrassing werden velen meegesleurd in een soort tsunamie van nieuwe ideeën en mogelijkheden, die hen ver afdreven van God zelf, van het geloof in de goddelijkheid van Christus, in de heiligheid van het leven. Er restte nog een vooral sociaal-maatschappelijk christendom, dat weinig of geen aanhang meer ondervond bij de jongeren, die we dus massaal niet meer in de kerken tegen kwamen. Maar ook de meeste ouderen haakten af en zelfs priesters en religieuzen. En zo zijn we aangekomen in een post-christelijke samenleving, ook wel post-modern genoemd. Waar in het modernisme van de voorbije decennia en eeuw nog kritiek op het geloof werd geuit, lijkt in het post-modernisme godsdienstigheid totaal irrelevant te zijn geworden of – nog erger – als een bedreiging beschouwd voor de pluralistische samenleving. Wat de overhand heeft gekregen is een erg materialistisch, maar vooral agnostisch of zelfs atheïstisch wereldbeeld. Het religieuze en morele relativisme krijgt de overhand: ieder zijn eigen religieuze, levensbeschouwelijke en morele waarheid. Wat waar is en goed wordt bepaald door het individu en de democratische meerderheid in een land, niet meer door een religieus systeem of een geloofsgemeenschap of God. De natuurwetenschap zou aangetoond hebben dat de mens niet meer is dan een intelligente naakte aap. Ik kan u als bioloog verzekeren dat de natuurwetenschap dat helemaal niet aangetoond heeft, maar men gelooft dat. Dat maakt dat de minder gewenste maar wel verwekte mens, misschien behept met een serieuze handicap, of de mens in de terminale fase van zijn leven, in zijn bestaansrecht wordt bedreigd. Omdat hij of zij slechts een biologisch wezen is, is het actief beëindigen van menselijk leven niet echt een probleem meer in deze uiterste gevallen, zoals dat bij dieren ook niet een probleem is. We hebben geen andere instanties dan het persoonlijke subjectieve geweten en de parlementaire democratie om vast te stellen wat waar en goed is voor de mens. Omdat God al enkele decennia uit het zicht verdwenen is, is de mens zelf de laatste instantie geworden en derhalve zélf God geworden. En als de mens zelf God, of althans de laatste normgevende instantie is, dan is het misschien ook verdedigbaar dat hij ook over leven en dood beslist, maar dan wel op voorwaarde dat God ook echt niet bestaat. Daar is de mens dan toch weer niet zo zeker van. Zelfs de grote atheïstische bioloog Richard Dawkins laat op zijn affiches in Engeland zetten: ‘Er is waarschijnlijk geen God’. Hij is dus niet helemaal zeker van zijn zaak.
We zijn dus aangekomen bij een Westerse beschaving die zelf bepaalt wat waar en goed is en zich niet laat leiden door universele principes. We zijn zogezegd bevrijd van godsdienstige systemen (ook al aaien we de Islam dan toch weer over de bol, als minderheid in ons land) en begrijpen niet dat er toch iets fundamenteel mis zou kunnen zijn met de tijd waarin we aangeland zijn. Het recht om over leven en dood te beschikken is een verworvenheid van een individualistische en democratische bestuurde samenleving. Dat er in de marge van dit systeem mensen het leven moeten laten omdat zij nog geen stem hebben of omdat hun levenskwaliteit te gering zou zijn geworden, dat ervaren we als een verworvenheid. Zo kom je tot een gezonde samenleving, zo lijkt het. Het gegeven dat steeds meer gehandicapten zich levenslang ongemakkelijk voelen, niet alleen vanwege hun handicap, maar ook omdat zij bestaan en niet geaborteerd zijn, of als terminale patiënten de druk ondergaan van het tot last zijn van de familie en maatschappij en daardoor zelfs om euthanasie vragen, dat zijn neveneffecten die ons nog een beetje ontgaan. Kijk naar rubrieken als ‘De Wereld Draait Door’ en ‘Pauw & Witteman’ (in Nederland) of ‘Terzake’ en ‘Koppen’ in Vlaanderen, en je moet geloven dat er in feite niets aan de hand is, behalve dan de bekende wereldproblemen die we wél gezamenlijk onderkennen als klimaatverandering, vergrijzing, integratie, de financiële crisis. Maar niet het te lage geboortecijfer als gevolg van de contraceptieve mentaliteit, de losse seksuele en huwelijksmoraal die ook het gevolg van is van die contraceptieve mentaliteit, de effecten van de vele echtscheidingen op kinderen, de druk die gehandicapten en hoogbejaarden voelen om het feit dat zij bestaan en voor hun omgeving een last zijn.
Ik wil niemand veroordelen die deze dingen niet ziet, al is het maar omdat ik ze vroeger, in mijn agnostische jaren, ook niet zag. Het bezien van de werkelijkheid vanuit de positie van de mens alleen leidt onvermijdelijk tot gebrek aan zicht op de werkelijkheid. We hebben, zo is mijn ondervinding, het ‘helikopteroverzicht’ van God nodig, Degene die overzicht heeft, om als mens werkelijk te zien en te begrijpen wat er speelt. Het is lastig om dat in te zien: dat je God nodig hebt om de dingen te kunnen overzien en in te kunnen zien. Dat vraagt nederigheid en dus bekering van de hoogmoed. Maar waarom zou je je wenden tot een god waarvan je zogezegd nooit kan weten of Hij bestaat, of tot een godsdienst waarvan je niet weet of deze de ware is. Sommige godsdiensten, of althans extreme vertegenwoordigers ervan, brengen mensen ertoe volgepakte en volgetankte vliegtuigen in wolkenkrabbers te jagen. En moeten we weer terug naar de tijd, zoals in Nederland, dat gelovigen van verschillende kerken elkaar met de nek aankijken? Nee, God en godsdienst gelden in onze tijd niet als een geloofwaardige oplossing. Wat is dan het antwoord van het geloof op deze post-moderne wereld? Alvorens daar over na te denken luisteren we even naar wat muziek.
=======
Wat kan het antwoord zijn vanuit het geloof op deze post-moderne maatschappij ‘zonder God’. Ik wil er drie schetsen die we in de afgelopen decennia hebben kunnen zien, op het gevaar af ze te zeer van elkaar te scheiden en van elk een karikatuur te maken. Neemt u dus alles wat ik zeg met enige souplesse op en valt u niet over een woord.
De eerste reactie die ik mij kan herinneren is een zeer wijdverspreide: onder katholieken én protestanten: een zich verregaand aanpassen aan de moderne tijd. Je kunt je overigens afvragen of dit een reactie is, of juist de oorzaak is van de secularisatie: vaak gingen ze gelijk op en hand in hand. Maar laat ik het hier voorlopig een reactie op de secularisatie noemen. Ik beperkt me hier ook tot de reactie van christenen: voor die van joden en moslims voel ik mij niet goed geplaatst om daar iets over te zeggen. De reactie van deze eerste categorie bestaat uit het verregaand weglaten van God en het goddelijke uit de godsdienst. Christus wordt ‘ontmythologiseerd’ ofwel van zijn goddelijkheid ontdaan. Er blijft weinig meer van Hem over dan een bijzonder mens, een profeet, misschien wel een mythologische figuur waarvan het bestaan zélf ter discussie gesteld kan worden. We kunnen desalniettemin zijn woorden beluisteren en zijn voorbeeld volgen, maar dan wel naar de menselijke maat, dus niet zijn wonderen. Zij maagdelijke geboorte en zijn opstanding uit de dood zijn waarschijnlijk ook maar figuurlijke voorstellingen van leerlingen die dat nu eenmaal in die tijd zo voorstelden. De theologie wordt dus in hoge mate aangepast aan de menselijke maat. Het gaat meer om een nadenken van de mens over het hogere, een soort godsdienstfilosofie, dan om een theologie vanuit het gezichtspunt van God, een begrijpen van de zelfopenbaring van God in de mensen geschiedenis. Als we uiteindelijk maar goed zijn voor elkaar, dan is het al voldoende. Of dat op deze manier ook zal lukken moet de tijd maar leren. Ook de liturgie wordt verregaand op het alledaagse voorstellingsvermogen van mens aangepast, niet alleen in de gezins- en kindervieringen. Woorden die al te zeer ontleend zijn aan een hoogliturgisch verstaan van hemelse werkelijkheden, worden vervangen door begrijpelijke taal van menselijke vreugde, hoop en verdriet. De verkondiging wordt aangepast aan de moderne tijd. De moraal wordt ontdaan van een aantal ongeriefelijke kanten, of tenminste worden deze zaken gerelativeerd, of verzwegen. Niet zelden wordt het ontoelaatbare toelaatbaar verklaard en dan nog wel op een behoorlijk dwingende, moralistische wijze. Je moet bepaalde zaken, zoals echtscheiding, homohuwelijken etc. voortaan aanvaardbaar vinden. De vrijheid van meningsuiting en geweten komt voor mensen met een andere opvatting in het gedrang. Amsterdam is er trots op – met heel Nederland – dat ze daar geen ambtenaren hebben die vanwege hun geweten geen homohuwelijken wensen te sluiten. En de kerkleiding in het Vaticaan wordt afgeschilderd als een stroef middeleeuws instituut dat maar niet met haar tijd wil meegaan. Men blijft er lid van, maar ‘onder protest’ tegen deze halsstarrigheid van de kardinalen en pausen in Rome.
Een tweede reactie is die van het tegendeel. Het is de houding van het grote eigen gelijk van de christelijke orthodoxie. Men wil in feite terug naar vroeger, toen alles nog duidelijk en goed was. Er wordt hevig op de traditie gewezen, het heilige en het absoluut ware, echter en passant daarbij alle iedereen die deze zaken niet of niet meer omarmt tenminste in het hart met negatieve gedachten te overladen. Men riskeert zich op te sluiten in het grote eigen gelijk, op een manier waarvan in feite niemand echt vrolijk wordt, ook zijzelf niet. Mensen dreigen zich terug te trekken in gettoachtige omgeving en hebben een overwegend negatief oordeel over wat er in de wereld gebeurt. Mensen delen andere mensen in ggroepen om er vervolgens een stevig etiket op te plakken, voor de duidelijkheid. Maar de ruimte voor dialoog lijkt daarmee verspeeld en de schat die het geloof voor de mens is dreigt verborgen te blijven voor de ander. Er dreigt een heilloze polarisatie, zoals we dat in Nederland vooral in de jaren tachtig hebben gekend en nu misschien in Vlaanderen.
De derde reactie op de postmoderne samenleving die ik gezien heb en waar ik me het meest bij thuis voel is er een die zich tussen deze twee uitersten in bevindt. Misschien is het wel de reactie van God zélf, van zijn Geest, die vanaf het begin van de schepping en ook nu nog over de wateren zweeft, die de profeten heeft doen opstaan en spreken, die Christus geboren heeft doen worden uit een maagd (want voor God is niets onmogelijk!) en die de apostelen in vuur en vlam gezet heeft na Jezus verrijzenis, de Geest de Kerk nu al 2000 jaar bestuurt, door de lastigste tijdsgewrichten loodst, steeds weer doet opbloeien, ondanks de soms niet geringe zwakke kanten van haar leden en van sommigen van haar leiders. Ondanks of zelfs dankzij de secularisatie zijn er mensen en groepen van mensen in onze tijd opnieuw op zoek gegaan naar de essentie van het menselijk bestaan en het godsgeloof, of ze hebben zich laten grijpen, God weet waarom zij en niet anderen, door Gods onzichtbare en ongrijpbare maar werkzame aanwezigheid. Ze hebben een beetje als Maria ‘genade gevonden in Gods ogen’ om door Hem aangeraakt en aangesproken te worden en op weg te gaan met een God die liefde én waarheid is, die het absoluut en eeuwig goede met de mens voor heeft. Deze mensen getuigen van hun persoonlijke ontmoeting met God en de ontdekking van de geloofsschat van de Kerk, verborgen in de soms schijnbaar al te menselijke organisatie. Deze mensen trachten te leven vanuit een persoonlijke verstandhouding met Hem, in gebed en sacrament, in de gemeenschap waartoe zij behoren. En vanuit de schat die zij daar ontdekken putten zij antwoorden op de vragen waarvoor ook zij gesteld worden over het leven, de moraal, het menselijk leven in alle stadia, de menselijke samenleving, als ook de eerste oorsprong van het bestaan en zijn uiteindelijke doel. Vervuld van die rijkdom treden zij de post-moderne samenleving tegemoet vol liefde en bezorgdheid voor het welzijn van haar leden, nooit oordelend of opdringerig, maar altijd bereid verantwoording af te leggen van de hoop die in hen leeft en al het even kan met een glimlach. Zij steunen elkaar in hun gemeenschappen, groepen en apostolaten, zoeken en vinden antwoorden en oplossingen voor de noden van deze tijd die ten volle rekening houden met de waardigheid van elk menselijk leven en elk ander leven op aarde. Natuurlijk worden ook deze mensen beproefd door tegenslagen, mislukkingen, maar daarbij putten zij kracht uit hun grote leermeester, Jezus Christus, die het kruis in zijn leven ook niet uit de weg is gegaan maar er een teken van overwinning van heeft gemaakt. Die Jezus willen zij volgen, waar Hij ook gaat, niet slechts als een historisch voorbeeld, maar als een levende Persoon die ook vandaag voor hen uitgaat. om zijn evangelie, zijn goede nieuws voor de mensheid, te verkondigen.
Na wat muziek besluiten we deze eerste uitzending met nog enkele gedachten over de problematiek van het leven in onze tijd en van de verkondiging van het evangelie van het leven.
====
We hebben in de voorgaande delen dus een zeer algemene beschouwing gegeven over wat onze tijd kenmerkt, wat het post-modernisme inhoudt en welke de reacties van de christenheid daarop zijn geweest of kunnen zijn. Het was misschien een wat subjectieve voorstelling van zaken, maar ik vermoed dar u er wel zaken in herkend hebt. Het feit dat er vanuit christelijk én vanuit menselijk oogpunt wat aan schort in onze post-moderne tijd uit zich naar mijn oordeel niet in de eerste plaats in lege kerken, terugdringen van religie naar de privé-sfeer, de opkomst van de Islam in het christelijke westen, de vergrijzing, de financiële crisis of uit de klimaatverandering. Het meest schrijnende symptoom van dat er iets wezenlijk mis is gelopen is naar mijn idee het feit dat de westerse mens situaties heeft toegelaten, privé, in de publieke opinie en in de burgerlijke wetgeving, waarbij het geoorloofd is in bepaalde uiterste situaties de hand aan de eigen soort te slaan. Ik heb het niet over oorlogssituaties of zelfverdediging, waar dat onder bepaalde voorwaarden gerechtvaardigd kan zijn, maar in het normale leven van de mens die verwekt wordt uit de relatie tussen een man en een vrouw, die gezond is of juist niet en die zich voorbereid op het einde van zijn aardse bestaan. Onder bepaalde omstandigheden zijn wij het normaal gaan vinden dat menselijke wezens actief van het leven beroofd worden, omdat een ander doel daarmee gediend is, zoals de kinderwens van een onvruchtbaar stel, de genezing van tot nog toe ongeneselijke ziekten, of uit medelijden bij ondraaglijk geacht lijden. De vorige paus heeft dit fenomeen de ‘cultuur van de dood’ genoemd in zijn encycliek Evangelium Vitae en ik ben zeker niet de eerste of de enige die hierover bij Radio Maria spreekt. Maar als oud-leraar biologie en voormalig agnost, ben ik de weg gegaan van het vrijwel blindelings aanvaarden van deze zaken tot een apostolaat voor de verkondiging van het Evangelie van het Leven, de promotie van een ‘cultuur van het leven’, ook weer een term uit de mond van de grote en inmiddels zalige paus uit Polen. En het is mijn ontdekking dat je ook zonder God, op grond van eenvoudige natuurlijke feiten en redelijke overwegingen tal tot de conclusie zou kunnen koen dat bepaalde zaken die het biologische leven van de mens en de natuur in gevaar brengen onaanvaardbaar zijn, immoreel, schadelijk voor de mens. Maar het is ook mijn ondervinding dat het zonder God, zonder zijn openbaring, zijn Geest, moeilijk blijkt om die dingen in te zien. We kiezen dan voor oplossingen die het leven van zijn waardigheid en heiligheid beroven. Het blijkt niet genoeg te zijn om zuiver biologische en rationele argumenten aan te dragen om ons tot inzicht te brengen: het blijkt nodig te zijn om ook uitdrukkelijk weer over God, onze schepper, oorsprong en doel van ons leven te spreken, over Christus die Hem heeft doen kennen en vanuit de rijke schat van het geloof van de ‘originele’ Kerk, ik bedoel daarmee de katholieke kerk. In het voorgaande heb ik al een beetje trachten te schetsen welke naar mijn oordeel de voorwaarden zijn om op grond van ons katholieke geloof tot een heilzaam antwoord te komen op de cultuur van de dood en welke fouten we dienen te vermijden als katholieken. In de volgende uitzendingen wil ik graag de thematiek van het evangelie van het leven wat uitdiepen om in de derde uitzending heel concreet met u na te gaan op welke wijze wij dat evangelie van het leven samen kunnen verkondigen, niet om deze wereld te oordelen, maar eerder om haar te redden.
Indien u nu al vragen hebt, dan blijf ik – althans in de live uitzending, niet in de herhaling van vanavond – nog tot uw beschikking voor vragen. Ook verwijs ik u graag naar mijn website, waar zoals gebruikelijk de tekst van deze uitzending te vinden zal zijn en waar u er ook op kunt reageren: www.biofides.eu. Ik dank u hartelijk voor uw aandacht.
Terug naar ‘De Verkondiging van het Evangelie van het Leven’
0 Reacties tot “Secularisatie, materialisme, atheïsme en het antwoord van het (katholieke) geloof”