Hier volgt de telst van de tweede uitzending in een reeks van drie op 21 september 2011 bij Radio Maria Nederland & Vlaanderen. U kunt onderaan reageren, indien u dat wenst. Uw reacties worden wél beantwoord, maar niet gepubliceerd.
Beste luisteraars,
Het is fijn om vandaag weer met u na te mogen denken over het thema van de Verkondiging van het Evangelie van het leven. Dat is een begrip dat we te danken hebben aan Paus Johannes Paulus II, uit zijn encycliek Evangelium Vitae, die hij in 1995 het licht deed zien en waarin hij zijn zorg uitte over de manier waarop wij vandaag aan de dag omgaan, vooral in het rijke westen, met het leven dat wij van God gekregen hebben. Een interessant thema voor een bioloog en bekeerling na een periode in mijn leven dat ik agnost was, dus eigenlijk niet in God geloofde, noch bad of naar de Kerk ging. Na mijn ommekeer in 1980 ben ik mij steeds meer gaan interesseren voor de manier waarop ik niet alleen als bioloog naar het fenomeen van het leven kon kijken, maar ook en vooral hoe de Kerk het leven ziet, je zou kunnen zeggen: vanuit het gezichtspunt van God, die er de Schepper van is. Wanneer je als bioloog zegt dat God de Schepper van dat leven is, dan begrijpt u dat je onmiddellijk terecht komt in de nooit ophoudende discussie over evolutie en schepping, waar helaas vaak heel ondoordachte standpunten ingenomen worden die tot onnodige misverstanden leiden. Ook stuit je op de vraag wat er nu zo bijzonder is aan de soort ‘mens’. Zijn wij gewoon hoger ontwikkelde levensvormen, intelligente primaten, die zich gedragen naar wat het grootste evolutionaire voordeel heeft, of is er meer aan de hand, hebben wij een vrije wil, een besef van goed en kwaad, een onsterfelijke ziel, en zijn wij geschapen naar Gods beeld en gelijkenis? Als gelovigen zeggen wij dat wij het leven van God gekregen hebben en dat wij Hem er ook uiteindelijk verantwoording over af zullen leggen. Dat geld ook voor hoe wij omgaan met het leven in de natuur. Maar onze tijd is niet zo gelovig en niet veel mensen om ons heen zeggen ons dat zomaar na.
In de uitzending van vorige week heb ik u het beeld geschetst, een beetje aan de hand van mijn persoonlijke ervaring, van de afgelopen decennia, tijdens welke het zogenaamde christelijke westen nogal afstand genomen heeft van zijn christelijk wortels, God dood heeft verklaard of althans onkenbaar en dus irrelevant voor ons dagelijks leven. Jezus is slechts een bijzonder mens geweest uit lang vervlogen tijden, een voorbeeld om na te volgen, maar zijn wonderen, die kunnen niet echt gebeurd zijn en zijn goddelijkheid wordt zwaar in twijfel getrokken of onderbelicht. We spreken slechts over Hem in de verre verleden tijd, niet als een levende goddelijke Persoon met wie we vandaag een vriendschapsband kunnen – en zouden moeten – onderhouden. Ook de Heilige Geest, toch al een onderbelichte Persoon uit de Drie-ene God, komt weinig aan bod in ons denken en zelfs in ons bidden. We leven in een welvaartsmaatschappij en geloven alleen wat we kunnen zien en aanraken en ieder mag zijn eigen geloof en moraal hebben, bij voorkeur alleen in de privé-sfeer. Waarheid omtrent de dingen en omtrent goed en kwaad, dat bestaat niet echt en als we er toch over moeten beslissen, dan doen we dat bij democratische meerderheid. Of een vaste verbintenis tussen twee personen van hetzelfde geslacht een huwelijk kan zijn wordt niet bepaald op grond van objectieve criteria die hun wortels hebben in een lange menselijke geschiedenis, biologisch, antropologisch en theologisch onderbouwd, maar door de wat de meerderheid van een of ander nationaal parlement daarvan zegt op een bepaald moment in die geschiedenis. Het is de cultuur van het relativisme, het secularisme en het materialisme, om de woorden uit het thema van mijn vorige uitzending nog even aan te halen.
Vandaag gaan we eens wat meer kijken naar wat die verkondiging van het evangelie van het leven in kan houden, dat is die gelovige oproep om het leven te bezien in het licht van het geloof in God, die wij kennen in Jezus Christus, door de Heilige Geest en langs de weg van het leven van de Kerk die Hij zelf stichtte, de katholieke Kerk dus, en daarvan te getuigen. Dat is een visie die rekening houdt met de gehele mens, zijn lichamelijk of biologische bestaan, zijn sociaal-psychologisch bestaan (waar ik hier niet verder op in zal gaan) en zijn geestelijk bestaan, bedoeld als hij is door God om eeuwig met Hem te leven, uiteindelijk zelfs niet zonder zijn lichaam. We gaan dus kijken naar ons leven in drie beslissende fasen en de manier waarop deze in onze post-christelijke tijd behandeld worden en de manier waarop wij als gelovigen er naar zouden kunnen kijken en mee om zouden kunnen gaan. Ik doe dat in anti-chronologische volgorde: ik begin voor de verandering bij het einde, onze laatste levensfase. Dan ga ik naar het begin van ons leven, in de schoot van onze moeder om te eindigen bij ons ontstaan uit de vereniging van de geslachtscellen van onze ouders in hun intieme relatie als man en vrouw.
Aan het einde van ons leven staan we voor dat pijnlijkste moment: dat van het afscheid van het aardse bestaan. Het is een mysterie, waarom God, die eeuwig is, ons mensen een sterfelijk bestaan heeft gegeven, maar vanuit de bijbelse en kerkelijke traditie hebben we gehoord dat die dood een consequentie is van iets dat er aan het begin ergens misgelopen is, toen de mens ontstond, mogelijk uit een gemeenschappelijke voorouder met de primaten, bezield werd met een menselijke geest en een vrije wil ontving. De dood zou er niet zijn, zo vertelt ons de joods-christelijke traditie, indien er geen kwaad was, dat wil zeggen, wanneer de engelen en de mens zich niet zodanig van hun vrije wil bediend hadden dat zij het tegendeel van Gods wil gedaan hebben. Op een mysterieuze wijze is er een soort slijtage in de schepping gekropen en hebben wij lichamelijk gezien hier op aarde niet het eeuwig leven, hoe zeer we daar ook naar verlangen. Die slijtage uit zich in veroudering, of erger nog door ziekte, en uiteindelijk onvermijdelijk tot onze biologische dood. Daar staat tegenover dat wij ons kunnen voortplanten, maar het blijft voor ieder individu toch een bizarre beproeving: zonder dat het je gevraagd wordt, wordt je op aarde gezet, met één zekerheid: je zal op een dag sterven. We doen alles wat we kunnen om dat leven zo aangenaam mogelijk te doen zijn en als het kan met medische hulp ook zo lang mogelijk te laten duren. En inderdaad is onze levensverwachting enorm gestegen: we worden ouder en ouder. Maar het probleem van de dood hebben we niet op weten te lossen. God echter van zijn kant heeft een oplossing geboden, in het zenden van zijn Zoon Jezus, die God is en mens werd zoals wij behalve in de zonde. Dit is niet alleen een religieus, maar ook een historisch feit. Hij werd vermoord als een crimineel, maar overwon de dood door op te staan uit het graf. Ook zijn moeder, Maria, die om de moeder van God te kunnen worden gevrijwaard werd van de zonde, heeft als gevolg daarvan de het bederf van de dood niet gezien, maar is ingeslapen en lichamelijk ten hemel opgenomen. Van dit feit getuigt de kerk al 20 eeuwen en zij heeft het onfeilbaar als geloofswaarheid, als feit, gedefinieerd, niet zonder het grondig te onderbouwen. Wij mogen ons daar ‘biologisch gezien’ over verbazen, maar dat betekent niet dat het niet waar is: Bij God is er meer dan alleen biologie. De biologie beschrijft de natuurlijke wetmatigheid van de wereld die getekend is door het kwaad, het lijden en de dood. Maar dat betekent niet dat dat altijd zo geweest is of altijd zij zal zijn: ‘In het begin’ moet er iets van een paradijselijke situatie zijn geweest en aan het eind zullen wij met ziel en een verheerlijkt lichaam met God verenigd leven. Er is geen reden om die geloofswaarheden op biologische gronden af te wijzen, want de natuurwetenschap mist de mogelijkheid om die zaken te bestuderen en dus ook om ze beargumenteerd te weerleggen, beperkt als zij is tot het aardse hier en nu.
Wat betekent dat voor het einde van ons leven? Dat betekent dat wij niet alleen een lichaam zijn in een ziekenhuisbed, maar lichaam en geest zijn, ons voorbereidend op de overigens maar tijdelijke scheiding van ons lichaam en onze geest. Niet wij sterven, maar ons lichaam sterft. Dat betekent dat die overgang van de menselijke geest naar de eeuwigheid niet zonder geestelijke zorg begeleidt mag worden. We hebben de neiging daar slechts vanuit een medisch-biologisch gezichtspunt naar te kijken en ons uit te putten in vragen over wat er medisch wel en niet kan en mag, maar te weinig hoor je spreken over de ziel van de stervende en zijn bestemming. Aan wie hechten wij meer waarde aan het sterfbed: de pastoor of de dokter? En is de pastoor daar om onze hand vast te houden en wat menselijke nabijheid te schenken of om ons geestelijk te begeleiden, met een woord van God, een gebed en een sacrament? Maar ook wij gewone gelovigen: brengen wij onze zieken en stervenden slechts chocolaatjes en een bloemetje, of spreken we met hen over God en het hiernamaals en bidden wij met hen? Beschikken over leven en dood, zoals wij in onze tijd steeds gemakkelijk doen, heeft niet alleen gevolgen voor ons lichaam, maar ook voor onze geest, die zich verhoudt tot God in de eeuwigheid. De keuze om het sterven te bevorderen door actieve levensbeëindiging of euthanasie, is een daad die niet alleen ons lichaam raakt, maar ook onze geest, onze relatie met di eeuwige God. En God heeft ons nooit iets anders gezegd dan niet over leven en dood te beschikken, al vanaf de eerste pagina’s van de bijbel. Het spreken van God terzijde leggen is op z’n zachtst gezegd onverstandig of riskant te noemen en met consequenties die een eeuwigheid kunnen duren. Onlangs heeft een pastoor in Nederland de kerkelijk begrafenis geweigerd aan een overledene die door euthanasie aan zijn eind was gekomen, wat tot grote consternatie heeft geleid. Maar het is natuurlijk volstrekt terecht dat de Kerk, die namens Christus, namens God zélf spreekt, niet de schijn mag wekken in te stemmen met een daad die in de ogen van God verwerpelijk is. Er is dan gezegd dat de Kerk dat eventueel nog wel zou kunnen doen indien de patiënt onder zeer zware druk, met sterk verminderde persoonlijke toerekeningsvatbaarheid tot de euthanasie-keuze zou zijn gekomen, maar in dat geval is er geen sprake van vrijwillige euthanasie, maar van een strafbaar feit en moet de politie gebeld worden. En inderdaad, iemand die buiten zijn wil van het leven beroofd is, zam de Kerk geen kerkelijke begrafenis onthouden.
De Kerk wil inzake het einde van ons leven wat Christus wil en dat is dat wij de zieken verzorgen en hun pijn verlichten, echter niet zonder tegelijkertijd ook de waarde van het lijden in te zien, en ons daarin met Jezus te verenigen. Het lijden kan zo zelfs vrucht dragen. Maar de Kerk vraagt ons niet om die reden het lijden maar niet te verzachten, om flink af te kunnen zien of zo. De Kerk is er ook niet op uit het onvermijdelijke tegen elke prijs te willen uitstellen. Eindeloos rekken van het leven is niet wat de Kerk wil; zij vraagt ons de dood, wanneer zij komt, te aanvaarden. Pijnstillend handelen dat een levensverkortend effect heeft is aanvaardbaar, indien levensbeëindigend noch bewerkt, noch beoogd word, maar een tweede, niet beoogd en onbewerkt effect is van de pijnverzachting. Een verregaande vorm daarvan is de palliatieve sedatie, waarin de patiënt in een diepe slaap wordt gebracht. Maar de dood beogen en bewerken, dat is een weg die wij niet zouden moeten willen opgaan. En in vrijwel alle gevallen is dat ook niet nodig, omdat pijnbestrijding en sedatie in nagenoeg alle gevallen uitkomst bieden. Euthanasie, zegt Mgr. Eijk, is niet allen immoreel, het is ook onnodig. Wat de wetgeving in ons land daarvan zegt is van weinig belang: het is niet de Nederlandse of Belgische overheid of een democratische meerderheid die bepaalt wat in de ogen van God goed of kwaad is en wat de gevolgen van deze of gene daad zijn aan gene zijde van de dood. Dat is niet hun terrein, noch hun competentie.
Tot zover in heel kort bestek iets over het einde van ons leven, dat – als het goed is – een opgang is naar de eeuwige vreugde, waar alle leed geleden is, en op grond van wat Christus voor ons aan het kruis bewerkt heeft, de overwinning op zonde, lijden en dood. En in de verwachting van de verrijzenis van ons lichaam, het is moeilijk te geloven, maar toch datgene wat God ons beloofd heeft: eens zullen we zelfs met ons verheerlijkte lichaam met God verenigd leven, zoals dat nu al voor Jezus en Maria het geval is. Als dat geen goed nieuws is! Als bioloog sta ik daar ook wel even van te kijken, maar ik realiseer me dat er meer is dan alleen biologie. God kan mijn lichaam uit aarde en as dien herrijzen. Het is niet omdat een bioloog het niet kan vatten, dat iets niet waar is!
Gaan we naar het begin van ons leven, waar we in onze tijd met nogal wat levensbedreigende zaken te maken hebben. Voor de moderne mens is een menselijk embryo pas een mens … ja dat weten ze eigenlijk niet goed te zeggen. Er zijn allerlei opvattingen, waarvan er enkele ook nog de schijn van wetenschappelijkheid hebben. Zo zou een menselijke vrucht pas mens zijn vanaf de innesteling van de vrucht in de baarmoederwand. Dat zou samenhangen met – zo zeggen deze wetenschappers – met het ontstaan van kiembladen die de organen gaan aanleggen. Alsof het al dan niet ingenesteld zijn wezenlijk iets aan die vrucht veranderd? En het ontstaan van kiemlagen en organen in het embryo is een volstrekt geleidelijk proces, waardoor alleen al op grond van die geleidelijkheid van de embryonale ontwikkeling het evident is dat je geen scherpe grenzen kan trekken en dus ook niet kunt spreken van wat men noemt een embryo en een pre-embryo. Er bestaat wetenschappelijk gezien gewoon niet zoiets als een pre-embryo. De democratisch tot stand gekomen wetten in Nederland bepalen dat een embryo pas een volwaardig mens is op het moment dat het buiten de baarmoeder kan leven. Premier Mark Rutten van Nederland, die deze visie aanhangt, zegt daarbij op wetenschappelijke inzichten te steunen. Maar er is geen enkel wetenschappelijk argument voor de stelling dat een menselijk embryo dat nog afhankelijk is van de moederkoek geen mens zou zijn. Het enige dat de wetenschap zegt is dat deze mens nog niet buiten de baarmoeder kan leven. Ik moet hem daar altijd nog eens over schrijven. Als dan de medische wetenschap te vroeg geboren baby’s steeds vroeger weet te redden, van 24 weken naar 22 weken, dan gaan er stemmen op om de abortuslimiet te vervroegen maar tevergeefs: er is geen meerderheid voor in het parlement te vinden of in de in naam christelijke volkspartij te vinden. Alsof een parlement of een politieke partij bepaalt welk menselijk embryo een beschermwaardig mens is en welk embryo niet. Ook de mate van gewenst of gezond zijn zouden juiste criteria zijn om te bepalen of een menselijk embryo beschermwaardig is. Je hoeft niet lang na te denken om van die gedachten de consequenties te onderkennen voor kinderen die geboren zijn. En het is dan ook absoluut niet verbazingwekkend dat we opschuiven in de richting van het mogen doden van gehandicapte pasgeboren kinderen. In Canada is vorige week een vrouw vrijgesproken van moord op haar pasgeboren baby die ze verstrengeld had, omdat het ongewenst was. Haar situatie was niet gemakkelijk, akkoord, maar gaan we ons kind daarom doden en gaat de Westerse maatschappij deze moeders vrijspreken of gaan we hen ondersteunen in het opvangen en opvoeden van hun kind? We belanden ook in een maatschappij waarin ook gehandicapten zich heel onbehagelijk voelen, om het enkele feit dat zij bestaan en niet geaborteerd zijn. Wie durft er straks nog met een mongooltje over straat? Dat is de post-christelijke cultuur, die afscheid genomen heeft van het woord van Christus: ‘Laat de kinderen tot mij komen’ en ‘Wat gij voor een van deze geringsten gedaan hebt, hebt ge voor mij gedaan’. Welnu, in een aantal gevallen hebben wij kinderen, die geringsten onder ons die nog in de schoot van hun moeder leven, van het leven beroofd. Daarmee hebben we in zekere zin Christus, God zelf van het leven beroofd, of tenminste ernstig beledigd. Misschien hebben we enkele jonge vrouwen in grote nood op het eerste gezicht een dienst bewezen, maar studies tonen aan dat mentale gevolgen ook voor de moeder groot zijn. En wat zegt zij tegen haar Schepper en die van haar kind als haar uur gekomen is? Paus Benedictus XVI heeft een jaar geleden gezegd dat er geen enkele reden bestaat om te denken dat een menselijke vrucht geen volwaardig menselijke persoon zou zijn. Nog niemand heeft een goede reden voor het doden van menselijke vruchten aangedragen. Een schijnbaar goede reden die genoemd wordt zou zijn: het gebruik van stamcellen uit menselijke embryo’s. Daarmee zou je immers andere ongeneeslijke ziekten kunnen genezen, vele andere mensen kunnen helpen. Maar inmiddels blijken de beste resultaten van stamcelonderzoek geboekt te worden met zg. volwassen stamcellen, dat zijn cellen die gehaald worden uit het lichaam van volwassen mensen, die daarvoor hun instemming betuigen en niet het leven hoeven te laten. Embryo’s kunnen hun wil niet uiten, en laten het leven er wel bij. Bovendien: gaan wij mensenlevens offeren om ander mensen te helpen? Begrijpen we niet dat er daar een een morele grens is die hier overschreden wordt? Niet als wij het embryo, en daarmee de hele mens, slechts zien als ‘biologisch materiaal’, niet wezenlijk anders dan dieren of planten. Zijn wij slechts cellen, weefsels en een stelsel van organen? Of zijn wij meer, zijn wij personen, met een lichaam en een ziel. Is er geen God die ons zegt dat Hij ons zag toen Hij ons vormde en bestemde in de moederschoot. Moeten wij de God, die ons daar aan het weven is, zijn werk afnemen?
Een derde aspect van ons leven, waarover het evangelie verkondigd mag worden is dat van onze seksualiteit en vruchtbaarheid. Sinds de vorige eeuw is het in brede kringen aanvaard om de seksuele omgang tussen man en vrouw los te koppelen van de vruchtbaarheid. Wij beleven de intimiteit van de seksuele gemeenschap, maar beroven deze van haar uiteindelijke doel: die van de vruchtbaarheid. Nee, wij hoeven niet ‘zoveel mogelijk kinderen‘ ter wereld te brengen; wij worden slechts uitgenodigd om verantwoordelijk en bewust met onze natuurlijke seksualiteit om te gaan, volgens het plan van God, genereus, dus niet te ‘zuinig’, maar ook niet meer dan we aankunnen. Het zou zo moeten zijn dat je over deze dingen als echtpaar samen in gebed, eventueel begeleid door een geestelijk leidsman, beslist. Anticonceptie is net als de euthanasie en de abortus een daad tegen het leven, terwijl de geslachtsdaad een daad vóór het leven is. Liefde is ook niet alleen maar nemen, nee het is jezelf geven, met respect voor die ander, inclusief elkaars vruchtbaarheid: die bestrijdt je niet met hormonen of rubber, maar ontvang je als een geschenk waar je zorgvuldig,verantwoordelijk en dus beheerst mee omgaat. De natuurlijke manieren van geboorteregeling, gebruik makend van de vruchtbaar en onvruchtbare van de vrouwelijke cyclus, zijn trouwens even betrouwbaar als de beste voorbehoedsmiddelen, vaak nog betrouwbaarder, veel goedkoper (ze kosten alleen wat zelfbeheersing), veel gezonder (geen bijwerkingen) en nooit abortief. Ook moeten we de vruchtbaarheid niet scheiden van de seksuele intimiteit tussen man en vrouw. Een kind heeft namelijk het recht om uit een intieme liefdesdaad en niet uit laboratoriumhandelingen geboren te worden, zoals dat bij IVF het geval is. De beleving van de seksualiteit naar het plan van God, magnifiek uiteen gezet door de vorige paus in zijn Theologie van het Lichaam, doet man en vrouw ook beantwoorden aan hun diepste roeping, beeld van God te zijn die een levengevende liefdesgemeenschap van Personen is, beeld ook van het huwelijk tussen Christus en zijn bruid, de Kerk. Het evangelie van het leven is dus niets dan goed nieuws voor de mens, als man en vrouw geschapen: een feest van liefde en leven.
Volgende week wil ik met u nadenken over onze opdracht tot verkondiging van het evangelie van het leven.Want het wordt hoog tijd dat we aan het werk gaan: alleenstaanden en gehuwden, ouders en opvoeders, studenten en leerkrachten, artsen en verpleegkundigen, wetenschappers en journalisten, priesters en zelfs bisschoppen, maatschappelijk werkers en politici: niemand is uitgezonderd om opnieuw God te ontdekken, zijn liefde, het leven leren begrijpen in het licht van zijn liefde, zoals Hij het bedoeld heeft, profiterend van wat Christus op aarde is komen brengen aan verzoening, vergeving en genezing voor wat er in ons leven mis is gegaan, enkel en alleen om gelukkig te worden, vooruitkijkend daar het geluk dat in het hiernamaals op ons ligt te wachten. Ik hoop dat u weer luistert!
Terug naar ‘De Verkondiging van het Evangelie van het Leven‘
0 Reacties tot “Redenen om te geloven in het evangelie van het leven”