Integrale tekst van de tweede uitzending in een serie van drie over de Ecologie van de Mens, donderdag 16 februari 2012, bij Radio Maria Nederland. Door Vincent Kemme.
Beste luisteraars,
De afgelopen week ben ik tijdens de eerste uitzending in deze serie van drie met u op onderzoek uitgegaan naar wat de huidige paus graag de ‘Ecologie van de Mens’ noemt. Zoals u weet doe ik dat vanuit mijn achtergrond als bioloog. In het apostolaat Biofides tracht ik biologische feiten en inzichten in verband te brengen met ons geloof, of dat nu schepping en evolutie is, geloof en wetenschap in het algemeen of meer direct aan de mens gerelateerde zaken als het menselijk leven in de moederschoot of in de terminale fase. Een onderwerp dat ik altijd al eens graag onder de loep ad willen nemen en waartoe Radio Maria mij nu de gelegenheid geeft is dat van de relatie tussen de ecologie en het menselijk leven. Daartoe word ik niet weinig aangespoord door recente uitlatingen van paus Benedictus XVI die de term Ecologie van de Mens graag in de mond neemt. Wat wordt daar precies mee bedoeld.
In de vorige uitzending heb ik mede aan de hand van mijn persoonlijke verhaal dat teruggaat – althans bewust – tot het begin van de jaren zestig, geschetst wat ons in feite de afgelopen decennia overkomen is. Samengevat zou je kunnen zeggen dat er zich minstens drie opvallende ontwikkelingen hebben voorgedaan: een toenemende exploitatie en vernieling van de natuur, een sterke afname van het geloof in de God van de joods-christelijke traditie én een sterke verschuiving van de opvattingen op het gebied van de menselijke seksualiteit en vruchtbaarheid en de beschermwaardigheid van het menselijk leven voor de geboorte en in een zogezegd uitzichtloze medische of zelf psychische situatie. Vervolgens doet er zich in de westerse cultuur een merkwaardige tweeslachtigheid voor: enerzijds hebben wij er heel veel voor over om bedreigde diersoorten te beschermen en ecosystemen te behoeden voor de soms vernietigende invloed van de mens; anderzijds gaan wij bijna achteloos om met de actieve levensbeëindiging van ongeboren baby’s in onze samenleving. Deze merkwaardige tweeslachtigheid wordt door Benedictus XVI in zijn laatset sociale encycliek Caritas in Veritate aan de orde gesteld met de opmerking dat ‘het boek van de natuur‘ ondeelbaar is’. Je kan niet aan de ene kant de zeehondjes willen redden en de menselijke embryo’s onbeschermd laten. De menselijke natuur en die van het dierlijke leven in ons natuurlijke milieu zijn één en ondeelbaar. Maar wanneer een cultuur afscheid neemt van God en de mens zichzelf tot hoogste normerende instantie verheft sluipen er dergelijke onlogische houdingen in, die mensen bovendien tegen elkaar opzetten: conservatieven die misschien nog wel op willen komen voor het menselijk embryo maar het milieuprobleem veronachtzamen en progressieven die meer voelen voor de bescherming van het milieu, maar geen moeite hebben met abortus. De paus kiest voor ervoor beide kampen voor één integrale visie op de mens in zijn milieu om een tafel te krijgen, die gebaseerd is op een waar mensbeeld, zijde een soort die niet zichzelf geschapen heeft maar door God naar zijn beeld en gelijkenis is geschapen, als ook de natuur die het werk is van Gods scheppend handelen. De Kerk wil zo een instrument zijn van heil voor mens én milieu, voor conservatieven én progressieven.
In deze uitzending wil ik aan de hand van het onderricht van Benedictus XVI en zijn voorgangers wat dieper met u nadenken over de plaats van de mens in de schepping, in zijn milieu zo u wilt. In de derde uitzending dan hoop ik met u het plaatje te schetsen van die integrale visie op de mens waarnaar die de term ‘ecologie van de mens’ verwijst. Op basis van die visie op de mens en de wereld kunnen we wellicht alsnog de houding met elkaar ontwikkelen om onze aarde tot een goed bewoonbare plaats te maken, zoals God die bedoelde toen hij de wereld schiep bekeek en zag dat het goed was.
Een van de eerste problemen waar ik als bioloog tegenaanloop, als bioloog, als ik denk aan de mens in de schepping, is dat onze visie in hoge mate beïnvloed is op een modern natuurwetenschappelijk danken die de mens maakt tot een min of meer toevallig bijproduct van de evolutie, een zuiver natuurlijk proces in de geschiedenis van de kosmos en de aarde. Omroepen als de BBC schetsen ons een beeld waarin de mens geëvolueerd is als om het even welke andere soort, vanuit hogere primaten tot een soort met de verstandelijke mogelijkheden die wij vandaag hebben. Goed, we zijn misschien slimmer dan de dieren, maar men doet het voorkomen alsof wij niet wezenlijk van de dieren afwijken. Wij zijn een soort intelligente apen. En het ontstaan van leven, inclusief het onze, is een zaak van toevallige biologische gebeurtenissen. Dat mensbeeld geeft ons weinig reden om vrolijk te zijn over ons bestaan. Als wij dood zijn zijn wij dood en wellicht sterf de mens ooit wel uit zoals de dinosauriërs en gaan andere levensvormen het van ons winnen. Of een buitenaardse levensvorm die nog slimmer is dan wij neemt de zaak op een dag hier van ons over, zoals filmmakers ons met enige regelmaat willen doen geloven. De consequentie van dat wereldbeeld is dat de milieuverontreiniging en het uitsterven van bedreigde diersoorten dan allemaal wel bij het evolutionaire proces zullen horen. De klimaatveranderingen, die mogelijk niet eens door onszelf veroorzaakt worden, doen zich nu eenmaal voor in de geschiedenis van de aarde en we zien wel of we ze overleven. Toch reageren wij als het er op aan komt niet zo en nemen wij wel degelijk maatregelen om uitstervende diersoorten als de Siberische tijger, maar vooral ook onze eigen ondergang tegen te gaan, want onze wil om te leven en te overleven is te groot om ons neer te leggen bij een bepaalde gelatenheid die uit het bovenstaande spreekt. Toch sluipt er iets van die gelatenheid is, als wij maar toevallig zouden bestaan en niet echt gewild zijn, volgens een uniek scheppingsplan van een liefhebbende God die ons bovendien het eeuwig leven bij Hem in het vooruitzicht stelt. Wat ik u geschetst heb is het naturalistische wereldbeeld op basis waarvan onze universiteiten vandaag hun onderzoek en onderwijs doen en wat ook aan de basis staat van het onderwijs dat onze kinderen op school ontvangen. Het beeld ook dat de media over het voetlicht brengen. Het reduceert de mens tot een toevallig biologisch fenomeen en berooft hem van zijn naar Gods beeld en gelijkenis geschapen zijn, geliefd en met een eeuwige bestemming. Dat haalt de mens naar beneden en berooft de mens ook van zijn motivatie om te leven, het leven te beschermen, te overleven en tijdens het leven het goede na te streven.
Maar wat is er waar van dit wereldbeeld? Het is zeker dat de mens veel gemeenschappelijk heeft met het andere biologische leven, qua erfelijkheid, op het niveau van onze cellen, het functioneren van ons lichaam, onze voortplanting, etc. en mogelijk zijn we ook – biologisch gezien – ontstaan is uit eerdere verwante levensvormen. De wetenschap heeft daar veel aanwijzingen voor en ook al kunnen we het nooit honderd procent bewijzen – we kunnen het niet over doen in een experiment – de afstamming van de mens van de primaten lijkt een gegeven, dat ook door de Kerk voor mogelijk wordt gehouden, maar daar is niet alles mee gezegd. De mens is immers wezenlijk meer dan een biologisch wezen, begiftigd als hij is met een geheel andere ‘ziel’ dan de planten en dierenwereld, namelijk een onsterfelijke ziel die hem niet alleen veel intelligenter maakt dan zijn mogelijke voorlopers in de evolutie, maar ook zelfbewust, vrij en in staat zijn biologische dood te overleven. Zo goed als het bestaan zelf van de kosmos ondenkbaar is zonder bovennatuurlijke oorzaak, zoveel te meer geldt dat voor het ontstaan van leven uit levenloze materie en ook het leven van de mens uit eerdere levensvormen. Het gehele evolutieproces vertoont sterke kenmerken van een doelgerichtheid die schijnbaar onvermijdelijk moet leiden tot een intelligente soort die de wereld niet alleen kan bewonen maar ook begrijpen en doelmatig beheren. Omdat die mens daarbij vrij kan handelen, anders dan de dieren, kan hij verantwoordelijk te werk gaan én de liefde als motivatie laten gelden, meer dan alleen de drang om te leven en te overleven. Hij doet het dus niet alleen opdat het het moet, instinctmatig. Die liefde geldt de natuur (welke men is in zijn hart geen natuurliefhebber), de mens zelf (liefde voor onszelf, onze naaste, familie en vrienden, de mensheid, ook liefde – als het goed is – tussen de volkeren) en liefde voor de Schepper wiens scheppende hand hij al lang in de schepping herkend heeft, nog voor dat God zich op andere, meer bijzondere wijzen, zoals splijtende zeeën of de opstanding uit de dood, aan de mens heeft geopenbaard. Die mans blijkt volgens het antropologisch werk van de nu tot kardinaal verheven Waalde priester Julien Ries een Homo religiosus te zijn, vanaf het begin van zijn bestaan op aarde een religieus wezen te zijn geweest. We moeten dus geen angst hebben om een gelovige kijk op de biologische orde te hebben, op onszelf en de natuur want het is veel redelijker om die in het licht van Gods scheppingsplan te zien, dan als een toevallige gebeurtenis in een redeloos universum. Wat de programmamakers van de BBC ons ook wijs willen maken. Wat we er bij moeten nemen en waar de natuurwetenschap ons weinig bij kan helpen is het mysterie van het kwaad, de aanleg van de mens om zijn vrijheid verkeerd aan te wenden en de nood aan verlossing die wij daardoor hebben en waarin onze God ook voorziet in Jezus en de Kerk.
Met de vaststelling dat de mens en de natuur wel degelijk geschapen en gewild zijn door een liefhebbende God zijn we aangekomen in het heden van ons bestaan op aarde, de levensruimte die we delen met alle levende wezens. Die levensruimte lijkt de laatste decennia nogal te kreunen onder onze aanwezigheid wat aanleiding heeft gegeven tot ons thema, de ‘ecologie van de mens’. Ecologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de huishouding van het leven op aarde, de onderlinge samenhang tussen planten, dieren en mens, ook in relatie tot de niet-levende factoren van klimaat, bodem, etc. Ecologie is in feite de studie van het ‘huishouding’ van het leven, op grotere of kleinere schaal.
Werd in de ecologie als biologische wetenschap de mens nog vaak weggezet als een bedreiging voor de natuur, iets waar de gelovige zich op grond van Gods scheppingsplan en de mens daarin natuurlijk niet mee kan en mag verzoenen: in de ecologie van de mens, meer te beschouwen als geografie of als een sociale wetenschap, zijn we al op weg op de mens zijn rechtmatige plaats in de schepping te gunnen, maar dreigen we nog te weinig rekening te houden met wie de mens ten diepste is: meer dan een factor en actor in een complex geheel van verstedelijkte gebieden, industrie, transport, klimaat en omringende natuur, tot een naar Gods beeld en gelijkenis, vrij en verantwoordelijk redelijk wezen dat in staat geacht zou mogen worden de aarde te bevolken én onderwerpen, zonder haar over te bevolken of te vernietigen met haar wetenschappelijke vooruitgang en haar modernste technologieën.
Dat brengt me bij twee aspecten van de ecologie van de mens waar ik deze uitzending nog bij stil wil staan: die van de vermeende overbevolking van de aarde in onze tijd en die van de vooruitgang. Om bij de laatste te beginnen, de vooruitgang: het is interessant om bij Paulus VI in zijn encycliek Populorum Progressio uit 1967 te lezen dat wij als gelovigen de vooruitgang niet alleen maar als een gevaar mogen zien, ook al lijken de afgelopen decennia daar aanleiding voor te geven. Niet alles wat uit de handen van de mens voortkomt is een verbetering, dat is zeker, maar vooruitgang is in de ogen van de gelovige een wezenskenmerk van de mens, ja zelfs zijn roeping. In het ‘onderwerpt de aarde’ zit dat ingesloten. Wij zijn niet geroepen om als dieren op aarde te leven omdat we er nu eenmaal zijn en dan dood te gaan, maar om onze talenten te gebruiken en medewerkers van God te zijn in zijn scheppingspan, niet alleen door ons voort te planten maar ook door ons aandeel aan het leven op aarde te leveren door onze creativiteit op cultureel en technologisch gebied. Paulus VI waarschuwt voor twee zaken: dat vooruitgang zich tot technologische vooruitgang zou beperken, aan de ene kant, en dat we angst zouden hebben voor vooruitgang: twee overdrijvingen in tegengestelde richting die beide vermeden moeten worden. Vooruitgang is de roeping van de mens die hij in vrijheid en dus ook met een groot verantwoordelijkheid -besef moet omarmen. Indien de vooruitgang de menselijke ecologie in gevaar brengt, is de mens blijkbaar ergens onverantwoordelijk bezig geweest in zijn vooruitgangsstreven. Het zijn dus niet de mens en zijn vooruitgang an sich die ons in de problemen brengen, maar zijn onverantwoordelijk gedrag, zijn zonde, zoals bijvoorbeeld die van de overconsumptie.
Ik geef u één klein voorbeeldje van hoe zegenrijk de vooruitgang van de mens kan zijn. Een bevriende Franse priester in de Congo vertelde me al een jaar of tien geleden wat een zegen het was dat hij nu een computer met internetverbinding had, waarmee hij in enkele seconden zijn noden aan zijn Franse communauteit bekend kon maken, terwijl hij vroeger maar moest hopen of een brief de noordkust van de Middellandse Zee zou bereiken. Een ander voorbeeld, op grotere schaal is dat van de toegenomen productiviteit van de landbouw. Dacht de Club van Rome in de jaren ’70 nog dat de groei van de wereldbevolking zodanig groot zou zijn dat de voedselproductie die nooit zou kunnen bijhouden: door de vooruitgang die de mens met zijn vernuft in de landbouwtechnologie heeft bereikt is die zorg volstrekt ongegrond gebleken en blijkt de mens heel wel in staat om de monden te voeden, waar ook ter aarde. Het zijn alleen oorlog en onrechtvaardige verdeling die ertoe bijdragen dat er mensen op aarde niet genoeg te eten hebben, dus het onverantwoordelijk gedrag, de zonde van sommigen. Niet het menselijk talent om oplossingen te bedenken schiet tekort.
Dat brengt mij bij het andere punt dat ik nog wilde noemen, dat van de groei van de wereldbevolking. Voortdurend verschijnen er onheilspellende berichten in de media over de risico’s die verbonden zouden zijn aan de huidige toename van de wereldbevolking. In 2011 hebben we zo goed als zeker de 7 miljardste wereldburger ergens op onze planeet mogen verwelkomen, maar niet iedereen staat daarbij te juichen. Wetenschappelijk is het echter zeker dat de aarde een dergelijke bevolkingsomvang gemakkelijk aankan. Er zijn geen wetenschappelijke redenen om aan te nemen dat de aarde bijvoorbeeld niet het dubbele van de huidige wereldbevolking of meer zou aan kunnen. Het omgekeerde probleem doet zich bovendien voor: dat van een te gering aantal geboorten in de westerse landen. Per echtpaar worden er op dit moment in Europa en Amerika 1,3 kinderen geboren. Om onszelf te vervangen moeten wij echter per koppel 2,3 kinderen op de wereld zetten, dus slechts om niet achteruit te gaan in aantal bewoners. Wij staan volgens de deskundigen aan de vooravond vaan een bevolkingsimplosie die voor grote problemen gaat zorgen, problemen die zich nu al doen voelen. Door de introductie van de anti-conceptie in de jaren zestig zijn de gezinnen in onze streken zo klein geworden, dat wij nu de grootste problemen krijgen met onze pensioenen. Men spreekt over langer werken en daar is ook alle reden voor omdat we minstens tien jaar ouder worden dan een paar decennia geleden, maar niemand nog durft nog naar het massale gebruik van de pil en andere anticonceptie te wijzen als oorzaak van het te geringe aantal kinderen en daarmee het te geringe aantal verdienende mensen. In China, waar men enkele decennia ouders verbiedt meer dan één kind te krijgen, dienen zich gigantische problemen aan in de ouderenzorg terwijl alle kinderen wanhopig op zoek zijn naar vervangende broers en zussen. Rusland is zo wanhopig over het geringe aantal kinderen dat men ouders zelfs betaald verlof aanbiedt om te doen wat je van een man en een vrouw mag verwachten: kinderen verwekken. De Verenigde Naties voorzien een toename van de wereldbevolking tot 2050 ongeveer, waarna een dramatische teruggang in de wereldbevolking zal volgen met mogelijk dramatisch sociaal-economische gevolgen. Overbevolking van de wereld is – om kort te gaan – een mythe, omdat – ten eerste – de aarde een veel grotere wereldbevolking aankan dan waar nu sprake is, en – ten tweede – door de daling van de wereldbevolking over enkele decennia als het Westen niet minder bang wordt om kinderen op de wereld te zetten. En dan laat ik nog buiten beschouwing wat de gevolgen zijn van een toenemende Islamisering van het Westen, omdat zij wel doen wat de schepper van de mens verwacht: zich voortplanten. Niet voor niets heeft de paus deze week nog opgeroepen tot de vorming van grotere gezinnen en steunmaatregelen daartoe van de overheden. In het belang van de mensheid zelf. Kinderen zijn een geschenk van de Heer, de vrucht van de schoot is zijn gave.
Daarmee koen we op een wezenlijk element in de ecologie van de mens en dat is die van de openheid voor het leven. Indien God onze schepper is, is het leven niet iets om als een gevaar te zien waar je voor moet terugdeinzen en dat ingedamd moet worden, maar om het als een geschenk te zien waar we in vrijheid en verantwoordelijkheid mee om moet gaan. We gaan van het macro-niveau van de wereldbevolkingsvraagstukken naar het micro-niveau van de menselijke seksualiteit en vruchtbaarheid in het kader van het huwelijk en het gezin en het niveau van de medische ethiek. Ook die maken deel uit van de ecologie van de mens. Onze seksualiteit is niet bedoeld om gesteriliseerd te worden, wat wij nu op grote schaal doen. In de volgende uitzending zal ik hier verder op ingaan in een poging een totaalplaatje te schetsen van de ecologie van de mens. Waar ik vandaag nog mee wil afsluiten is door even terug te komen op eerder door mij genoemde de nood aan verlossing die de mens heeft van een door de zonde, onze stommiteiten en onverantwoordelijke gedragingen, vervuilde menselijke ecologie. Het eerste wat er fout gaat is God buiten het plaatsje te houden, de Schepper in wiens wijsheid de wereld geschapen is. Dat is de wijsheid buiten bedrijf stellen om ons dan te verbazen over de problemen waar we tegenaan lopen. God van zijn kant is de beroerdste niet en komt ons reddend te hulp in de persoon van Jezus Christus, niet alleen door mooi te spreken en zieken te genezen in het toenmalige Judea, maar ook door een Kerk te schenken. Die Kerk die Hij stichtte, dat is de Katholieke Kerk (met alle respect voor de andere kerken en kerkelijke gemeenschappen die ver na Jezus Christus vaak door ruzies en afsplitsing zijn ontstaan) is hét instrument waarlangs God, Jezus, de mensheid uit zijn nood komt redden. Geleid door zijn Geest en te sterk voor de poorten van de hel, heeft zij over de eeuwen een wijsheid accumuleert en een integrale visie op de mens, die onmisbaar is om de ecologie van de mens te redden. De Kerk heeft – als geen andere instantie op aarde – het overzicht en de goddelijke wijsheid om in harmonische samenwerking met de meest uiteenlopende menselijke wetenschappen en met het gezonde verstand dat de mens van Godswege meegekregen heeft, redding en verlossing aan te bieden door haar verkondiging, haar gebed en haar sacramenten. Nu is het nog zaak om die reddende boodschap, die we met name vinden in de sociale leer van de Kerk, beluisterd te krijgen. Om die reden lijkt het mij geen tijdverspilling om de tegelijk hoopvolle en realistische boorschap van de Kerk gericht aan de mens in zijn natuurlijk milieu hier bij Radio Maria te laten klinken en ik dank Radio Maria voor de gelegenheid die zij daarvoor biedt.
Indien u deze boodschap waardeert kunt u die nog een teruglezen op mijn website www.biofides.nl onder het tabblad ‘Radio Maria Nederland’ en daar ook op een andere manier uw waardering laten blijken. In de derde uitzending, komende week zal ik trachten het integrale beeld te schetsen van de Ecologie van de Mens. Ik hoop u dan weer aan de radio te mogen treffen. Ik dank u hartelijk voor uw aandacht.
0 Reacties tot “2. De mens in het biologische bestel”