In een serie van drie uitzendginen bij Radio Maria Nederland & Vlaanderen is ingeggaan op wat paus Benedictus XVI de ‘dictatuur van het reativisme’ heeft genoemd. In deze aflevering een samenvatting van het voorafgaande en een uitwerking van de houding die een katholiek christen in een relatvistische en soms nogal intolerante cultuur kan aannemen.
Beste luisteraars van Radio Maria,
Vandaag dus alweer de derde en laatste uitzending in een reeks van drie over de ‘dictatuur van het relativisme’. Mocht u de andere twee uitzendingen niet gehoord hebben of wat vergeten: ik zal kort herhalen wat ik toen besproken heb. De term ‘dictatuur van het relativisme’ komt van onze huidige paus Benedictus XVI en hij gebruikte die toen hij nog net geen paus was, maar deken van het kardinalencollege bij de opening van het conclaaf, net na de dood van Johannes Paulus II. Toen nog hopend dat hij het wat rustiger aan kon gaan doen wilde Josef Ratzinger , de theologische rechterhand van Johannes Paulus II, mogelijk een boodschap mee geven, een hartenkreet, maar hij kon toen nog niet weten dat hij het zelf verder uit zou moeten werken als paus. Het is dan ook een thema waar hij met enige regelmaat op terug komt.
Waar gaat het om bij die ‘dictatuur van het relativisme’ nu precies om. Daarvoor hebben we eerste gekeken naar wat relativisme is. En we hebben dat op verschillende niveaus bekeken, het religieuze niveau, het filosofische niveau, de cultuur, de wetenschap en de ethiek of moraal. Kort samengevat komt het er op neer dat een in twijfel trekken of ontkennen van het bestaan van God leidt tot een houding van ‘alles is betrekkelijk’ te beginnen op godsdienstig vlak: ieder kan zo zijn geloof hebben en het maakt niet zoveel uit of je een geloof hebt of niet en welk. Je ziet dat bijvoorbeeld in onze media in het Islam-debat: men weet nog nauwelijks het verschil tussen de ene of andere godsdienst. Ook weet men nog nauwelijks het verschil tussen de ene of andere kerk, het ene of andere heilige boek; het maakt allemaal niet zoveel uit. Wat er daarmee wegvalt is tevens het idee van ‘waarheid’. Ieder heeft zo zijn eigen waarheid, we spreken ook wel van subjectivisme: het is de menselijke persoon die bepaalt wat waarheid is, niet een hogere instantie of God. Het is té pretentieus om over dé waarheid te spreken, ook los van de godsdienst in de meer filosofische kijk op het bestaan. Er bestaan verschillende denksystemen en men gaat zover om nog slechts over betrekkelijk alle daagse zaken te filosofieren en niet meer over de grote bestaansvragen. Benedictus XVI wijst ook op het culturele relativisme: elke cultuur heeft zo zijn eigen waarde en het is niet zo dat de ene cultuur misschien toch een streepje voor zou hebben op de andere, zonder daarmee die andere cultuur voor volledig waardeloos te verslijten. Zelfs in de westerse wetenschap – zo hebben we in de vorige uitzending laten zien, lijkt de zin voor waarheid wat verloren te zijn gegaan als we vaststellen dat in onze maatschappij wetenschappelijk heel slecht verdedigbare standpunten, zoals over de seksualiteit, voor algemeen aanvaard worden gehouden. En tenslotte is er het morele relativisme: als er geen waarheid bestaat omtrent God, het bestaan, de mens, of zelfs in de wetenschap, dan ook niet in de moraal of de ethiek. Dan kan het individu uiteindelijk zelf uitmaken wat goed en kwaad is, of als het om een samenleving gaat een democratische meerderheid. Er bestaat in die wereld geen absoluut goed of kwaad. Tot zover zou je nog kunnen zeggen: nou en? Laat ieder dat voor zichzelf uitmaken. Maar nu komt het vreemde: deze relativistische cultuur blijkt het er erg moeilijk mee te hebben om dat relativisme niet aan de leden van de samenleving op te dringen. Een maatschappij zonder God en daarmee zonder absolute waarheid blijkt het erg lastig te hebben met het respecteren van minderheden die wél in waarheid en niet in relativisme geloven. Men vreest in hoge mate intolerantie van de kant van ‘gelovigen’ en tracht hen daarom aan banden te leggen. In het geval van christelijke minderheden, waar we nu in onze westerse wereld toch wel gerust van kunnen spreken, zie je dat zij gedwongen lijken te gaan worden of al worden om hun ‘waarheden’ tenminste volledig tot de privé-sfeer te beperken en er zeker niet mee naar buiten te komen. Zou het om – bijvoorbeeld – religieuze waarheid gaan die de neiging heeft om zichzelf op te leggen aan de niet religieuze wereld, dan kan je daar begrip voor hebben, en bij sommige religies kan je je daar inderdaad terecht zorgen over maken. In de Islam ligt het thema van de vrijheid van het individu en de tolerantie tegenover minderheden vaak heel moeilijk. In de christelijke godsdienst zou dat geen probleem moet zijn, omdat de christelijke godsdienst nu juist gebouwd is op het geloof in de vrijheid van de mens, die hij van God heeft gekregen en die ook door God wordt gerespecteerd. Maar misschien hebben we een periode achter ons liggen, waarin wij als christelijke meerderheid de zaken zo vanzelfsprekend vonden dat wij ze enerzijds niet meer ten gronde doordachten, aar ondertussen mensen met andere opvattingen wat in de hoek zetten. Dat is met de jaren zestig en zeventig voor een groot deel omgeslagen en nu zijn we als katholieke christenen een timide minderheidsgroep geworden en heeft een geseculariseerde meerderheid de touwtjes in handen. En wat blijkt: die heeft het minstens zo moeilijk met het respecteren van de vrijheid van die kleine kudde van gelovigen die er nu nog over is. Kerkklokken mogen niet meer geluid worden, kruisen moeten uit de publieke ruimte verdwijnen, nieuwe beginselen op bio-ethisch terrein moeten ook door deze katholieke minderheid omarmd worden. Er is weinig begrip voor mensen die God een centrale plaats in hun leven willen, die Christus als de Weg, de Waarheid en het Leven is, uit willen dragen, die geloven dat de Katholieke Kerk ware kerk is door Christus zelf gesticht. Het idee dat deze kerk als geen andere instantie op aarde de waarheid omtrent het bestaan en de moraal verkondigt ontmoet grote tegenstand, zoals bijvoorbeeld op het terrein van de menselijke seksualiteit en vruchtbaarheid, of aan het begin en einde van het menselijke leven. Het is niet langer toegestaan te zeggen dat bepaalde zaken absoluut goed en andere zaken absoluut kwaad zijn. Een nieuwe cultuur wordt ons dwingend opgelegd, bijvoorbeeld in het beroepsleven, ook in ‘in naam katholieke’ instellingen voor onderwijs of zorg. Als de mens en de samenleving God uit het oog verliest, levert ze ook iets van het typisch goddelijks in de menselijke natuur in, dat hem tot beeld en gelijkenis van God maakt: zijn menselijke vrijheid en het respect voor de vrijheid van de ander. Daarmee treedt een vorm van dictatuur het menselijk leven binnen, want democratisch afgesproken ‘waarheden’ en ‘normen’ worden aan alle leden van de samenleving min of meer dwingend opgelegd. In deze uitzending wil ik met u nadenken over een houding die wij katholieke christenen vanuit ons geloof ons hierin zouden kunnen aannemen. Maar alvorens dat te doen luisteren we naar een stukje muziek.
MUZIEK
Een relativistische cultuur is dus een cultuur zonder God, zonder waarheid in objectieve zin en zonder objectief goed of kwaad. Zo’n samenleving stelt zich vervolgens in naam van de tolerantie intolerant op jegens mensen die denken dat er wel objectieve waarheden bestaan en daar ook redelijke en goede religieuze gronden voor hebben. In zon’ samenleving daarin komt het er voor ons katholieke christenen op aan in de eerste plaats na te gaan waar wij zelf staan. Ik denk dat de decennia die achter ons liggen, zich gekenmerkt hebben door een worsteling bij veel katholieken die dat van huis uit waren, om met die cultuur die alles in vraag stelt in het reine te komen. Het eerste wat wij gedaan hebben is dat nieuwe denken willen beluisteren, met her risico er helemaal in op te gaan. Je merkt dat aan de grote aandacht voor vergelijkende godsdienststudies, een belangstelling die zo ver gaat dat men nog nauwelijks de meerwaarde van de christelijke godsdienst onder ogen durft te zien, de waarheid omtrent Christus en de Kerk te geloven. Nog gisteren kreeg ik reclame post van de faculteit godgeleerdheid en godsdienstwetenschappen KU Leuven in de bus die erg mikt op de bestudering van het ‘fenomeen godsdienst’ met afbeeldingen van alle godsdiensten op affiches. Alsof er geen redelijke gronden meer zouden zijn om bij voorkeur de katholieke godsdienst op de agenda te zetten, zeker als katholieke faculteit. Ook in de godsdienstprogramma’s in de scholen en voor een deel zelfs bij geestelijken vanaf de kansel is de twijfel toegeslagen. Het komt er wat mij betreft dus op aan dat we weer op redelijke gronden en gevoed door een persoonlijk diep verankerd geloof, er achter komen dat er op het religieuze vlak wel degelijk waarheid bestaat en dat niet alles betrekkelijk is. Mij eerst pleidooi is dus dat ieder zich persoonlijk afvraagt waar hij of zij staat ten opzichte van het geloof in de waarheid, die we bij Jezus vinden en in zijn Kerk. Dat vraagt om te beginnen een open hart voor de waarheid in ons geloof. Dat vraagt om een geestelijke houding waarin Jezus als Levende binnen kan koen. Ik heb het dan over een persoonlijk gebedsleven dat zich expliciet en dagelijks richt op Christus als levende goddelijke persoon, op de Vader en op de Heilige Geest, op de drie-ene God. Een dagelijkse gebedstijd die meer is dan het afraffelen van wat gebeden of het vragen om alle mogelijk gunsten is een noodzaak. Christus moet de eerste persoon zijn in ons leven als hij de waarheid is. En direct daarop volgend zouden we de middelen moeten aanwenden die Hij ons geeft om ons geloof in de waarheid, die bij Christus altijd volledig gepaard gaat met liefde, te beleven. Ik doel dan op de sacramenten van de Kerk, haar onderricht, ons geloof in de Kerk zélf. Er is geen instelling op aarde die nu al 2000 jaar lang een boodschap van liefde en waarheid zonder onderbreking aan mensen van alle tijden en culturen verkondigt dan de katholieke kerk. Het heeft geen zin om elders te zoeken ook al is er in andere geloofsgemeenschappen heus ook wel waarheid te vinden. Maar de volheid van de waarheid vindt je slechts in de Kerk die Christus de waarheid zelf, gesticht heeft en waarvan hij gezegd heeft dat de poorten van de hel haar niet zullen overweldigen.
Door gebed en sacramenteel leven gebeurt er iets wonderlijks aan mens. De mens is namelijk behept met die kwetsuur die we de erfzonde noemen en die ons onder meer het zicht op de waarheid wat ontneemt en nogal eens het verkeerde laat doen. De Kerk voorziet in de middelen zoals de biecht en de geestelijke leiding om onszelf te laten herstellen en de waarheid van de dingen onder ogen te doen zien, allereerst omtrent onszelf (en dat is wel eens even schikken). Er overkomt ons iets door de Heilige Geest dat je de genezing van ons hart en van ons verstand zou kunnen noemen. We gaan de dingen helderder zien en meer verlangen het goede te doen en het kwade te laten. Mensen, ook zg.’ goede katholieken’ die het eerst met bepaalde zaken niet zo nauw namen, komen nu tot een nieuwe houding. Misschien zag u niet zo in waarom bijvoorbeeld anticonceptie verkeerd was, maar op een zeker moment – en mensen getuigen mij daarvan – laat God het hen zien, en zonder hen een verwijt te maken. De bekering is dan niet zo moeilijk meer.
Een andere noodzaak is dan echter wel dat men zich ook wil vormen. Dat kan op talloze manieren, via cursussen of door een grondig de catechismus van de katholieke kerk door te nemen. Eigenlijk zou iedere katholiek de die catechismus in z’n bezit moeten hebben en moeten lezen. Je kunt hem zomaar ergens openslaan, of via een alfabetisch register een trefwoord opzoeken, om gewoon van voor naar achter het gehele boek in een paar weken of maanden tijd bestuderen. Over alle grote vragen rond het bestaan van God, de waarheid en over de moraal vindt men er een het visie in. Een volgende stap is teksten van de kerk te gaan lezen over speciale onderwerpen? Ik denk bijvoorbeeld aan de website rkdocumenten.nl waar je pauselijke teksten en van belangrijke Vaticaanse diensten in het Nederlands kunt vinden, eventueel met een of andere thema als invalshoek. Het is van het grootste belang in onze tijd niet alleen mensen te zien die bidden en geloven, maar dat geloof ook voor zichzelf en voor hun naasten kunnen verantwoorden. Een oud woord daarvoor is de zg. apologetica. Men reageert nog wel eens negatief op dat woord, omdat dat in vroegere tijden nog wel eens neer kwam op een wat krampachtige vorm van geloofsverdediging. Maar vandaag is het woord apologetica ontdaan van deze negatieve bijklank en is het de normale houding van een volwassen christenen, die eerste geëvangeliseerd is, door zijn ouders of door andere, dan gecatechiseerd, door de school, de parochie of ergens anders, om dan als levende bouwsteen in de Kerk zich echt verdiept en verankerd te hebben in zijn of haar geloof. Met de apostel Petrus is deze christen bereid altijd verantwoording af te leggen van zijn geloof. Niet dat hij op alle vragen antwoord heeft, maar toch weet hij in essentiële vragen zijn medemens tekst en uitleg te geven over wat hij gelooft en beleeft en waarom.
Diep verankerd in gebed, sacrament en kennis van het geloof is er nog het zo belangrijke punt van de persoonlijke heiliging. Ons staan in de geseculariseerde samenleving lijkt op niets als onze daden niet overeenstemmen met onze woorden. Die houding moet er een zijn die niet alleen door het kennen van de waarheid wordt gekenmerkt, of door het leven conform de waarheid, maar ook door een grote liefde voor ieder mens, ongeacht hoe die ander leeft of denkt. De ware christelijke houding is er immers een die de ander, ongeacht wat hij denk of doet, ziet als een naar Gods beeld en gelijkenis geschapen medemens, die om die reden alle vorm van van respect geniet. En daar waar de levenshouding van de ander mij niet goed uitkomt of benadeelt is er de plicht tot de vergevingsgezindheid, de barmhartigheid die God ook jegens mij heeft. Geloven in de waarheid in een relativistische samenleving moet dus gepaard gaan liefde en barmhartigheid jegens onze naaste, zonder daarmee afbreuk te doen in datgene dat wij ten diepste als de waarheid kennen. Onlangs noemde een katholieke lekengroep in Vlaanderen die voor de waarheid van ons geloof uit wil komen bepaalde andersdenkende katholieken ‘parasieten’. Het lijkt me evident dat dit niet de houding is die God van ons vraagt.
En tenslotte moeten we als christen bereid zijn tot het offer. Indien wij tegenstand of nadeel ondervinden van ons geloof in de waarheid van Christus en zijn kerk, dan kunnen we onszelf natuurlijk trachten te verdedigen, maar we kunnen op een zeker moment ook bereidheid opbrengen om te aanvaarden dat mij een bepaald onrecht wordt aangedaan, zoals Christus dat ook heeft aanvaard. Een diep geworteld zijn in de liefde een de waarheid die Christus is, in zijn Kerk, in de kennis van ons geloof, een houding die leidt tot onze heiliging, kan overtuigend zijn voor onze geseculariseerde en relativistische naaste die soms nauwelijks weet waar hij staat en waarom hij denkt zoals hij denkt. Vanuit een liefdevolle en barmhartige houding in de waarheid van ons geloof kunnen we beginnen aan een her-evangelisering een opnieuw verkondigen van de waarheid van God, de mens, het leven zonder daarmee mensen af te stoten. Het gaat niet om ons eigen gelijk en we hoeven Gods waarheid niet te verdedigen, er slechts van te getuigen. Als ons geloof het ware geloof is, bewijst zich dat vanzelf. We hebben niets te verliezen en zijn bereid om ons deel aan het lijden van Christus in deze wereld bij te dragen. Na de muziek ga ik met u verder wat concrete levenssituaties na waarin wij als katholiek christen ons getuigenis kunnen geven van de waarheid.
MUZIEK
In de vorige uitzending heb ik u een aantal terreinen genoemd waarin het relativisme in onze geseculariseerde wereld toe heeft geslagen, sprekend vanuit mijn achtergrond als bioloog. Ik heb gesteld dat er zelfs op evidente medisch-biologische terreinen relativistische standpunten verdedigd worden die rationeel eigenlijk niet te verdedigen zijn. Ik heb genoemd het verschil tussen mens en dier in de schepping, het verschil tussen man en vrouw dan nogal verduisterd is geraakt, de waarheid omtrent de menselijke seksualiteit (ik had daar eigenlijk nog willen noemen de zeer onnatuurlijke scheiding van de seksualiteit enerzijds en de vruchtbaarheid anderzijds door de voorbehoedmiddelen en de kunstmatige vruchtbaarheidstechnologie); ik noemde onze kijk op het menselijke embryo, dat pas na enige tijd echt een mens zou zijn, onze kijk op de mens in zijn laatste levensfase. Ik sprak u over ecologie en het wereldbevolkingsvraagstuk. U kunt die zaken teruglezen, net als deze uitzending, op mijn website www.biofides.eu.
Nu wil ik met u kijken naar een paar terreinen waar u en ik als christen zouden kunnen bijdragen aan een herontdekking van essentiële menselijke waarheden, op religieus, filosofisch, cultureel, wetenschappelijk of moreel gebied. En dat vanuit de houding die ik hierboven genoemd heb: geworteld in de waarheid die Christus is in een persoonlijk gebeds- en sacramenteel leven, een zo goed mogelijke kennis van mijn geloof, als een mens die geheiligd is door de God met wie hij dagelijks omgaat en door het leven gelouterd, altijd bereid om verantwoording af te leggen van de hoop die in hem leeft.
De eerste situatie die ik u wil voorstellen is die van de privé-situatie van het huwelijk, voor degenen onder u die gehuwd zijn. Wat is het een voordeel als u uw geloof in essentiële waarheden met uw echtgenoot of echtgenote kunt beleven. Daarvoor is een goede dialoog tussen gehuwden van het grootste belang, net als een gezamenlijk gebedsleven en een leven in heiligheid. Met name in de menselijke seksualiteit en vruchtbaarheid kunnen man en vrouw zich oefenen om in de waarheid te leven en elkaars lichaam en persoon als gave te aanvaarden, inclusief de vruchtbaarheid. De waarheid omtrent het lichaam is dat het voor de ander geschapen is om een levengevende liefdesgemeenschap te vormen en dus geen technieken of middelen toe te passen die afbreuk doen aan deze waarheid. Hierdoor worden man en vrouw ook gedwongen om minstens één maal per maand met elkaar een goed gesprek te voeren over het leven, wat de dialoog in het huwelijk alleen maar ten goede blijkt te komen. Door een verantwoord omgaan met de vruchtbaarheid, optimaal gebruik makend van de vrije wil, dus niet slechts gedreven door de aandrang of zelfs door egoïstisch lustgevoelens, is het mogelijk ook een getuigenis te worden voor elkaar en voor de kinderen, die allen werkelijk de vrucht zijn van een liefdesband die totaal is en gericht op het welzijn van de ander.
Vervolgens is er het gezin als de eerste plaats waar in de onderlinge gesprekken en in de opvoeding de waarheid in liefde gezegd en beleefd kan worden. Hoeveel ouders zijn niet totaal stuurloos als het gaat om de waarden die ze wel of niet in de opvoeding willen laten doorklinken. Hoeveel ouders zijn er niet die maar nauwelijks in staat zijn om met elkaar daar een redelijk gesprek over te voeren? Gelukkig zijn er plaatsen en groepen die hulp bieden, maar er zou veel meer aanbod moeten zijn om gezinnen bij te staan om de waarheid over het gezin en het leven en over goed en kwaad te herontdekken om er dan vrijelijk voor het ware en het goede te kiezen. Dat zal niet zonder God kunnen, de bron van al het goede en het ware, zodat een goede geloofsondersteuning van de gezinnen noodzakelijk is. Er zijn daartoe in Nederland én in Vlaanderen initiatieven, maar ze lijken nog een wat verscholen bestaan te leiden.
Wie gezin zegt, zegt onderwijs en het lijkt me van het grootste belang dat we met onze kinderren spreken over de onderwerpen die daar aan bod komen en die hen beïnvloeden, ideeën die komen uit een relativistische cultuur en die vaak zonder enige terughoudendheid op onze kinderen worden losgelaten, ook in zg. katholieke scholen. Onze eerste zorg zou moeten zijn dat er in ons gezin een klimaat is van gesprek over die zaken, zodat de kinderen een visie van thuis meekrijgen die sterk is en die tegen die van school is opgewassen. Misschien kunnen we ook met de school in gesprek gaan of door schoolkeuze iets aan de situatie doen, maar de zaken liggen op dit moment heel moeilijk bij ons in de Lage Landen. En ik zeg dat vanuit mijn ervaring als vader van zes kinderen die in Nederland én Vlaanderen op school hebben gezeten en als oud-leraar biologie in Nederland én België. We kunnen op dit moment alleen maar hope en bidden dat het ‘katholiek’ onderwijs zich weer opnieuw weet uit te vinden als werkelijk katholiek onderwijs. Misschien moeten er daarvoor toch serieuzere maatregelen getroffen worden of nieuwe initiatieven genomen worden.
Ten derde is er ons staan in de familieband en vriendenkring. Het is onvermijdelijk dat je daar op mensen stuit die in hoge mate de geseculariseerde cultuur van het relativisme aangenomen hebben en deze behoorlijk dwingend kunnen opleggen. Ik denk dat menig luisteraar van Radio Maria daar van mee kan spreken. Wat kan onze houding zijn? Ik denk in de eerste plaats een houding van gebed en vervolgens een houding van een grote welwillendheid en zonder enig oordeel naar wie dan ook toe. Het heeft geen zin om kwaad te zijn op vrienden of familieleden die uw geloof of overtuigingen niet delen. De kunst is – lijkt me – met veel liefde en geduld die waarheid te blijven uitdragen, misschien niet altijd met woorden, maar eerder door onze daden en houdingen. Maar ook moeten we soms bereid zijn te spreken, zonder agressie of verwijt, altijd met een houding van respect om de persoon die ons het misschien moeilijk maakt.
Dan is er het beroepsleven. Hierboven heb ik al even het onderwijs aangeraakt, anderen werken in de zorg of bij de overheid, of in alle mogelijke andere sectoren van de maatschappij van juridisch tot commercieel of industrieel. En overal op de werkvloer worden we geconfronteerd met de relativistische cultuur die zich intolerant opstelt tegenover mensen met stevige standpunten over geloof en moraal. Wat kan onze houding zijn. Het is niet eenvoudig in het algemeen iets te zeggen, tenzij dat wat ik hierboven al gezegd heb: sterk staan in je geloof, geworteld in Christus en zijn Kerk, met een grote persoonlijke heiligheid in de wereld staan, altijd bereid om te getuigen van hetgeen je gelooft, bereid ook om lijden et aanvaarden, bijvoorbeeld als je vanwege je geloof in de waarheid niet bereid bent om bepaalde handelingen te verrichten. Een verpleegster vertelde me naar aanleiding van een lezing die ik gaf dat ze vanaf dat moment geen medewerking meer zou verlenen aan actieve levensbeëindiging. Ik vroeg haar of ze dacht dat men in dat ziekenhuis haar vrijheid van geweten zou respecteren. Ze dacht dat dat wel het geval zou zijn, maar als dat nu eens moeilijk zou liggen. Hoe zal zij met haar collega’s daar kunnen functioneren? Heb ik haar met mijn lezing over de cultuur van het even niet in een arbeidsprobleem gestort? Je kunt niet uitsluiten dat je omwille van de geloof in de waarheid der dingen op een dag van werkgever of van beroep moet veranderen. Maar dat ontslaat ons niet van de opdracht om in liefde van de waarheid te blijven getuigen.
Tenslotte wil ik nog noemen: de Kerk zélf als plaats van liefde en waarheid. Helaas moeten vaststellen dat binnen onze eigen geloofsgemeenschap erg veel relativisme is binnengeslopen, op alle niveaus. In parochies, in de al genoemde katholieke onderwijs- en zorginstellingen, maar ook in diocesane diensten, bij orden en congregaties, bij andere kerkelijke instellingen. Omwille van de liefde wordt de waarheid nog wel eens vaak onder de mat geveegd. Wat we dan overhouden is een verkondiging die niet echt ergens over gaat en die bijvoorbeeld jonge mensen niet aanspreekt. Goed, we geloven op een of andere manier wel in het bestaan van God, in zijn liefde en in de christelijke boodschap, maar is Christus werkelijk de zoon van God, de weg de waarheid en het leven? Is hij echt uit de dood opgestaan? En is het echt mogelijk om God te kennen? Is de Heilige Geest een goddelijke persoon die ons leven echt kan transformeren? Is de Katholieke Kerk werkelijk door Christus gesticht en zijn instrument in de wereld om de mensheid de weg naar God te wijzen? Is Christus werkelijk aanwezig in de eucharistie? Is de biecht écht nodig, bestaat de zonde nu eigenlijk wel? En de hemel, de hel en het vagevuur? Bestaat het kwaad en heeft de mens echt een vrije wil? Kunnen we echt een beroep doen op de gemeenschap van heiligen? Is de leer van de Kerk echt betrouwbaar, niet alleen als het over sociale gerechtigheid gaat, maar ook over seksualiteit, vruchtbaarheid en biomedische ethiek? Moeten we echt naar de opvolger van Petrus luisteren? Bezit de Kerk echt de waarheid? We leven in een Kerk die soms de moed verloren lijkt te hebben in zichzelf te geloven, in haar eigen rijkdom, in haar eigen boodschap. We doen veel water bij de wijn, omdat we bang zijn dat de moderne mens al die dingen niet meer kan geloven. Het resultaat is echter dat we bijna smakeloos, zoutloos, zijn geworden en nog slechts lieve praat, bieden die ver staat van de grote vragen. Is het huwelijk echt onverbrekelijk? Moeten wij onze kinderen echt de waarheid voorhouden op allerlei terrein of moeten wij ze het allemaal maar zelf laten uitzoeken? Het lijkt me dus de hoogste tijd om als gelovigen ook in onze eigen kerk op te staan en vanuit een biddende en liefdevolle houding te getuigen van ons geloof in de waarheid en deze in vrijheid aanbieden. We hebben het mooiste’ geloof: de objectieve waarheid, die we in liefde beleven en delen met onze naaste, zonder echter ooit diens vrijheid in gevaar te brengen. Dat is precies het tegenovergestelde van de ‘dictatuur van het relativisme’, waar elke vorm van waarheid in twijfel wordt getrokken om die algehele twijfel dan dwingend, intolerant, aan de leden van de samenleving op te leggen. We zouden ons dus moeten verheugen over wat we bezitten, want de waarheid bezitten is – als het echt de waarheid is en als het waar is dat wij die bezitten – het mooiste dat er is. En die schat die je daar bezit in liefde delen met je medemens, daar kan niemand minder gelukkig worden. Liefde bestaat niet zonder de vrijheid van het individu. De vreugde van het kennen van Gods liefde en waarheid wordt zo niet bedorven door de vrijheid van de ander tekort te doen. Dit geloof moet onze Kerk in Nederland en Vlaanderen weer moeten gaan kenmerken, niet de twijfel die er in de afgelopen decennia ook is binnengeslopen. De wetenschap dat we in God, in Christus, de waarheid kunnen kennen is een enorme reden tot vreugde, en dat moet dus van onze gezichte afstralen. Ik wens u toe dat u die vreugde om u heen mag verspreiden.
Daarmee beëindig ik deze persoonlijke gedachten over het thema van ‘de dictatuur van het relativisme’ met een vrolijk toon, hoop ik. Wat niets is hopeloos en dus ook niet onze relativistische en soms wat intolerante cultuur. Alleen al de komst van Radio Maria en zoveel andere goede initiatieven in de Kerk geven aanleiding tot hoop. Natuurijk kunnen we niet zorgeloos met onze armen over elkaar gaan zitten, maar om nu gefrustreerd of terneergeslagen en iedereen veroordelend om ons heen te slaan met onze ware argumenten, dat lijkt me ook geen optie. Een vreugdevol getuigenis doet meer.
Hebt u nog vragen, stelt u deze dan na de muziek indien niet naar de herhaling van dit programma luistert, maar u kunt mij ook een vraag stellen via de website www.biofides.eu. Ik dank u van harte voor uw welwillende aandacht.
Terug naar deel 1
Terug naar deel 2
Terug naar ‘De Dictatuur van het Relativisme’
0 Reacties tot “De Dictatuur van het Relativisme – deel 3”