Tijdens drie uitzendingen voor Radio Maria Nederland en Vlaanderen ga ik in op het thema dat Benedictus XVI zo dierbaar is: de dictatuur van het relativisme. Hier volgt de tekst van de eerste uitzending. U kunt onderaan reagaren met vragen of opmerkingen.

Beste luisteraars van Radio Maria,

Het is met plezier dat ik weer begin aan een serie van drie uitzending in het kader van het programma ‘Geloof & Catechese’ over ‘De dictatuur van het relativisme’. Dat is een term van Kardinaal Jozef Ratzinger, de huidige paus, die daarvan sprak tijdens zijn preek bij de opening van het conclaaf in 2005. De prinsen van de kerk hebben die preek blijkbaar kunnen smaken, want enkele dagen verruilde de Ratzinger het rood van de kardinalen voor het wit van de opvolger van Petrus. En het is een thema dat hij niet meer los heeft gelaten: voortduren spreekt de paus ‘te pas en te onpas’ over die dictatuur van het relativisme en de weg die wij kunnen bewandelen om deze cultuur het hoofd te bieden. Zo ook in zijn recente boek ‘Licht van de Wereld’, van journalist Peter Sewalt, dat nog in het Nederlands moet verschijnen.

Degenen die mij kennen weten dat ik dit onderwerp niet bespreek als theoloog of filosoof, maar als een bioloog die zich in de theologie en in de filosofie heeft laten bijscholen, onder meer door de Jezuïeten van St. Michel in Brussel en door bestudering van de grote teksten van de Kerk. Resultaat van dit alles is wat ik met een duur woord ‘Biofides’ noem, mijn persoonlijk apostolaat waar het gaat om de confrontatie tussen de biologische kijk op het leven en die van de godsdienst. Ik plaats dat graag in het kader van wat paus Johannes Paulus II ‘de verkondiging van het evangelie van het leven’ noemde. Biologie en geloof ontmoeten elkaar eerst in e filosofie en uiteindelijk op het terrein van de bio-ethiek, waar harde noten gekraakt worden over wat wel en niet goed is voor de mens. De grote ontdekking in mijn leven die ik als bioloog gedaan heb tijdens mijn studie en daarna, is dat God bestaat en ons liefheeft, dat wij God kunnen kennen, dat geloof en wetenschap niet onverzoenbaar zijn, dat de redelijkheid het terrein is waarop beide een dialoog kunnen voeren en dat een gezonde en juiste moraal daar de vrucht van kan zijn. Door een redelijke beschouwing van zowel de biologische realiteit als dat wat God ons door de openbaring te zeggen heeft, komen we tot evidente conclusies omtrent de manier waarop we onze vrijheid zouden moeten aanwenden, wat we wel en niet zouden moeten doen. Het beeld dat zo ontstaat is overweldigend mooi: een door een goede God geschapen werkelijkheid van liefde en waarheid waarin wij kunnen leven, die ons zomaar geschonken wordt en die ons alle middelen aanreikt om een waarlijk goed en gelukkig leven te leiden. En dat als voorafspiegeling van het eeuwige geluk bij God, als we ooit niet alleen met onze ziel, maar zelf met ons verheerlijkt lichaam bij Hem zullen zijn. We hoeven niet te wachten tot we dood zijn: ook hier en nu kunnen we al proeven van een werkelijkheid die ons biologische bestaan verzoent met de kennis van God, ons helpt het goede te doen zodat we gelukkig worden, ook al hebben we hier op aarde nog de last van het kwaad en de gevolgen daarvan. Jezus nodigt ons uit, naar de woorden van Paulus, ‘aan te vullen wat aan zijn lijden ontbreekt’ voor de verlossing van de wereld.

Wie de werkelijkheid waarin wij leven vanuit een biologisch gezichtspunt bekijk heeft al heel wat om zich over te verwonderen: de intelligentie die onmiskenbaar in de levende natuur bespeurbaar is, de doelmatigheid van structuren en processen, de ordening in het geschapene, de subtiele evenwichten die in de natuur gelden. Het is moeilijk te geloven dat dit alles allemaal door blind toeval tot stand gekomen is. In die zin biedt de wetenschap meer redenen om te geloven dan met het vaak doet voorkomen. Maar de moderne biologische wetenschap laat zich in hoge mate laat leiden door een materialistisch en atheïstisch wereldbeeld, dat de neiging heeft alles te reduceren tot de stoffelijke werkelijkheid en het blinde toeval. Volgens die opvatting zijn wij slechts ingewikkelde biologische wezens en is het zuiver toevallig dat u en ik bestaan. Wij zijn niet de kroon op de schepping, maar een zuiver toevallig product van een blind en ongericht proces dat evolutie heet. God bestaat niet of zijn bestaan kan niet aangetoond worden. Als ik dood ga is het afgelopen en als de zon uitgebrand is is het ook gedaan met het leven op aarde. Zo goed als het heelal met een oerknal is ontstaan, zal ze op een dag imploderen en tot het niets waaruit het ontstaan is weerkeren. Wij mensen zijn helemaal niet bijzonder, het leven op aarde ook niet en de kosmos net zo min. Het bestaan zelf is er nu eenmaal en het heeft volgens deze opvatting geen zin om daar verder over te filosoferen. De vraag naar de zin van het leven is ook niet aan de orde. Dat is de relativistische cultuur waarin wij leven en daar moeten we blijkbaar mee zien te leven.

Daar staat tegenover de ervaring die je in je leven kan opdoen van het bestaan en de persoonlijke liefde van een levende God, een god die het niet te druk heeft in de hemel om zich op gepaste momenten aan je te openbaren, ook al houdt hij zich tegelijk ook wat schuil voor ons. Dan ga je op z’n minst ernstig twijfelen aan dit moderne wereldbeeld, met zijn trieste conclusies. Er is dus toch een groter kader waarin het bestaan zich afspeelt. Ik ben er niet louter toevallig. Mijn leven heeft uiteindelijk een blijvende waarde en betekenis. Je gaat de ‘Openbaring’ van God – die we kennen door de Bijbel en de christelijke Traditie – nader bestuderen en komt er achter dat de wereld wel degelijk de vrucht is van een scheppende god, die in de persoon van Jezus als mens op aarde is verschenen en het kwaad in de wortel aangepakt heeft. De Kerk blijkt een goddelijke instantie te zijn die liefde en waarheid in de wereld brengt, Jezus onder ons tegenwoordig stelt, ondanks de soms grote fouten van haar leden en haar bedienaren. Je ontdekt ook dat er geen terrein is waarop geloof en wetenschap elkaar fundamenteel tegenspreken. Er zijn slechts schijnbare tegenstellingen, die berusten op misverstanden over ons godsverstaan enerzijds of ons begrijpen van de natuurlijke orde anderzijds, of een combinatie daarvan. Geloof en wetenschap blijken twee verschillende invalshoeken te zijn om een en dezelfde werkelijkheid te bekijken, twee invalshoeken die elkaar aanvullen, twee vleugels, zoals Johannes Paulus II het uitdrukte in zijn encycliek Fides et Ratio, waarlangs de menselijke geest zich verheft om de waarheid te beschouwen1. Wanneer twee zaken worden verkondigd die beide waar zijn, hetzij theologisch, hetzij biologisch, dan kunnen deze onmogelijk met elkaar strijden, omdat de waarheid zichzelf niet kan tegenspreken, want God kan zichzelf niet tegenspreken, zoals het eerste Vaticaanse concilie het heeft verwoord. (Vaticanum I, Dei Filius, 1870n nr. 19)

Waar het dus allemaal om draait, dat is de waarheid der dingen die we in redelijkheid kunnen kennen, of dat nu is vanuit de wetenschappelijke benadering of vanuit de godsdienst. De mens heeft het vermogen de waarheid te kennen, maar op de een of andere manier slaagt hij er steeds in om zich er van af te laten brengen, naar de verkeerde stemmen te luisteren, Eva naar de slang, wij naar het atheïsme en agnosticisme van onze tijd. We slaan andere wegen in slaan die ertoe leiden dat we zelfs het bestaan van de waarheid te ontkennen. Alles zou betrekkelijk zijn, alles is relatief. Einstein hefet inderdaad aangetoond dat alles relatief is – tijd, ruimte, materie en energie, daaruit onze kosmos is opgebouwd – maar dan had hij het wel over de binnenwereldlijke, geschapen, orde en niet over God. Einstein geloofde nameijk wel degelijk in een absolute God, die de auteur was van de natuurwetten die hij onderzocht. Wij verwerpen het idee dat God bestaat en dat absolute waarheid bestaat. Grappig, in feite, want wie stellig beweert dat er geen absolute waarheid bestaat verkondigt in zijn ogen een waarheid. Daarmee spreek die persoon zichzelf tegen. Als er geen waarheid bestaat, dan is ook de stelling dat er geen waarheid bestaat onwaar. Relativisme blijkt dus erg irrationeel te zijn, maar het wordt toch in hoge mate in onze tijd aangehangen.

De waarheid bestaat dus wel degelijk, om te beginnen in filosofische zin. Er zijn gegronde redenen om op basis van wat wij om ons heen waarnemen en ook op basis van wie wij zijn als mens te besluiten tot het geloof in het bestaan van God en daarmee van het ware en het goede. Daar komt de historische figuur van Jezus Christus nog bij, die zijn goddelijkheid eclatant bewezen heeft, en de kerk die Hij gesticht heeft en die inderdaad onverwoestbaar is gebleken over de eeuwen. Het enkele bestaan van de Kerk, nu nog na twintig eeuwen, terwijl de eerste paus al bewezen had een zwakkeling te zijn, kan gerust als bewijs van haar goddelijke grondslag gelden. Ik verwijs u wat dat betreft graag naar het boek ‘De redenen om te geloven’ (Les Raisons de Croire’) dat binnenkort in het Nederlands moet verschijnen, van de hand van de nieuwe aartsbisschop van Mechelen-Brussel, Mgr. Léonard, tevens een eminent filosoof.

Als God bestaat en goed is, bestaat er ook een morele waarheid: de kennis van datgene wat absoluut en werkelijk goed is. Johannes Paulus II schrijft daarover uitgebreid in zijn encycliek Veritatis splendor, de schittering van de waarheid, van 1993. De mens is namelijk lichaam én geest, behept met een vrije wil die ons in staat stelt keuzes te maken en naar die keuzes te handelen. De mens is in staat tot ethisch handelen, juist omdat hij een vrije wil heeft. Zonder vrijheid is er geen ethiek, zoals we bij de dieren kunnen vaststellen. De mens zal als het goed is kiezen het goede te doen en het kwade te laten, uit liefde voor het ware en het goede, voor zijn naaste als hij menslievend is, voor God als hij gelovig is en niet in de laatste plaats voor zichzelf. Door de geërfde aanleg tot de het maken van fouten, de erfzonde, gaat het echter nogal eens mis en heeft hij redding nodig, bijzondere bijstand om weer op het goede pad te komen. Maar daarin heeft God voorzien in Jezus en door zijn Kerk. Omdat God bestaat en goed is, bestaat ook het absolute goede, waar de mens vanuit zijn vrijheid voor kan kiezen. Het bestaan van het absoluut goede in twijfel trekken is God in twijfel trekken. Als er geen objectief goed en kwaad is kunnen we ons ook niet meer druk maken over concentratiekampen en de schending van mensenrechten. Wie bepaalt immers dat dit ‘intrinsiek’ kwaad is? Een meerderheid binnen de Verenigde Naties of een andere instantie? Wie kan er met gezag over objectief goed en kwaad spreken? Moet je daarvoor niet van goddelijke huize zijn?

Onze tijd, die het bestaan van God miskent of ontkent, ontdoet zich daarmee ook van de waarheid omtrent het objectief goede. Niet alleen filosofisch is alles relatief, ook moreel is alles betrekkelijk. En dat terwijl de filosofische traditie van de eeuwen ons geleerd heeft dat we zelfs zonder de godsdienst, maar bij voorkeur verlicht door de godsdienst, rationeel in staat zijn het ware en het goede op redelijke gronden te kennen, er voor te kiezen en er naar te handelen. Dat is wat we aanduiden met de term ‘natuurwet’ die teruggaat op Augustinus en Thomas van Aquino en die de huidige paus en zijn theologencommissie terecht van onder het stof weg willen halen. Maar nee, wij denken dat er geen absoluut goed of kwaad bestaat. Wat wij goed en kwaad noemen wordt bepaald door het individu of in een democratisch besluitvormingsproces. Ik maak uit wat goed en kwaad is en in de samenleving is dat de meerderheid in het parlement. Het eigen geweten is alles en de goddelijke wet is van het toneel verdwenen. Alles omtrent God, de waarheid en het goede wordt in twijfel getrokken, irrelevant of onbestaand verklaard. We komen terecht in een moreel relativisme: iets kan soms goed zijn en soms kwaad en uiteindelijk beslist de mens individueel of in meerderheid daarover.

En dan blijkt er iets merkwaardigs zich voor te doen. Wanneer wij christenen in God, in Jezus en in de leer van de Kerk de waarheid menen te kennen, die aanhangen en er naar leven, weten wij dat we die waarheid inderdaad in de eerste plaats op onszelf moeten toepassen. Als het om onze medemens gaat weten wij dat we dat geloof hoogstens van kunnen getuigen. Wij geloven erin, wij leven eruit, wij stralen het uit, maar nooit dringen wij het op aan onze medemens, tenminste, als het goed is. Want onze medemens is net als wij een mens met een vrije wilsbeschikking, en zo goed als dat wij zelf graag willen mogen uitmaken of wij geloven en naar Gods woord leven, zo gunnen wij dat een ander ook. Goed, we zullen in een discussie de ander eens stevig confronteren met onze opvatting, maar verder gaat onze bemoeizucht niet, als we leven naar wat we geloven. De liefde voor de ander is onze drijfveer, en de liefde verdraagt geen dwang. De vrijheid die God aan ieder mens, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, geschonken heeft, zullen en mogen wij de ander niet afnemen. Helaas hebben we als christenen hier niet altijd naar geleefd, zeker niet toen nog de meerderheid van de bevolking christen was en hij uit de toon viel als hij van z’n geloof viel. Maar de echte christenen, de heiligen, hebben hier zeker naar geleefd.

Vanuit het religieuze gedachtengoed neemt de vrijheid van de mens een centrale plaats in in ons wereld- en mensbeeld. God heeft ons zo gemaakt dat wij niet automatisch zijn bestaan en zijn goedheid onderkennen, maar daarvoor een vrije geloofskeuze maken. Dat maakt onze keuze voor dat geloof des te waardevoller. Want als we niet ongelovig konden zijn, welke waarde zou ons geloof dan hebben? En als wij niet vrij zouden zijn, welke waarde had dan onze goede daad? De ware godsdienst laat de mens dus vrij. Maar helaas doen niet alle godsdiensten dat.

Wat zien we dus als de godsdienst van het toneel verdwijnt? Het relativisme wordt tot ‘een nieuw soort religie’, echter een die de mens niet vrij blijkt te laten. Die nieuwe ‘waarheid’, die zegt dat de waarheid niet bestaat, die nieuwe ‘moraal’, die zegt dat er geen goed en kwaad bestaat, wordt aan het individu en de samenleving opgelegd. Het is dit waar Benedictus XVI steeds naar verwijst. Zo dringt het atheïstisch communisme zich op aan het eigen volk, dat niet meer naar de Kerk mag gaan en geen geloof meer mag aanhangen, maar ook geen afwijkende politieke opvattingen mag hebben. De vrijheid van de mens gaat verloren. En in onze geseculariseerde samenleving wordt je niet zomaar vrij gelaten om openlijk je geloof in absolute waarheden op religieus, filosofisch of moreel terrein te uiten. Als de heerende opvatting is dat je de waarheid niet kan kennen, zeker niet op moreel gebied, dan kan je rekenen op forse weerstand en de beschuldiging van intolerantie. Als het goed is – maar helaas is dat niet altijd zo geweest – laat de gelovige de ongelovige vrij in zijn denken en ethische afwegingen, maar laat de ongelovige de gelovige ook vrij? De beschuldiging van de intolerantie aan het adres van christenen is in bepaalde situaties zeker terecht geweest, maar zijn onze relativistische medeburgers een haar beter? Als je vandaag in de familiekring of op je werk gewag maakt van je christelijke overtuiging weet je dat de reacties heftig zullen zijn, soms tot zeer agressief. Was dat ook zo, toen de meerderheid van onze families en van de bevolking nog christelijk was? Soms wel, maar er is toch een verschil.

Als de mens zich losmaakt van God, verliest hij de waarheid die in God is, maar ook een wezenskenmerk van God, dat wat hem bij uitstek tot beeld van God maakt, namelijk de persoonlijke vrijheid. De mens dreigt een robot te worden in een maatschappelijk systeem dat volgens bepaalde dwingende principes moet functioneren en waar een politieke meerderheid of een dictator haar of zijn wil oplegt aan een minderheid. Zo hebben in onze tijd talloze mensen geen enkele rechtsbescherming meer omdat ze nog niet geboren zijn. Hun toekomstige vrijheid, bijvoorbeeld in het stemhokje, wordt hun afgenomen door mensen die geboren zijn en hun politieke macht schijnbaar ongestraft kunnen laten gelden. Zo goed als mijn atheïstisch studiegenoot biologie in de jaren zeventig en tachtig zei dat het onder het atheïstisch communisme aanvaardbaar is om ten behoeve van de heilstaat andersdenkenden in de goelags op te bergen of om te brengen, zo goed kan het nu gebeuren dat een ambtenaar van de burgerlijke stand of verpleegster gedwongen wordt om handelingen te verrichten die ingaan tegen zijn of haar diepste geloofsovertuigingen, dat het huwelijk er is voor man en vrouw en dat het menselijk leven tot aan de natuurlijke dood gerespecteerd moet worden. Waarom die ambtenaar en die verpleegster niet in hun vrijheid respecteren? Waarom hen willen dwingen tot handelingen die tegen hun geweten ingaan?

Atheïsme leidt blijkbaar tot individualisme en de dictatuur van de meerderheid, van de sterken over de zwakken, tot onverdraagzaamheid. Het is dat wat Benedictus XVI de dictatuur van het relativisme noemt. Dat zou ons niet zo mogen verbazen, want atheïsme berooft ons van God die ons laat delen in zijn goddelijke waarheid én vrijheid. Omdat God waarheid is en garant staat voor de vrijheid van de persoon is het zo dat de waarheid, zoals Johannes zegt, ons vrij maakt. De ‘leugen’ van het niet bestaan van God leidt tot verlies aan vrijheid, wat neerkomt op dictatuur. Omdat deze ingesteldheid onwaar is moet zij met alle middelen – ook met geweld – verdedigd worden, want ze heeft geen eigen bewijskracht. Als wat ik geloof waar is en leidt tot het goede, dan bewijst zich dat vanzelf: ik hoef mij niet te verdedigen. Net als als de verkoper van een goed product tegenover die van een slecht product. De tweede heeft een veel zwaardere job om zijn product verkocht te krijgen. Daarom verdedigt Jezus zich ook niet voor Pilatus en hebben martelaren geen angst om de dood onder ogen te zien voor hun geloof: ze weten dat ze gelijk hebben en dus goed terecht komen. ‘Goede wijn behoeft geen krans’, zegt het spreekwoord.

Vijf terreinen waar de dictatuur van het relativisme die in het oog springen en die ik nog apart wil benoemen (er zijn er zeker meer): u kunt ze zien als een soort biechtspiegel voor deze vastentijd door u de vraag te stellen: waar herken ik de cultuur van het relativisme in mijzelf. Want zeggen dat de wereld slecht is, daar schieten we niets mee op. Laten we liever kijken inhoeverre wijzelf nog ‘slecht zijn’, om het een beetje cru te zeggen.

Relativisme in het geloof zelf. Zij wij er werkelijk van overtuigd dat god bestaat en ware liefde is, de verpersoonlijking van het goede? Of denken we dat er ook andere opvattingen mogelijk zijn, dat andere filosofieën misschien even waar zijn; Zeker, er is waarheid in alle geloven en filosofieën, maar erkennen we de God die zich in Jezus aan ons heeft geopenbaard ‘de weg, de waarheid en het leven?’ En geloven we dat de Katholieke Kerk de ware kerk is, door Jeizs gesticht en hoedster van de waarheid op religieus, filosofisch en moreel terrein? Niet dat andere kerken en kerkelijke gemeenschap geen waarheid in zich dragen, maar heeft God niet die éné heilige katholieke en apostolische Kerk gewild, geleid door de opvolgers van Petrus en de andere apostelen?

Relativisme in de filosofie: men zegt dat er geen algemeen geldende denksystemen bestaan. Elk denkbeeld heeft zo zijn waarde. Filosofie, gaat dat voor mij meer om vragen weten te stellen, zoals veel wordt gesteld, of mogen er ook antwoorden volgen die geloofwaardig zijn? Het ik de moed om standpunten in te nemen?

Realivisme in de cultuur: benedictus wijst daarop in zijn boek ‘Licht van de Wereld’ dat hopelijk snel in het Nederlands verschijnt. Niet alle culturen zijn zomaar uitwisselbaar. Kijk naar wat er gebeurt aan de Noordkust van Afrika. Durven wij er voor uit te komen dat de christelijke cultuur, zonder het vceke goede in andere cultuuren tekort te doen, van bijzondere waarde is voor de werld, en voor de mensheid?

Wetenschap: zelf in de zogaamd objectieve wetenschapsbeoefening sluipt het relativisme binnen. Omwille van politieke agenda’s en indieologische programma’s worden evidente wetenschappelijke feioten, zoals de menselijkheid van hety zojuist verwekte mensenkind in een glazen schaaltje in het ziekenhuis, ontkent. In een doorgedreven evolutionisme wordt de afstamming van de mens van de aap voor zeker gehouden, terwijl het bewijs nog ernstig tekort schiet. Maar dit stelt de wetenschap in staat om de mens te reduceren tot een biologisch wezen zoals alle andere, alleen wat slimmer.

En tenslotte de moraal: zijn wij er van overtuigd dat het objectief goede bestaat,een visie op goed en kwaad die universeel is, algemeen geldend, en niet allen voor degenen die die moraal toevallig aanhangen. Geloven wij werkelijk in onze vrije wil en neen wij dus verantwoordelijkheid voor onze daden? Praten wij dingen niet goed omdat het nu eenmaal door iedereen gedaan wordt of toegelaten is door de civiele overheid. Durven wij tegen de moraal van onze tijd in te gaan en een beroep te doen op onze gewetensvrijheid. Zijn wij bereid daarvoor een soort van martelaarschap te ondergaan, in de zin dat wij misschien onze baan moeten verwisselen voor een andere? Nog gisteren bereikte mij een vraag van een verpleegster die in de palliative zorg wil werken en stuit op bepaalde eisen die aan haar gesteld worden omtrent euthanasie. Misschien moet zij die baan aan haar voorbij laten gaan…

In de volgende uitzending wil ik met u een aantal meer concrete maatschappelijke tendensen nalopen die iets van die dictatuur van het relativisme laten zien. Enkele voorbeelden heb ik al aangetipt en waarschijnlijk hebt u al luisterend er al aan een aantal gedacht. In de derde en laatste uitzending gaan we kijken hoe we als christen vandaag in deze relativistische cultuur kunnen staan, wat onze opdracht is en hoe we die mogelijk het beste kunnen uitvoeren. In het voorafgaande geef ik daar ook al een klein voorschot op. Ik wil besluiten – echter – met een boodschap van hoop, wij, hier in de lage landen, die gemakkelijk depressief kunnen worden over hetgeen er op ons afkomt. Benedictus XVI zegt in zijn boek ‘Licht van de Wereld’ dat hij beslist hoopvol is als hij hoort wat er overal in de wereld gebeurt. Bisschoppen van alle continenten informeren hem over nieuwe bewegingen en initiatieven die ontstaan en die een nieuwe cultuur en moraliteit doen ontluiken onder de mensen. In het westen gaan we misschien door een nauw poortje, maar gelukkig is de <kerk groter dan die van het Westen. Laten we dus hoopvol zijn met de paus. En mag ik u ook wat laten delen in het jubileum dat de gemeenschap waartoe ik behoor, de gemeenschap Emmanuel, deze week bijzonder viert, mede naar aanleiding van het op gang gebrachte zaligverklaringsproces van onze stichter Pierre Goursat. Dat wij moeten getuigen van een de liefde en de waarheid, dat was voor hem en is voor ons een evidentie. Maar hij vreugde daar aan toe (en toen kardinaal Ratzinger zei hem dat na: ons getuigenis moet vreugdevol zijn, niet somber, pessimistisch of bedrukt. Laten we ons dus verheugen over de evangelisatie die onze opdracht is, de God van liefde en waarheid én van barmhartigheid, van wie zij zeker zijn.

Links:

Klik hier om naar deel twee te gaan

Klik hier om naar deel drie te gaan

Terug naar ‘De Dictatuur van het Relativisme

0 Reacties tot “De Dictatuur van het Relativisme – deel 1”



  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s




Vul uw e-mail addres in om u voor deze blog in te schrijven en per e-mail notificaties te ontvangen van nieuwe berichten.

Blog Stats

  • 30,228 hits

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 134 other followers