Voor de evolutietheorie is de geschiedenis van het leven op aarde van groot belang. Volgens de huidiuge in zichten is de aarde 4,56 miljard jaar (4,56 × 109 jaar) oud en is zij onstaan door samentrekking van veel kleine deeltjes in ons zonnestelsel. We kijken hier naar de geologische tijdschaal, waaraan gekoppeld de geschiedenis van het leven en van de mensheid, in vogelvlucht, volgens de huidige inzchten van de wetenschap.

De geschiedenis van de aarde kent vier eonen, dat is de grootste eenheid voor tijd in de geologische geschiedenis. Eonen zijn opgebouwd uit era. De duur van eonen en era wordt uitgedrukt in Giga-annum (Ga), dat is miljard jaar, of Mega-annus (Ma), dat is miljoen jaar. De aarde is dus 4,56 Ga (miljard jaar) of 4560 Ma (miljoen jaar) oud.

De vier eonen:

  • Hadeïcum:  (4,56-4 Ga): van het het ontstaan van de Aarde tot de vorming van de eerste gesteenten.
  • Archeïcum: (4-2,5 Ga): onstaan van sterk door temperatuur van vorm veranderde gesteenten, 70% van de landmassa op aarde, fotosynthese (3,9 Ga) en eenvoudige bacteriën (prokaryoten, 3,4-3 Ga).
  • Proterozoïcum (2,5-0,542 Ga): vorming van marine sedimenten (waaronder ‘Banded Iron Forations‘ vanaf 1,9 Ga), supercontinenten, gebergtevorming, zuurstof in de atmosfeer (tot 2,3 Ga hoogstens 1 à 2 %), ijstijden en meercellig leven (eukaryoten), de oudste fossielen stammen uit het einde van deze periode (630 Ma). Era: Paleoproterozoïcum (2,5-1,6 Ga, paleocntineten, mogelijk eerste eukaryoten),  Mesoproterozoïcum (1,6-1,0 Ga, vorming supercontinent Rodinia, ‘orogenese van Grenville‘) en Neoproterozoïcum:  1000-542 Ma, splitsing supercontinent Rodinia, vorming superoceaan Panthalassa, vorming drie continenten: Noord-Rodinië, Zuid-Rodinië en het Congo kraton. 710 Ma: Wereldijstijd Sturtian. 635 Ma: wereldijstijd Varanger of Marinoan. 630 – 542 Ma: Ediacarium: eerste fauna’s van meercellige dieren (metazoa). 610-600 Ma: Twitya-fossielen, waarschijnlijk kwallen. 600-540 Ma: supercontinent Pannotia, valt vrij snel weer uit elkaar, onstaan LauraziëBaltica en Siberië; ontstaan Iapetusoceaan. 575-542 Ma Ediacarische biota: het vroegst bekende, complexe meercellige leven op Aarde. 542 Ma begin van het Cambrium.
Het Proterozoïcum (derde eon) wordt onderverdeeld in drie era:
  • Paleoproterozoïcum (2,5-1,6 Ga, paleocntineten, mogelijk eerste eukaryoten)
  • Mesoproterozoïcum (1,6-1,0 Ga, vorming supercontinent Rodinia, ‘orogenese van Grenville‘)
  • Neoproterozoïcum:  1,0-0,542 Ga, splitsing supercontinent Rodinia, vorming superoceaan Panthalassa, vorming drie continenten: Noord-Rodinië, Zuid-Rodinië en het Congo kraton. 710 Ma: Wereldijstijd Sturtian. 635 Ma: wereldijstijd Varanger of Marinoan. 630-542 Ma: Ediacarium: eerste fauna’s van meercellige dieren (metazoa). 610-600 Ma: Twitya-fossielen, waarschijnlijk kwallen. 600-540 Ma: supercontinent Pannotia, valt vrij snel weer uit elkaar, onstaan LauraziëBaltica en Siberië; ontstaan Iapetusoceaan. 575-542 Ma Ediacarische biota: het vroegst bekende, complexe meercellige leven op Aarde. 542 Ma begin van het Cambrium.
Tot hier wordt ook wel van het Precambrium gesproken. Vanaf hier spreekt men van het Cambrium, de eerste periode van het vierde eon:
  • Fanerozoïcum (542 Ma-heden): tijdvak van het ‘zichtbaar leven’, ’Oerknal van het leven’ of Cambrische explosie: 542-488 Ma): grote toename in biodiversiteit.
Het Fanerozoïcum (vierde eon) onderscheidt men drie era:
  • Paleozoïcum (542-251 Ma): vroeger ook Primair genoemd, continentvorming (binnen de supercontinentencyclus), gebergtevorming, vorling van het supercontinent Pangea, Cambrische explosie. PeriodenCambrium (542-488 Ma, verschijnen van de helft van de nu bekende levensvormen of phyla); Ordovicium (488-444 Ma, relatief warm, leven nog in zee: inktvissen, kolonievormende soorten, kaakloze vissen); Siluur (444-416 Ma, warm klimaat, hoog zeeniveau, ontwikkeling vissen, planten en insekten aan land), Devoon (416-395 Ma, warm klimaat, hoog zeeniveau, koraalriffen, landplanten en – insekten ontwikkelen zch, eerste bossen,  kaarvissen en amfibieën, gebergtevorming door naar elkaar toe bewegende continenten, supercontinent Pangea gevormd); Carboon (359-299 Ma: moerassen, plantenresten, ontstaan van steenkool, nieuwe soorten insecten,amfibieën, eerste reptielen en zaadplanten);  Perm (299-251 Ma: ontstaan van vele soorten reptielen en andere landdieren, afgesloten met een massa-uitroeiing, mogelijk door meteoriet-inslag).
  • Mesozoïcum (251-65 Ma): ”tijdperk van het midden-leven” of Secundair (verouderde naam). Supercontinent Pangea beweegt uiteen, geleidelijke vorming huidige continenten. Tijdperk van de varens, coniferen, opkomst bedektzadigen en planten met bloemen, tijdperk van de dinaosauriërs, ontstaan zoogdieren en vogels. Begint met grote Perm-Trias-exstinctie.Perioden:  Trias (251-199,Ma: begin opbreken supercontinent Pangea, massa-exstincties en ontstaan nieuwe soorten dinaosauriërs, vliegende reptielen, zoogdieren, koralen en zaadplanten); Jura (199-145 Ma:  verder opbreken van het supercontinent Pangea, vorming noordelijk deel Atlantische Oceaan, bloeiperiode dinosauriërs, ontstaan eerste vogels); Krijt (145-65,5 Ma: zeereptielen, ammonieten  - beide uitgestorven – , ontstaan van moderne soorten bedektzadige bloemdragende planten,  zoogdieren en vogels, laatste grote massa-extinctie, uitstervan van de dinosauriërs).
  • Cenozoïcum (65,5 Ma-heden): periode Tertiair (65,5-23 Ma, sub-era): omvattende de periode Paleogeen bestaande uit de tijdvakken PaleoceenEoceen en Oligoceen en de periode Neogeen bestaande uit de tijdvakkenMioceen en Plioceen); en de periode Kwartair (2,588 Ma – heden): tijdvak Pleistoceen (2,588 – 0,0115 Ma) en tijdvak Holoceen (0,0115 Ma – heden)

Het sub-era  Tertiair (65,5-23 Ma): (we kiezen voor het gemak de oude indeling; het gaat dus om de periodes Paleogeen en Neogeen): Explosieve lokale uitbreidingen va grasvegetaties. Massa-extinctie waarbij de dinosauriërs en de ammonieten verdwijnen. Zoogdieren worden de dominante gewervelde dieren. Vogels breiden zich uit. Tegen het einde van het Tertiair ontwiikkelen zich primitieve primaten en hominiden.

De Periode Kwartair (2,588 Ma tot heden) , onderverdeeld in twee tijdvakken of series: het Pleistoceen en het Holoceen, in 1833 gedefinieerd als ”de periode waarvan de afzettingen gekenmerkt worden door dier- en plantensoorten die lijken op de tegenwoordig in vergelijkbare omgeving levende soorten”;  groot aantal ijstijden, afgewisseld met interglacialen.

Het Pleistoceen (2,588 Ma-11,56 Ka) (= 11.560 jaar): afwisseling van relatief warme perioden met ijstijden; daling zeespiegel wereldwijd met tientallen tot 200 meter tijdens de maximale ijsuitbreidingen; grote veranderingen in flora en fauna; soorten sterven uit; andere onstaan; opkomst en ontwikkeling van het geslacht Homo, de mensachtigen. Het Pleistoceen valt min of meer samen met het Paleolithicum, de oude steentijd, het oudste deel van de Pre-historie, de oudste periode in de voorgeschiedenis van de mens en zijn materiële cultuur. Het Paleolithicum begint met het in gebruik nemen van stenen werktuigen door waarschijnlijk Homo habilis (2,2 tot 1,5 Ma, Oost-Afrika), maar mogelijk ook Paranthropus boisei (2,3 en 1,2 Ma, Oost-Afrika), en eindigt tegelijk met het einde van de laatste ijstijd, 12.500 jaar geleden. Het erop volgende Mesolithicum en Neolithicum (van de steentijd) vallen het Holoceen. Het Mesolithicum verdwijnt steeds meer uit beeld en sommigen laten de jonge of nieuwe steentijd, het Neolithicum in aansluiting op de oude steentijd beginnen. Er is namelijk geen duidelijk criterium om de oude van de middensteentijd te onderscheiden.

Het Holoceen (de laatste 11.000 jaar) is  het laatste en nog niet beëindigde interglaciaal. Uitsterven van vele plant- en diersoorten, versneld opkomen van bepaalde groepen zoogdieren, grote migratiebewegingen van vele organismen als gevolg van de grote klimaatwisselingen. Verschijnen en ontwikkelen van de moderne mens. Valt samen met het latere deel van de Prehistorie en van de Steentijd het Mesolithicum en het  Neolithicum.

Het Mesolithicum (middensteentijd): grofweg 11.000-9.000 jaar: nog behorend tot de Prehistorie. De mens leeft van jagen, vissen en verzamelen en trekt rond; nederzettingen zijn zeldzaam en meestal tijdelijk; steenbewerkingstechnieken worden verfijnder; religieuze gebruiken kolen veelvuldiger voor. Het Mesolithicum begint en eindigt niet overal tegelijkertijd; de landbouw verspreidde zich geleidelijk over Europa.

Het Neolithicum (nieuwe steentijd: grofweg 9.000-3.300 v. Chr.); gekenmerkt door technische en sociale veranderingen; overgang van een samenleving van jager-verzamelaars met een rondtrekkend bestaan naar een samenleving van mensen die in nederzettingen woonden (sedentarisme) en aan landbouw en veeteelt deden en voorraden aanleggen; ‘neolithische revolutie’ schijnt in meerdere plaatsen op de wereld onafhankelijk van elkaar in ongeveer dezelfde tijd begonnen te zijn en zich vervolgens van daaruit over heel de wereld verspreid te hebben. De aanvang van de neolithische revolutie en de snelheid waarmee deze zich ontwikkelde, verschilt van regio tot regio. De voornaamste vernieuwingen waren: het gebruik van werktuigen van gepolijste steen, keramisch vaatwerk (gebakken potten), de ontdekking van de metaalbewerking (koper), het wiel en het schrift.

De Kopertijd (5500 – 3300 v.Chr): het einde van het Neolithicum, begin van de Proto-historie. Ontdekking dat  bepaalde ertsen bij verhitting in speciale ovens koper opleveren.

De Bronstijd (ca. 3000-800 v. Chr., behorend tot de Proto-historie): Brons vervangt geleidelijk vuursteen als belangrijkste materiaal voor gereedschap (bijlen) en wapens (dolken, hellebaarden); wordt ook gebruikt voor sieraden (armbanden)en enkele uitzonderlijke beelden. Ook vele andere soorten metalen voorwerpen; de kennis voor het bewerken van metalen, inclusief brons ontstond in het Midden-Oosten en heeft zich langzaamaan verspreid door Europa. Sommige van de oudste bekende verhalen, zoals de Ilias, de Odyssee, delen van de Bijbel en het Gilgamesj-epos spelen zich in de bronstijd af. De bronstijd wordt in een schriftloze cultuur opgevolgd door de IJzertijd.

De IJzertijd (in West-Europa: ca. 800 v. Chr. tot ca. het begin van onze jaartelling, de Osstelijke Middellandse-Zeegebied al vanaf ca. 1200 v. Chr.): geen eenduidige wereldwijde ijzertijd vast te stellen omdat de exacte periode waarin mensen begonnen ijzer te gebruiken afhankelijk is van de cultuur en geografische ligging. De overgang van de bronstijd naar de ijzertijd is in die streken gepaard gegaan met grote politieke verschuivingen. Veelvuldig gebruik van ijzer bij het maken van metalen voorwerpen. IJzer  is harder, dus beter geschikt voor wapens en gereedschap, gemakkelijker te bewerken, gemakkelijker te repareren, de grondstof ervoor komt op veel meer plaatsen voor en ijzer gaat langer mee. Komt in tegenstelling tot koper echter weinig als vrij metaal in ‘gedegen’ vorm voorkomt. Het duurde lang voordat men leerde het metaal uit zijn erts vrij te maken. Het nu minder belangrijke brons werd omgesmolten tot sieraden en siervoorwerpen (vooral armbanden en paardentuig). Twee voorbeelden van de IJzertijd zijn de Hallstatt-cultuur: genoemd naar het dorpje Hallstatt in Stiermarken, een gebied dat deels in Oostenrijk, deels in Slovenië ligt, een beschaving die vanaf de vroege ijzertijd in Centraal-Europa vele vondsten heeft nagelaten; en de La Tène-periode of La Tène-cultuur wordt ook wel Vix-cultuur genoemd, genoemd naar de archeologische vindplaats van La Tène, aan de noordkant van het Meer van Neuchâtel in Zwitserland, waar een rijke vondst werd gedaan.

En daarmee zijn we aangekoen in de Historische tijd, van – grofweg – het begin van onze jaartelling tot heden.

Bron: Wikipedia, dat zich voor de geologische en biologische geschiedenis baseert op de Internationale Commissie voor Stratigrafie (ICS) baseerteen commissie van de International Union of Geological Sciences (IUGS), die zich bezig houdt met het correleren en standaardiseren van lokale stratigrafieën wereldwijd. Voor de antropologische geschiedenis baseert Wikipedia zich op het Drieperiodensysteem dat tussen 1820 en 1830 bedacht door Christian Jürgensen Thomsen en in 1836 gepubliceerd. Het was een eerste poging prehistorische vondsten systematisch te classificeren door ze in te delen in drie hoofdperioden: de ijzertijd, bronstijd en steentijd. Het systeem geldt echter alleen voor Europa en in mindere mate voor het Midden-Oosten en Azië, maar niet voor Afrika en Amerika en Oceanië).

Terug naar ‘Evolutiebiologie’

0 Reacties tot “Geologische, biologische en culturele geschiedenis”



  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s




Vul uw e-mail addres in om u voor deze blog in te schrijven en per e-mail notificaties te ontvangen van nieuwe berichten.

Blog Stats

  • 30,228 hits

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 134 other followers