Archief voor de categorie '1.a. Evolutie & Schepping'

Geschiedenis van de aarde, het leven en de mens

Wie zich bezig houdt met de relatie tussen geloof en wetenschap, in het bijzonder de biologie, stuit onvermijdelijk op het debat evolutie en schepping. Op deze site willen we dat vraagstuk zo helder mogelijk in kaart brengen en wegen wijzen voor een samenhangende visie die genuanceerd is en niet in extremismen vervalt of ondoorzichtige vermengingen van biologie en geloofskennis. Vanuit zowel het geloof als de wetenschap trachten we niets minder dan de waarheid boven tafel te krijgen. En twee waarheden kunnen elkaar niet tegenspreken, indien ze ook echt werkelijk waar zijn.

Lees verder ‘Geschiedenis van de aarde, het leven en de mens’

Vaticaans Congres 2009 ‘Biologische Evolutie: feiten en theorieën’

In het kader van het Darwin-jaar werd er het afgelopen jaar 2009 een groot congres gehouden onder de titel ‘Biologische Evolutie: feiten en theorieën’. Het congres werd georganiseerd door de Pauselijke Raad voor de Cultuur, in samenwerking met de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ en de ‘Notre Dame University’ van Indiana (VS). Wetenschappers van naam uit de gehele wereld kwamen een vijftal dagen samen in de gebouwen van de prestigieuze ‘Gregoriana’ om elkaar te informeren over de stand van zaken rond de evolutietheorie. Ondergetekende had het voorrecht bij dit congres aanwezig te zijn en doet er graag verslag van in Acta Medica Catholica.

Lees verder ‘Vaticaans Congres 2009 ‘Biologische Evolutie: feiten en theorieën’’

Symbiogenese als mechanisme voor evolutie

margulis. Over het ontstaan van leven en van de vele soorten die we op aarde kennen blijven wetenschappers speculeren. Darwin stelde in zijn Origin of species dat door toevallige mutaties en natuurlijke selectie de best aangepaste levensvormen overleefden en dat daarmee het mechanisme van evolutie beschreven is. Die theorie, die niet meer dan een theorie is waarvoor géén bewijzen bestaan, is door velen als onvoldoende gekwalificeerd om het gehele ontstaan van het biologische leven zoals we dat nu kennen te verklaren. Eén alternatief geluid is dat van de Amerikaanse biologe Lynn Margulis. Zou houdt het er op dat complexere levensvormen ontstaan zijn door symbiose van eenvoudiger levensvormen. De eukaryotische cel zou ontstaan zijn door een samengaan van verschillende soorten van bacteriën.

Lynn Margulis, Distinguished University Professor Geosciences aan de universiteit van Massachusetts-Amherst en schrijfster van opwindende boeken als Symbiotic Planet, What is Life (met haar zoon Dorion Sagan) en Acquiring Genomes, werd als Lynn Alexander, oudste dochter van Morris Alexander (jurist en zakenman) en Leone Wise (reisleidster), in 1938 geboren in Chicago. Ze ging naar de Hyde Park High School en al op de leeftijd van veertien jaar naar de universiteit van Chicago, waar ze in 1957 haar graad behaalde. Hetzelfde jaar trouwde ze met de later beroemd geworden astronoom Carl Sagan. Daarna studeerde ze genetica en zoölogie aan de universiteit van Wisconsin, waarin ze in 1960 afstudeerde. In 1963 scheidde ze van Sagan. Ze promoveerde in 1965 en datzelfde jaar trouwde ze met de chemicus Thomas Margulis, van wie ze in 1978 scheidde, maar zij bleef haar werk onder zijn achternaam voortzetten. Samen met Tony Swain was Margulis in 1979 de oprichter van het Planetary Biology Internship, die het gevorderde studenten mogelijk maakt om te participeren in biologisch onderzoek van de NASA.

Het idee van symbiogenese is begin twintigste eeuw voor het eerst geopperd door de Russische bioloog Mereschowski. Maar in 1893 vermoedde de Duitse Andrea Schimper dat chloroplasten heel vroeger bacteriën waren. In haar proefschrift uit 1965 liet Lynn Margulis voor het eerst een endosymbiontenhypothese zien: eukaryote cellen zouden zijn voortgekomen uit symbiose van diverse soorten bacteriën. Margulis stelde dat complexe celorganellen evolutionaire bewijzen ervoor zouden bevatten. In 1967 werd haar verhandeling Origins of Mitosing Cells (De oorsprong van cellen met mitose) in de Journal of Theoretical Biology gepubliceerd. Margulis voorzag haar weinig invloedrijke gedachte in de jaren zeventig van een stevig fundament, onder meer in haar in 1970 gepubliceerde boek The Origin of Eukaryotic Cells. Ze bracht er een kleine revolutie in de biologie mee teweeg en werd op slag wereldberoemd. In 1983 werd zij gekozen als lid van de Nationale Academie van Wetenschappen. Haar SET-theory wordt tegenwoordig in wijde wetenschappelijke kring aanvaard. In 2008 kreeg ze de Darwin-Wallace Medal van de Linnean Society of London.

Margulis’ theorie stelt dat bacteriën tijdens de eerste drie miljard jaar van de evolutie meermalen met elkaar zijn versmolten, waarbij de cellen ontstonden van dieren, planten en de andere ‘hogere’ levensvormen, al naar gelang welke bacteriën met elkaar in symbiose gingen leven. Aërobe bacteriën gingen vanaf twee miljard jaar geleden een symbiose aan (een verregaande vorm van samenwerking: ze fuseerden) met grote Amoebe-achtige cellen en werden mitochondriën. De bacterie verkreeg zo voedsel, de Amoebe-achtige een energieleverancier. Fotosynthetiserende (cyaan-)bacteriën werd chloroplasten. Ciliaten hebben ons volgens Margulis de harige structuren op cellen gegeven (luchtpijp, darmen). En de spirocheten – spiraalvormige, snel bewegende bacteriën – gaven onze cellen centriolen (die bij celdeling de chromosomen verdelen) en maakten dat spermacellen zo hard kunnen zwemmen. Ons eigen lichaam is volgens Margulis in feite een gigantische verzameling bacteriën die zich georganiseerd hebben in cellen en organen, en die met z’n allen zo op elkaar inwerken dat ze een zelfstandig organisme zijn gaan vormen – wij.

Pas na haar publicatie in 1967 werd goed duidelijk dat mitochondriën en bladgroenkorrels hun eigen DNA meedragen: het maakte de symbiose-theorie in een klap geaccepteerd. Margulis staafde haar symbiont-idee indertijd met transmissie-experimenten, zo licht ze nu toe. ’De meeste eigenschappen gedragen zich Mendeliaans: als je groen met wit kruist, zijn alle nakomelingen groen, als die kruist krijg je groen en wit in de verhouding drie staat tot één, et cetera. Echter, er waren ook eigenschappen binnen organismen die zich niet-Mendeliaans gedragen, zoals bepaalde eigenschappen van chloroplasten. Die eigenschappen werden door één ouderorganisme bepaald en niet door twee. We wisten dat bacteriën en virussen zich niet-Mendeliaans gedragen en dat naakte genen in eukaryoten niet bestaan – ze zijn omgeven door een biologische entiteit. De beste verklaring was daarom de aanwezigheid van micro-organismen.

De oorspong van chloroplasten en mitochondriën is inmiddels middelbare-schoolstof. Toch is niet de gehele endosymbiose-theorie gemeengoed. Margulis: ’We have won three out of four’. Eén is de oorspong van het cytoplasma, van archaeabacteria. Twee is mitochondriën, drie chloroplasten. Vier is cilia, aan het bewijs daarvoor werken we nu. Deze week (2002, red.) verschijnt ons artikel in PNAS over de oorspong van cilia en de kern.

Margulis vermoedde dat daar fossiel bewijs voor moest zijn: tussenvormen van pro- en eukaryoten. Een Nederlander leek uitkomst te bieden. ‘Ik wist toen niets van geologie: ik begon als genetica-student, en had me op bacteriën gestort. Maar ik kwam een boek tegen van M.J. Rutten, uit Utrecht. Eenmaal heb ik hem ontmoet, de man is inmiddels overleden. Zijn boek heette Origins of life, over fossielen uit het precambium. In mijn manuscript verwees ik naar hem. ’Omdat ik me onzeker voelde in dit nieuwe vakgebied, stuurde ik mijn artikel op naar Elso Barghoorn, de befaamde hoogleraar van Harvard universiteit. Vier maanden later belde hij mij op. “Ik ben het niet oneens met je,” zei hij, “maar dat fossiele archief klopt niet.” Al mijn fossiele voorbeelden kwamen uit dat boek. It was all wrong! ’Rutten ging overigens af op data van anderen. Barghoorn gaf me vanaf toen tot aan zijn dood lessen in het fossiele archief van het precambium. Hij is de founder van precambium paleobiologie, een fantastische man. Ik corrigeerde de fouten in het artikel (Origin of nucleated cells) en het werd gepubliceerd. We hebben in amber geconserveerde fossielen gevonden van termieten uit het Mioceen (20 miljoen jaar geleden), recenter dan het precambium dus. Daarin zagen we karyomastigonten, structuren die zijn ontstaan doordat langwerpige spirocheten zich deels in archaea-bacteriën hebben geboord.’ Margulis stelt dat het DNA van beide bacteriën zich gemengd heeft en vanuit het endoplasmatisch reticulum voorzien werd van een membraan: de celkern. De langwerpige structuren die buiten de oorspronkelijke archaeabacterie bleven hangen, zijn geworden tot wat we nu cilia (haartjes) noemen.’

Vandaag de dag erkennen vrijwel alle deskundigen dat symbiogenese een rol speelt in de evolutie. Maar voor haar stelling dat dit het enige evolutionaire mechanisme is, krijgt Margulis nauwelijks bijval. De meeste experts blijven erbij dat moeder natuur veel meer trucs aanwendt om genetisch materiaal te veranderen: ze verdubbelt hele stukken DNA, keert ze om, verplaatst ze, brengt er kleine mutaties in aan, enzovoort.

Lynn Marcelis wordt ook beschouwd als de moeder van de Gaia-theorie, genoemd naar de godin van de aarde uit de Griekse mythologie. De Gaia-hypothese beschouwt de aarde als een zichzelf regulerend organisme; Margulis beperkt zich overigens tot een strook van 20 kilometer breedte, 8 km boven en 12 km onder het aardoppervlak. Zo kunnen oceaanalgen met het uitstoten van dimethylsulfide-gas de vorming van wolken stimuleren en zo de hoeveelheid invallend zonlicht reguleren. ‘De Gaia-hypothese stelt dat de samenstelling van reactieve gassen, de zuurgraad, de oxidatietoestand van biologisch belangrijke elementen als koolstof, zwavel, stikstof en fosfor, en de oppervlaktetemperatuur bepaald worden door het leven op aarde. Maar let wel, Gaia is erg complex en er bestaan vele definities.’ Margulis vermoedt nog veel meer Gaia-fenomenen. ‘Dit zijn mijn suggesties voor verder onderzoek: regen is een biologisch fenomeen; de laterale beweging van de tektonische platen; het vergroten van raakvlakken tussen vaste, vloeibare en gasvormen; de kringloopbewegingen van metalen en fosfor; en het behouden van zout in de oceanen.’ Ze is niet de bedenker van Gaia. Wijlen Vladimir Vernadsky opperde het idee, en James Lovelock gaf de hypothese een naam en faam. Margulis: ‘Vernadsky is de grootvader van Gaia, James Lovelock de vader en Peter Westbroek de stiefvader.’ En over de planeet Mars: ‘Eigenlijk zouden we naar Mars moeten. Als wij Mars koloniseren, heeft Gaia zich voortgeplant en is de Gaia-hypothese bewezen.’

Deze Gaia-theorie is niet bepaald een geaccepteerd gedachtegoed binnen de biogeologie. Het Britse wetenschapsblad Nature schreef ooit een vernietigend commentaar over Gaia. Margulis versterkte het zweverig aura dat aan Gaia kleeft. Een filmpje over ‘moeder aarde’ had ze voorzien van een ritmische new age-muziek, zodat ze er zelf overheen moest schreeuwen (‘The earth has a face and it’s name is Gaia’). Het maakte haar presentatie even spannend als surrealistisch.

Daarmee neemt Lunn Marcelis een eigen plaats in in het debat over evolutie en geloof. Ze kiest ogenschijnlijk voor de New Age visie, dat een pseudo-religueze opvatting is over natuur en bovennatuur, zonder daar een helder onderscheid in aan te brengen, en welke de joods-cnristelijke openbaring in bij bel en christelijke (katholieke) traditie terzijde schuift. Het bestaan van een persoonlijke God, schepper van hemel en aarde wordt ontkent evenals zijn zelfopenbaring in de persoon van Jezus, de christelijke filosofie over de relatie natuur en bovennatuur en geloof en wetenschap. Toch was Lynn Marcelis een van de sprekers tijden het door het Vaticaans georganiseerde congres over Biologische Evolutie, begin maart 2009, waar ze vooral op haar symbyogenese-theorie inging, wat als een welkome aanvulling werd ervaren op het enge neodarwinisme met zijn evolutie door toevallige mtaties en natuurlijke selectie alleen.

Bron: Wikipedia/Trouw/De Gids/Kennislink/Bionieuws

Erfelijkheid en evolutietheorie: de visie van paus Pius XII

pius12

De visie van de katholieke kerk op de evolutietheorie kunnen we gedeeltelijk ook terugvinden in een toespraak tot de deelnemers aan het eerste internationale congres voor medische erfelijkheidsleer, gehouden in september 1953. ‘Het karakteristieke van uw wetenschap, waardoor zij zich onderscheidt van andere takken van biologie en geneeskunde, is haar jeugd. Maar niettegenstaande haar jeugd kenmerkt zij zich door een snelle ontwikkeling en door de ver reikende, men zou haast zeggen, vermetele doeleinden, die zij zich heeft gesteld’, aldus de paus in zijn inleiding. Reden voor de kerk om zich uit te spreken. In het gedeelte van de toespraak getiteld: ‘Stand van de moderne erfelijkheidsleer’ gaat de paus in op de evolutietheorie.

Verband tussen erfelijkheidsleer en evolutietheorie

14. Wat de biologie en in het bijzonder de genetica zeggen over de kiemcellen, de erfelijkheidsfactoren, over modificaties, mutaties en selectie gaat boven de individuen in de verschillende soorten uit en raakt ten slotte de kwestie omtrent oorsprong en ontwikkeling van het leven in het algemeen en van het geheel der levende wezens. Men stelt dan deze vraag: Komt dit geheel tot stand door het feit, dat alle levende wezens voortkomen uit een enkel wezen en uit zijn onuitputtelijke kiemkracht langs de weg van afstamming en evolutie op de wijze en onder de invloeden, die boven zijn aangegeven? Het vraagstuk van de grote groepen verklaart, waarom de werken van sommige genetici de erfelijkheidstheorie verbinden met de evolutie. en afstammingstheorie; zij lopen in elkaar over.

De stand van het evolutievraagstuk

15. In de nieuwste werken over genetica leest men, dat niets het verband tussen alle levende wezens beter kan verklaren dan het beeld van één gemeenschappelijke stamboom. Maar tegelijkertijd wijst men er op, dat het daarbij slechts gaat over een beeld, een hypothese, en niet over een bewezen feit. Men meent zelfs er aan te moeten toevoegen, dat, als de meerderheid van de onderzoekers de afstammingsleer als een “feit” aandient, dit een overhaast oordeel is. Men zou heel goed ook andere hypothesen kunnen opstellen. Daarenboven zegt men, dat bekende geleerden dit doen zonder daardoor te willen ontkennen, dat het leven zich ontwikkeld heeft en dat bepaalde vondsten kunnen verklaard worden als preformaties van het menselijk lichaam. Maar, zo gaat men verder, die onderzoekers hebben zo uitdrukkelijk mogelijk aangegeven, dat men volgens hun oordeel nog absoluut niet weet, wat de uitdrukkingen: “evolutie”, “afstamming”, “overgang” werkelijk en precies betekenen; dat men overigens geen enkel natuurlijk proces kent, waarbij een wezen een ander van verschillende natuur voortbrengt; dat het proces, waardoor een soort een andere soort voortbrengt, nog volkomen ondoorgrondelijk blijft ondanks de talrijke tussenvormen; dat men er nog niet in geslaagd is, door experimenten een nieuwe soort uit een andere soort te doen voortkomen; en ten slotte, dat wij absoluut niet weten, op welk moment van de evolutie de hominide plotseling de drempel van het mens-zijn heeft overschreden. Men verwijst verder naar twee bijzondere ontdekkingen, waarover het meningsverschil tot op heden nog niet is opgelost. Het zou hier niet zozeer gaan over de ver gevorderde graad van evolutie bij het ontdekte materiaal, als wel over de datering van de geologische aardlaag. De laatste conclusie, die men er uit trekt, is deze: naar gelang de toekomst de juistheid zal aantonen van de ene of van de andere verklaring, zal de gebruikelijke voorstelling van de menselijke evolutie er ofwel een bevestiging in vinden ofwel men zal er zich een heel nieuwe voorstelling van moeten maken. Men meent te moeten zeggen, dat de onderzoekingen omtrent de oorsprong van de mens pas aan het begin staan; de voorstelling, die men er thans van heeft, zou men niet als de definitieve mogen beschouwen. Ziedaar, wat men zegt over de betrekkingen tussen de erfelijkheidstheorie en de evolutietheorie.

In de daarna volgende ‘principiële beschouwingen’ schrijft de paus eerst over waarheid en waarheidsliefde in de wetenschap en dan over het afstammingsvraagstuk van de mens.

Waarheld en waarheidsliefde in de wetenschap

20. De fundamentele eisen voor wetenschappelijke kennis zijn waarheid en waarheidsliefde.

1. Het begrip “waarheid”

21. Onder waarheid moet worden verstaan de overeenkomst van het oordeel van de mens met de werkelijkheid van het zijn en de werking der dingen zelf, in tegenstelling tot voorstellingen en ideeën, die de geest er in legt. Vroeger heerste en ook tegenwoordig heerst nog een opvatting, volgens welke de boodschap, die de objectieve werkelijkheid van zichzelf geeft, als door een lens in de geest doordringt en in haar loop kwalitatief en kwantitatief verandert. Men spreekt in dit geval van een dynamische gedachte die haar vorm op het voorwerp drukt, in tegenstelling met de statische gedachte die het alleen weerspiegelt, als men tenminste niet in princiep beweert, dat de eerste het enig mogelijke type is van menselijke kennis. Waarheid zou dan op slot van rekening zijn, de overeenstemming van de persoonlijke gedachte met de publieke of wetenschappelijke opinie van het ogenblik. Het denken van alle tijden, steunend op het gezond verstand, en in het bijzonder het christelijk denken zijn zich er van bewust, als wezenlijk beginsel te moeten handhaven: waarheid is de overeenstemming van het oordeel met het in zich bepaalde wezen der dingen, een oordeel dat dus in zich bepaald is, zonder daarmee de gedeeltelijke juistheid te willen loochenen van de bovenvermelde opvatting van de waarheid, die toch in haar geheel vals is. Wij hebben deze kwestie ook aangeroerd in onze encycliek Humani Generis van 12 augustus 1950 en toen de nadruk gelegd op een punt, dat wij menen hier te moeten herhalen: nl. de noodzakelijkheid om de grote ontologische wetten onaangetast te laten, want zonder deze wordt het onmogelijk, de werkelijkheid te begrijpen. Wij denken hier vooral aan de beginselen van contradictie, van voldoende grond, van oorzakelijkheid en van finaliteit.

3. Noodzakelijk onderscheid tussen de feiten en hun verklaring

23. Het onderscheid tussen de zekere feiten en hun verklaring of systematisering is voor de onderzoeker even fundamenteel als de definitie van de waarheid. Het feit is altijd waar, omdat er geen ontologische dwaling mogelijk is. Maar dit zelfde geldt niet zonder meer van de wetenschappelijke uitwerking er van. Hier loopt men gevaar om voorbarige conclusies te trekken of zich in zijn oordeel te vergissen.

4. Voorzichtigheid in het wetenschappelijk oordeel

24. Dit alles vraagt eerbied voor de feiten en voor het geheel van feiten, voorzichtigheid in het uiten van wetenschappelijke stellingen, gematigdheid in het wetenschappelijk oordeel en bescheidenheid, die door geleerden zozeer wordt gewaardeerd en die wordt ingegeven door het bewustzijn van het beperkt menselijk weten. Dit bevordert de openheid van geest en de leerzaamheid van de echte wetenschapsmens, die niet zal vasthouden aan zijn eigen ideeën, als deze onvoldoende gefundeerd blijken. Dit leidt er ten slotte toe om zonder vooroordeel de meningen van anderen te onderzoeken en te beoordelen.

5. Waarheidsliefde

25. Als men zo is ingesteld, dan zal men met eerbied voor de waarheid heel natuurlijk ook liefde voor de waarheid verenigen, d.w.z. de overeenstemming tussen zijn persoonlijke overtuiging en de wetenschappelijke stellingen, door woord en geschrift uitgedrukt.

6. Geen tegenspraak tussen de verschillende wetenschappen

26. Deze eis van waarheid en waarheidsliefde vraagt nog een opmerking in verband met wetenschappelijke kennis: het is zeldzaam, dat maar één enkele wetenschap zich met een bepaald onderwerp bezighoudt. Dikwijls zijn er verschillende, die het behandelen, ieder onder verschillend opzicht. Is echter hun onderzoek juist, dan is ook tegenspraak bij de resultaten niet mogelijk, want dat zou tegenspraak in de ontologische werkelijkheid veronderstellen. Welnu, de werkelijkheid kan niet in tegenspraak zijn met zichzelf. Als er nu ondanks alles toch tegenspraak ontstaat, dan kan deze slechts het gevolg zijn van een onjuiste waarneming of van een verkeerde verklaring van een juiste waarneming, ofwel van het feit, dat de onderzoeker de grenzen van zijn speciaal vak is te buiten gegaan en zich waagde op een terrein, dat hij niet kende. Wij menen, dat ook deze opmerking duidelijk geldt voor alle wetenschappen.

In een hoofdstuk over genetica en openbaring schrijft Pius XII

2. Belangstelling van de theologie voor het afstammingsvraagstuk

30. Wat de afstammingstheorie betreft, de essentiële vraag is hier die omtrent de oorsprong van fysiek organisme van de mens (niet van zijn geestelijke ziel). Terwijl uw wetenschappen zich ijverig bezighouden met dit probleem, heeft de theologie, de wetenschap die de openbaring tot voorwerp heeft, er ook een zeer levendige belangstelling voor gehad. Wij zelf hebben al twee maal, reeds in 1941 in een toespraak tot onze academie van wetenschappen en in 1950 in de bovengenoemde encycliek, aangedrongen op voortzetting van het onderzoek in de hoop, dat men wellicht eens zekere resultaten zal kunnen boeken, want tot nu toe heeft men nog niets definitiefs bereikt. Wij hebben er toe aangespoord, die kwesties te behandelen met de voorzichtigheid en de rijpheid van oordeel, die het groot belang er van eist. Uit de werken van uw speciaal vak hebben wij een citaat ontleend, waarin men, na al de hedendaagse ontdekkingen en de mening van de specialisten hieromtrent te hebben beschouwd, eveneens aanspoorde tot gematigdheid en waarin men een definitief oordeel opschortte.

Besluit

Hoewel deze tekst dus kadert in een genetisch debat kunnen we er een aantal wezenlijke zaken uit leren. Allereerst dat Pius XII een man van voorzichtigheid is die de wetenschap tot gematigde uitspraken aanzet over onbewezen zaken. De waarheid is hem een lief ding en die kan vanuit verschillende disciplines gezocht en gevonden worden en nooit met zichzelf in strijd zijn.

De houding van de katholieke kerk tegenover de ‘positive’ wetenschappen, volgens paus Pius XII

pius12

Diverse pausen hebben zich uitgesproken over de houding van de kerk ten aanzien van de wetenschap. Daarbij onderscheidt men de Openbaringzoals de kerk die ontvangen heeft binnen de joods-christelijke traditie. Hier de visie van Paus Pius XWII in zijn rondzendbrief (encycliek) ‘Humanis Generis’ (1950): ‘over sommige vasle meningen die de grondslagen van de katholieke leer dreigen te ondermijnen’. In het eerste deel van de encycliek gaat hij in op tendenzen en meningen binnen de theologie. In het tweede deel op het onderwerp ‘kerk en filosofie’. In het derde deel komen de ‘positieve’ wetenschappen aan bod.

Houding van de Kerk tegenover feiten en hypothesen van de positieve wetenschappen

35. Ten slotte moeten wij nog iets zeggen over vraagstukken, die wel behoren tot de zogenaamde “positieve” wetenschappen, maar toch min of meer in verband staan met de waarheden van het christelijk geloof. Velen immers eisen nadrukkelijk, dat de katholieke godsdienst zoveel mogelijk rekening zal houden met die wetenschappen. Dit is zonder twijfel uitstekend, waar het gaat over werkelijk bewezen feiten; maar als het gaat over “hypothesen”, die de leer van de heilige Schrift of van de traditie raken, dan moet men hier gereserveerd tegenover staan, al hebben deze hypothesen dan ook min of meer een wetenschappelijke basis. Gaan echter dergelijke hypothesen rechtstreeks of zijdelings in tegen de geopenbaarde leer, dan’ moet men deze eis volstrekt afwijzen.

1. De biologische en antropologische wetenschappen
a. Het evolutionisme.

36. Daarom verzet het kerkelijk leergezag zich er niet tegen, dat de leer van het “evolutionisme” overeenkomstig de tegenwoordige stand van de menselijke wetenschappen en de theologie door voor- en tegenstanders onder de vakmensen nader wordt bestudeerd en bediscussieerd; wij bedoelen de evolutieleer, in zover zij het ontstaan van het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof nagaat, want het katholiek geloof verplicht ons te houden, dat de zielen onmiddellijk door God geschapen worden. Deze studie moet dan zo geschieden, dat de bewijzen voor beide meningen, namelijk van voor- en tegenstanders, met de vereiste ernst, kalmte en gematigdheid worden gewikt en gewogen; onder voorwaarde tevens, dat allen bereid zijn, zich te onderwerpen aan het oordeel van de Kerk, want zij heeft van Christus de taak gekregen, de heilige Schrift met bindend gezag te verklaren en de dogma’s van het geloof te beschermen.

Sommigen echter durven de grenzen van deze vrijheid van discussie te overschrijden; zij doen namelijk, alsof door de tot nu toe gevonden gegevens en de daarvan uitgaande redeneringen reeds als volkomen zeker zou zijn bewezen, dat het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof is ontstaan. Bovendien doen zij het voorkomen, alsof er in de bronnen van de openbaring niets zou te vinden zijn, dat in deze kwestie de grootste gematigdheid en voorzichtigheid eist.

b. Het polygenisme

37. Met betrekking echter tot een andere hypothese, namelijk het zogenaamde polygenisme, hebben de kinderen van de Kerk deze vrijheid volstrekt niet. Want de gelovigen mogen niet die mening aanhangen, waarvan de voorstanders beweren, ofwel, dat er na Adam hier op aarde echte mensen hebben bestaan, die niet door natuurlijke voortplanting van hem als stamvader van allen zijn voortgekomen, ofwel, dat Adam een zeker aantal stamvaders betekent. Het blijkt immers volstrekt niet, hoe deze opvatting is overeen te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid en de akten van het kerkelijk leergezag leren omtrent de erfzonde, die voortkomt uit de door één Adam werkelijk bedreven zonde, en die door de voortplanting op allen overgaat en in ieder mens als hem eigen aanwezig is.

2. De historische wetenschappen
a. De verklaring van de historische boeken van het Oude Testament, in het bijzonder van Genesis 1-11.

38. Zoals op het gebied van de biologische en antropologische wetenschappen, zo zijn er ook op dat van de historische wetenschap mensen, die zich niet storen aan de door de Kerk vastgestelde grenzen en voorgeschreven reserve. In het bijzonder valt hier een bepaalde methode van exegese te betreuren, die een al te vrije verklaring geeft van de historische boeken van het Oude Testament. De aanhangers van deze methode verdedigen zich ten onrechte met een beroep op de brief, die de pauselijke bijbelcommissie kortgeleden heeft gericht tot de aartsbisschop van Parijs. Deze brief immers wijst er nadrukkelijk op, dat de eerste elf hoofdstukken van Genesis wel niet strikt beantwoorden aan de methoden van geschiedschrijving van de grote Griekse en Latijnse geschiedschrijvers en de vakmensen van onze tijd, maar toch in een werkelijke zin, die de exegeten nader moeten bestuderen en omschrijven, tot het historisch genre behoren. De brief wijst er verder op, dat deze hoofdstukken in eenvoudige en beeldrijke taal, aangepast aan de mentaliteit van een weinig ontwikkeld volk, de voornaamste waarheden leren, die voor ons eeuwig heil noodzakelijk zijn, en daarnaast een populaire beschrijving geven van het ontstaan van de mensheid en het uitverkoren volk. Als nu de oude gewijde schrijvers iets hebben ontleend aan volksverhalen, (wat men kan toegeven), dan mag men toch nooit vergeten, dat zij dit gedaan hebben onder invloed van de goddelijke inspiratie en dat zij hierdoor bij het kiezen en beoordelen van die documenten tegen iedere dwaling werden gevrijwaard.

b. Waarheid en eenvoud van de heilige Schrift in tegenstelling met de mythologie.

39. Wat echter in de heilige Schrift is overgenomen uit volksverhalen, mag niet op één lijn worden gesteld met mythologieën en dergelijke, die meer de vrucht zijn van een teugelloze verbeelding dan van een streven naar waarheid en eenvoud. Dit streven is zó kenmerkend voor de heilige boeken, ook voor die van het Oude Testament, dat onze gewijde schrijvers duidelijk de meerderen blijken van de profane schrijvers uit de oudheid.

Tenslotte schrijft de paus een ‘vermaning aan de docenten

42. De docenten aan kerkelijke onderwijsinstellingen moeten weten, dat zij het hun opgedragen leerambt niet in goed geweten kunnen uitoefenen, als zij de doctrinaire punten, die wij hebben uiteen gezet, niet eerbiedig aanvaarden en er zich niet stipt aan houden bij hun onderwijs. Zij moeten de verschuldigde eerbied en onderwerping, die zij bij hun dagelijkse arbeid moeten tonen voor het leergezag van de Kerk, ook in de geest en het hart van hun leerlingen inprenten.

43. Zeker, zij moeten met alle kracht en inspanning de wetenschappen, die zij doceren, vooruit trachten te brengen; maar zij dienen ook de grenzen in acht te nemen, die wij hebben vastgesteld om de waarheid van het katholiek geloof en van de katholieke leer te beschermen. Laten zij de nieuwe vraagstukken, die door de moderne cultuur en ontwikkeling aan de orde zijn gesteld, met alle ijver bestuderen, maar ook met de nodige voorzichtigheid en reserve. Ten slotte, laten zij niet in een vals “irenisme” menen, dat men de andersdenkenden en dwalenden met succes tot de Kerk kan terugbrengen, als men niet eerlijk aan allen De volledige in de Kerk levende waarheid voorhoudt zonder enige misvorming of verminking.

Besluit.

De kerk onder leiding van Pius XII weerhoudt de wetenschap dus niet haar werk te doen en vooruitgang te boeken. Wel waarschuwt zij de wetenschap zich niet op lichte hypothesen te baseren, noch zaken te beweren die tegen de ‘geopenbaarde’ waarheid ingaan. Zo is de mens volgens de openbaring ontstaan uit één ouderpaar en daar wijkt de kerk niet vanaf. Ook verdedigt zij et historisch karakter van de eerste hoofdstukken van Genesis, ook al hoeft blijkbaar niet alles even letterlijk genomen te worden, gezien de tijd waarin de teksten geschreven zijn. De goddelijke inspiratie en de waarheden die er in staan blijven onverkort van kracht.

Biofides 14 mei 2009

Bron: rkdocumenten

De Katholieke Catechismus over de Schepping


scheppingadam_grt

Wat zegt de katholieke kerk over het ontstaan van de zichtbare wereld? We kunnen daarvoor te rade gaan bij het geloofsboek van de katholieke kerk, de katholieke catechismus, een samenvatting van het gehele geloof van de kerk. Dit boek is uitgegeven in 1997 en geeft ons dus een recent beeld van hoe de Katholieke Kerk over dit onderwerp spreekt. De tekst die nu volgt is te vinden in het eerste van de vier delen van de catechismus dat handelt over de geloofsbelijdenis, dus de uiteenzetting van de inhoud van het katholiek-christelijke geloof.

1. God de Vader, schepper van hemel en aarde

Het eerste hoofdstuk van dat eerste deel van de catechismus gaat over het geloof in ‘God de Vader’. In artikel 1 gaat het dan meer specifiek over ‘de schepper van hemel en aarde’. Paragraaf 4 daarvan zegt:

279. “In het begin schiep God de hemel en de aarde” (Gen. 1, 1). Deze plechtige woorden staan aan het begin van de heilige Schrift. De geloofsbelijdenis neemt deze woorden weer op door God de almachtige Vader te belijden als “de Schepper van hemel en aarde”, “van al wat zichtbaar en onzichtbaar is” (Geloofsbelijdenis). Wij zullen daarom eerst spreken over de Schepper, vervolgens over zijn schepping en tenslotte over de zondeval. Hieruit is Jezus Christus, de Zoon van God, ons komen verlossen.

280. De schepping is het fundament van alle “heilzame raadsbesluiten van God”, “het begin van de heilsgeschiedenis”, die haar hoogtepunt heeft in Christus. Omgekeerd werpt het mysterie van Christus een beslissend licht op het mysterie van de schepping; het openbaart het doel met het oog waarop “God in het begin de hemel en de aarde schiep” (Gen. 1, 1) : vanaf het begin stond God de heerlijkheid van de nieuwe schepping in Christus voor ogen.

2. Schepping

Wat verstaat de katholieke kerk onder ‘schepping’ en hoe verhoudt zich dat tot de natuurweteschappelijke kijk op de kosmos en het leven? De catechismus stelt:

282. De catechese over de schepping is van kapitaal belang. Ze betreft de grondslagen zelf van het menselijk en christelijk leven: ze formuleert immers uitdrukkelijk het antwoord van het christelijk geloof op de elementaire vraag die mensen van alle tijden zich gesteld hebben: “Waar komen wij vandaan?” “Waar gaan wij heen?” “Wat is onze oorsprong?” “Wat is het doel?” “Waar komt alles wat bestaat vandaan en waar gaat het heen?” De twee vragen betreffende oorsprong en doel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze zijn beslissend voor de zin en de richting van ons leven en handelen.

283. De vraag naar de oorsprong van de wereld en van de mens is het onderwerp van talrijke wetenschappelijke onderzoekingen die op schitterende wijze onze kennis omtrent de ouderdom en de dimensies van de kosmos, het ontstaan van de vormen van leven, het verschijnen van de mens verrijkt hebben. Deze ontdekkingen nodigen ons uit de grootheid van de Schepper des te meer te bewonderen, Hem dank te zeggen voor al zijn werken en voor het inzicht en de wijsheid die Hij wetenschappers en onderzoekers schenkt. Met Salomo kunnen dezen zeggen: “Hij zelf immers heeft mij gegeven betrouwbare kennis van wat bestaat, zodat ik de bouw ken van het heelal en de kracht van de elementen (…) want de wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht” (Wijsh. 7, 17-21).

284. De grote belangstelling die aan deze onderzoekingen wordt besteed, wordt nog sterk aangewakkerd door een kwestie van een andere orde, die het eigenlijke gebied van de natuurwetenschappen overstijgt. Het gaat er niet alleen om te weten, wanneer en hoe de kosmos feitelijk ontstaan is, noch wanneer de mens verschenen is, maar het gaat er veeleer om, te ontdekken wat de zin van een dergelijke oorsprong is: of dit ontstaan beheerst wordt door toeval, een blind lot, een anonieme noodzaak, of door een transcendent, intelligent en goed wezen, God genaamd. En als de wereld voortkomt uit de wijsheid en de goedheid van God, waarom is er dan het kwaad? Waar komt dit vandaan? Wie is er verantwoordelijk voor? Bestaat er een bevrijding van dit kwaad?

285. Vanaf het allereerste begin is het christelijk geloof betreffende de kwestie van de oorsprong geconfronteerd met antwoorden die afweken van het eigen antwoord. Zo vindt men in de oude godsdiensten en culturen talrijke mythen die betrekking hebben op de oorsprong. Sommige filosofen hebben gezegd dat alles God is, dat de wereld God is, of dat de wording van de wereld de wording van God is (pantheïsme): anderen hebben gezegd dat de wereld een noodzakelijke emanatie van God is, die uit deze bron stroomt en er weer naar terugkeert; weer anderen hebben het bestaan aangenomen van twee eeuwige beginselen, goed en kwaad, licht en duisternis, die in een voortdurende strijd gewikkeld zijn met elkaar (dualisme, manicheïsme); volgens enkele van deze opvattingen zou de wereld (althans de materiële wereld) slecht zijn, voortgekomen uit verval, een wereld die men dus dient af te wijzen of waaraan men voorbij moet gaan (gnosis); anderen geven toe dat de wereld door God geschapen is, maar op de manier van een horlogemaker die, toen hij haar eenmaal gemaakt had, haar aan haar lot overgelaten zou hebben (deïsme); anderen tenslotte, aanvaarden geen enkel transcendent beginsel van de wereld, maar zien er louter het spel in van een materie die altijd bestaan zou hebben (materialisme). Al deze pogingen getuigen van de bestendigheid en de universaliteit van de vraag naar de oorsprong. Dit zoeken is eigen aan de mens.

286. Het menselijk verstand heeft zeker het vermogen reeds een antwoord op de vraag naar de oorsprong te vinden. Het bestaan van God de Schepper kan immers met zekerheid gekend worden door zijn werken, dankzij het licht van de menselijke rede, zelfs al wordt deze kennis dikwijls verduisterd en vervormd door dwaling. Daarom komt het geloof het verstand versterken en verlichten in het juiste begrip van deze waarheid: “Geloof doet ons zien dat het heelal tot stand is gekomen door Gods woord, zodat het zichtbare ontstaan is uit het onzichtbare” (Heb. 11, 3).

287. De waarheid van de schepping is zo belangrijk voor het hele menselijke leven, dat God in zijn liefde, aan zijn volk alles heeft willen openbaren wat met betrekking hiertoe heilzaam is te kennen. Buiten de kennis die iedere mens van nature over de Schepper kan hebben, heeft God aan Israël het mysterie van de schepping geleidelijk geopenbaard. Hij die de aartsvaders uitverkoren heeft, die Israël uit Egypte heeft laten vertrekken en die door zijn verkiezing Israël geschapen en gevormd heeft, openbaart zich als degene aan wie alle volken van de aarde en heel de aarde toebehoren, als degene die als enige “de hemel en de aarde gemaakt heeft” (Ps. 115, 15; Ps. 124, 8; Ps. 134, 3).

289. Onder alle woorden van de heilige Schrift over de schepping nemen de eerste drie hoofdstukken van Genesis een unieke plaats in. Literair gezien kunnen deze teksten verschillende bronnen hebben. De geïnspireerde auteurs hebben ze aan het begin van de Schrift geplaatst, zodat ze in hun plechtig taalgebruik de waarheden over de schepping, haar oorsprong en haar doel in God, haar ordening en haar goedheid, de roeping van de mens en tenslotte het drama van de zonde en de heilsverwachting, verwoorden. Gelezen in het licht van Christus blijven deze woorden, binnen de eenheid van de heilige Schrift en binnen de levende Overlevering van de Kerk, de belangrijkste bron voor de catechese over de mysteries “van het begin”: schepping, zondeval en heilsbelofte.

3. Het mysterie van de schepping

1. God schept in wijsheid en liefde.

295. Wij geloven dat God de wereld heeft geschapen overeenkomstig zijn wijsheid. Ze is niet het product van een of andere noodzaak, van een blind lot of van het toeval. Wij geloven dat ze voortkomt uit de vrije wilsbeschikking van God, die de schepselen heeft willen laten delen in zijn wezen, wijsheid en goedheid. “Want Gij hebt het heelal geschapen: door uw wil ontstond het en werd het gemaakt” (Apok. 4, 11). “Hoeveel is het wat Gij gedaan hebt, Heer, en alles in wijsheid gemaakt” (Ps. 104, 24). “De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte” (Ps. 145, 9).

2. God schept “uit het niet”

296. Wij geloven dat God geen behoefte heeft aan iets wat tevoren al bestond, noch aan enige hulp om te scheppen. De schepping is evenmin een noodzakelijk voortvloeisel (emanatie) van de goddelijke substantie. God schept in vrijheid “uit het niet”. Wat voor buitengewoons zou het geweest zijn, als God de wereld had geschapen uit materie die tevoren bestond? Als men een menselijk vakman materiaal geeft, dan maakt hij daarvan wat hij maar wil. Gods macht wordt echter hierin zichtbaar dat Hij uit het niet schept wat Hij maar wil.

297. De Schrift getuigt van het geloof in de schepping “uit het niet” als een waarheid vol belofte en hoop. Zo moedigt de moeder haar zeven zonen aan tot het martelaarschap: “Ik weet niet hoe jullie in mijn schoot gevormd zijn; niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat, tot een harmonisch geheel geordend, maar de Schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart (…). Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde met al wat ze bevatten en bedenk dat God dit alles uit het niet gemaakt heeft en dat ook het menselijk geslacht op dezelfde wijze is ontstaan”. (2 Makk. 7, 22-23.28).

298. Aangezien God uit het niet kan scheppen, kan Hij ook door de heilige Geest het leven van de ziel geven aan de zondaars door in hen een zuiver hart te scheppen en het leven van het lichaam aan de gestorvenen door de verrijzenis, Hij “die de doden levend maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept” (Rom. 4, 17). En aangezien Hij door zijn woord het licht in de duisternis heeft kunnen laten schijnen, kan Hij ook het licht van het geloof geven aan hen die het niet kennen.

3. God schept een geordende en goede wereld

299. Als God met wijsheid schept, dan is de schepping geordend: “Maar Gij hebt alles naar maat en getal en gewicht geordend” (Wijsh. 11, 20). Geschapen in en door het eeuwig Woord, “beeld van de onzichtbare God” (Kol. 1, 15), is ze bestemd voor en gericht op de mens als beeld van God, 10 zelf geroepen tot een persoonlijke band met God. Ons verstand kan, omdat het deel heeft aan het licht van het goddelijk intellect, begrijpen wat God ons zegt door zijn schepping, maar enkel met een grote inspanning en in een geest van nederigheid en respect ten opzichte van de Schepper en zijn werk. Voortgekomen uit de goddelijke goedheid heeft de schepping deel aan deze goedheid. De schepping is immers door God gewild als een geschenk aan de mens, als een erfenis die voor hem is bestemd en aan hem is toevertrouwd. De kerk heeft herhaaldelijk moeten verdedigen dat de schepping, de materiële wereld inbegrepen, van nature goed is.

4. God overtreft de schepping en Hij is erin tegenwoordig

300. God is oneindig veel groter dan al zijn werken. “Hoger dan de hemel reikt uw majesteit” (Ps. 8, 2), “zijn grootheid is niet te doorgronden” (Ps. 145, 3). Maar omdat Hij de hoogste en vrije Schepper is, eerste oorzaak van al wat bestaat, is Hij in het diepste innerlijk van zijn schepselen aanwezig. “Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn” (Hand. 17, 28). Volgens de woorden van de heilige Augustinus is Hij “dieper dan mijn diepste innerlijk en hoger dan het hoogste van mij”.

5. God houdt de schepping in stand en draagt haar

301. Bij de schepping laat God zijn schepsel niet aan zichzelf over. Hij geeft het niet alleen het zijn en het bestaan, maar Hij houdt het ook in stand op elk ogenblik van zijn bestaan. Hij geeft het de mogelijkheid om te handelen en brengt het naar zijn doel. Het erkennen van onze volledige afhankelijkheid van de Schepper is een bron van wijsheid en vrijheid, van vreugde en vertrouwen.

Want alles wat bestaat hebt Gij lief en Gij verafschuwt niets van wat Gij gemaakt hebt; ja, als Gij iets gehaat hadt, zoudt Gij het niet geschapen hebben. En hoe zou iets in stand zijn gebleven, als Gij het niet gewild hadt, of hoe zou iets behouden zijn, dat door U niet was geroepen? Gij spaart echter alles, omdat het van U is, Gij Heer, die al wat leeft bemint (Wijsh. 11, 24-26).

4. God voorziet

302. De schepping heeft haar eigen goedheid en volmaaktheid, maar ze is niet geheel voltooid uit de handen van de Schepper gekomen. Ze is geschapen in een staat van op-weg-zijn (“in statu viae”) naar een nog te verwachten, uiteindelijke voltooiing, waartoe God haar bestemd heeft. Wij noemen de beschikkingen waarmee God zijn schepping naar deze volmaaktheid leidt, goddelijke voorzienigheid.

303. Het getuigenis van de Schrift is unaniem in deze: de zorg van de goddelijke voorzienigheid is “concreet” en “onmiddellijk”; zij zorgt voor alles, van de kleinste dingen tot de grote gebeurtenissen in de wereld en de geschiedenis. De Schrift bevestigt met klem de absolute soevereiniteit van God in de loop van de gebeurtenissen: “De God van Israël is in de hemel, Hij handelt zoals Hij verkiest” (Ps. 115, 3); en van Christus wordt gezegd: “Als Hij opent, sluit niemand en als Hij sluit, opent niemand” (Apok. 3, 7); “In het hart van een man gaan veel plannen om, maar wat Jahwe besluit, dat komt tot stand” (Spr. 19, 21).

306. God is de soevereine Meester van zijn heilsplan. Maar om dit te verwezenlijken bedient Hij zich ook van de medewerking van zijn schepselen. Dit is geen teken van de zwakheid, maar van de grootheid en de goedheid van de almachtige God. Want God schenkt zijn schepselen niet alleen het bestaan, maar ook de waardigheid zelf te handelen, elkaars oorzaak en grondbeginsel te zijn en zo mee te werken aan de voltooiing van zijn heilsplan.

308. Met het geloof in God de Schepper is onlosmakelijk de waarheid verbonden dat God in elk handelen van zijn schepselen handelt. Hij is de eerste oorzaak die in en door de tweede oorzaken werkzaam is: “God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt om zijn heilsplan te verwezenlijken” (Fil. 2, 13) Door deze waarheid wordt de waardigheid van het schepsel verre van verminderd, integendeel, ze verleent haar meer luister Door de macht, de wijsheid en de goedheid van God uit het niet geschapen, kan het schepsel niets, als het van zijn oorsprong is afgesneden, want “zonder de Schepper verzinkt het schepsel in het niet”; 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36. §3, vert. uit Lat. en nog minder kan het zijn uiteindelijk doel bereiken zonder de hulp van de genade

5. Hemel en aarde

In paragraaf vijf wordt ingegaan op het begrip ‘hemel en aarde’; immers: God heeft niet alleen de zichtbare werkelijkheid geschapen zo gelooft de Kerk, ‘maar ook de wereld van de engelen’. In het tweede deel van deze paragraaf komen we dan uit bij het thema dat ook de evolutietheorie aangaat: de zichtbare wereld.

6. De zichtbare wereld

337. Het is God zelf die de zichtbare wereld, in al haar rijkdom, diversiteit en orde, geschapen heeft. De Schrift stelt het werk van de Schepper symbolisch voor als een opeenvolging van zes dagen van goddelijke “werkzaamheid” die eindigen met de “rust” van de zevende dag (Gen. 1, 1 – 2, 4). De gewijde tekst leert met betrekking tot de schepping waarheden, die door God voor ons heil geopenbaard zijn en die het mogelijk maken “het innerlijk wezen en de waarde van heel de schepping en haar gerichtheid op Gods eer te kennen” (Lumen Gentium 36).

338. Er bestaat niets wat zijn bestaan niet te danken heeft aan God als Schepper. De wereld is begonnen, op het moment dat ze door het woord van God uit het niet geschapen is; alle bestaande wezens, heel de natuur, heel de menselijke geschiedenis wortelen in deze oergebeurtenis: het is de geboorte zelf van de wereld zelf waarbij deze gevormd wordt en de tijd begonnen is.

339. Ieder schepsel heeft zijn eigen goedheid en volmaaktheid. Bij elk van de werken van de “zes dagen” wordt gezegd: “En God zag dat het goed was”. “Krachtens de aard van de schepping zelf bezitten de dingen hun eigen bestaan, hun waarheid en goedheid, hun eigen wetten en orde” (Gaudium et spes 36). De verschillende schepselen, volgens hun eigen wezen gewild, weerspiegelen op hun eigen wijze de oneindige wijsheid en goedheid van God. Daarom moet de mens de eigen goedheid van elk schepsel respecteren om een ongeordend gebruik van de dingen te vermijden, hetgeen een minachting van de Schepper is en rampzalige gevolgen met zich meebrengt voor de mens en zijn milieu.

340. De onderlinge afhankelijkheid van de schepselen is door God gewild. De zon en de maan, de ceder en het bloempje, de adelaar en de mus: het schouwspel van hun oneindige verscheidenheid en ongelijkheid betekent dat geen enkel schepsel aan zichzelf genoeg heeft. Zij bestaan slechts in onderlinge afhankelijkheid om elkaar wederzijds aan te vullen, ten dienste van elkaar.

341. De schoonheid van het heelal: de orde en de harmonie van de geschapen wereld volgen uit de verscheidenheid van de wezens en hun onderlinge verhouding. De mens ontdekt deze geleidelijk als natuurwetten. Die doen de geleerden verwonderd staan. De schoonheid van de schepping weerspiegelt de oneindige schoonheid van de Schepper. Zij moet inspireren tot respect en onderwerping van het verstand en de wil van de mens.

342. De hiërarchie onder de schepselen wordt uitgedrukt door de volgorde in de “zes dagen” die gaat van het minder naar het meer volmaakte. God bemint al zijn schepselen 5 en Hij zorgt voor ieder van hen, zelfs voor de mussen. Niettemin zegt Jezus: “Gij zijt meer waard dan een zwerm mussen” (Lc. 12, 7), of ook: “Wat betekent nu een schaap vergeleken bij een mens?” (Mt. 12, 12).

343. De mens is het hoogtepunt van het werk van de schepping. Het geïnspireerde verhaal brengt dit tot uitdrukking door de schepping van de mens duidelijk te onderscheiden van die van de andere schepselen. (Genesis 1, 26)

344. Er bestaat een solidariteit onder alle schepselen op grond van het feit dat ze alle dezelfde Schepper hebben en dat alle geordend zijn om Hem te verheerlijken.

Geprezen zijt Gij, Heer, met al uw schepselen
vooral zuster zon, die de dag is, en door wie Gij ons verlicht.
En zij is schoon en stralend met grote glans:
van U, Allerhoogste, is zij het zinnebeeld…
Geprezen zijt Gij, mijn Heer, om zuster water,
die zeer nuttig en nederig en kostbaar en rein is…
Geprezen zijt Gij, mijn Heer, om onze zuster, moeder aarde,
die ons onderhoudt en voedt
en verscheidene vruchten voortbrengt
samen met kleurrijke bloemen en gras.
Prijst en zegent de Heer en dankt Hem
en dient Hem in grote nederigheid.
(Sint Franciscus’ Zonnelied)

345. De sabbat – einde van de werkzaamheid van de “zes dagen”. De gewijde tekst zegt dat “God op de zevende dag het werk dat Hij verricht had, tot voltooiing bracht” en dat zo “de hemel en de aarde voltooid werden” en dat God op de zevende dag “rustte”: en dat Hij deze dag zegende en hem heilig maakte (Gen. 2, 1-3). Deze geïnspireerde woorden zijn rijk aan heilzaam onderricht:

346. In de schepping heeft God een fundament en duurzame wetten gelegd, waarop de gelovige vol vertrouwen kan steunen en die voor hem het teken en het onderpand zullen zijn van de onwankelbare betrouwbaarheid van Gods verbond. Van zijn kant zal de mens trouw moeten blijven aan dit fundament en zal hij de wetten die God daarin geschreven heeft, moeten respecteren.

347. De schepping is met het oog op de sabbat, en dus op de eredienst en de aanbidding van God, tot stand gebracht. De eredienst staat in de orde van de schepping geschreven. 10 “Niets boven Gods eredienst stellen” zegt de regel van de heilige Benedictus, waarmee de juiste volgorde van de menselijke beslommeringen aangegeven wordt.

348. De sabbat staat in het middelpunt van de Wet van Israël. Het onderhouden van de geboden is beantwoorden aan de wijsheid en de wil van God, zoals die tot uitdrukking komen in zijn scheppingswerk.

349. De achtste dag. Maar voor ons is een nieuwe dag opgegaan: de dag van Christus’ verrijzenis. De zevende dag voltooit de eerste schepping. Op de achtste dag begint de nieuwe schepping. Zo vindt het scheppingswerk zijn hoogtepunt in het grotere werk van de verlossing. De eerste schepping vindt haar betekenis en haar hoogtepunt in de nieuwe schepping in Christus, waarvan de glans die van de eerste overtreft.

7. De mens

“En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hem” (Gen. 1, 27). De mens heeft een unieke plaats in de schepping: hij is “als het beeld van God” (I); in zijn eigen wezen verenigt hij de geestelijke en de stoffelijke wereld (II); hij is geschapen “man en vrouw”; (III); God heeft hem in zijn vriendschap aangenomen (IV).

I. Als beeld van God

356. Van alle zichtbare schepselen is alleen de mens in staat zijn Schepper te kennen en lief te hebben;” 1 hij is “het enig schepsel op aarde dat om zichzelf door God is gewild”. 2 hij alleen is geroepen door kennis en liefde te delen in het leven van God. Hij is met dit doel geschapen en dit is de diepste grond van zijn waardigheid.

357. Omdat het menselijk individu is als het beeld van God, heeft het de waardigheid van een persoon: hij is niet alleen iets, maar ook iemand. Hij is in staat zichzelf te kennen, zichzelf te bezitten en zichzelf in vrijheid te geven en in contact te treden met andere personen, en hij is door genade geroepen tot een verbond met zijn Schepper, om aan Hem een antwoord van geloof en liefde te geven, dat niemand in zijn plaats kan geven.

II. “Eén naar lichaam en ziel”

362. De menselijke persoon, geschapen naar Gods beeld, is tegelijkertijd een lichamelijk en een geestelijk wezen. Het bijbelverhaal brengt deze werkelijkheid tot uitdrukking in een symbolisch taalgebruik, wanneer het zegt: “God boetseerde de mens uit stof, van de aarde genomen en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.” (Gen. 2, 7) De mens is dus in zijn geheel door God gewild.

363. Dikwijls staat de term “ziel” in de heilige Schrift voor “het menselijk leven” of voor heel de menselijke persoon. Maar hij geeft ook aan wat het diepste wezen van de mens en het meest waardevolle in hem, en eveneens datgene waardoor hij in het bijzonder Gods beeld is: “ziel” betekent het geestelijk beginsel in de mens.

364. Het lichaam van de mens heeft deel aan de waardigheid van “het beeld van God”: het is een menselijk lichaam; juist omdat het bezield wordt door een geestelijke ziel en het de menselijke persoon die in zijn geheel bestemd is om in het lichaam van Christus de tempel van de Geest te worden: Als een eenheid van lichaam en ziel verenigt de mens in zich, juist door zijn lichamelijkheid, de elementen van de stoffelijke wereld, zodat deze door hem hun hoogtepunt bereiken en hun stem verheffen om in vrijheid de Schepper te prijzen. De mens mag dus zijn lichamelijk leven niet minachten, integendeel, hij moet zijn lichaam als door God geschapen en door Hem bestemd voor de verrijzenis op de laatste dag, waarderen en eerbiedigen.

365. De eenheid van lichaam en ziel gaat zo diep dat men de ziel als de “vorm” van het lichaam moet beschouwen, d.w.z. dankzij de geestelijke ziel is het uit stof bestaande lichaam een menselijk en levend lichaam; geest en stof zijn in de mens geen twee met elkaar verenigde naturen, maar hun eenheid vormt een natuur.

366. De Kerk leert dat iedere geestelijke ziel direct door God geschapen wordt: zij wordt niet “voortgebracht” door de ouders; de Kerk leert ons ook dat de ziel onsterfelijk is: zij vergaat niet na haar scheiding van het lichaam bij de dood en zij zal zich opnieuw met het lichaam verenigen bij de uiteindelijke verrijzenis.

367. Soms blijkt de ziel onderscheiden te worden van de geest. Zo bidt de heilige Paulus dat ons “hele wezen, geest, ziel en lichaam, moge ongerept bewaard zijn bij de komst van onze Heer” (1 Tess. 5, 23). De Kerk leert dat dit onderscheid geen dualiteit in de ziel invoert.

368. De geestelijke traditie van de Kerk legt ook de nadruk op het hart in de bijbelse zin van “binnenste” (Jer. 31, 33), waar de mens wel of niet voor God kiest.

Conclusie

Schepping is iets dat met God van doen heeft, een transcendent, boven de natuur staande, eeuwige, persoonlijke god. UIt het niets doet hij de zichtbare werkelijkheid ontstaan. De Bijbel schrijft daarover in beeldrijke taal. We hoeven het verhaal van de schepping in zes dagen van de katholieke kerk niet letterlijk te nemen, maar mogen het symbolisch begrijpen. Hierin wijkt het standpunt van de katholieke kerk dus duidelijk af van dat van de creationisten. Die schepping is niet louter door toeval ontstaan: er is sprake van wijsheid waarin deze geschapen is, ordening, schoonheid, in ontwikkeling, gericht op een doel. De mens geldt als ‘beeld van God’ als hoogtepunt van die schepping, niet iets maar iemand, met een onsterfelijke ziel.

Biofides, 14 mei 2009

Bron: rkdocumenten.nl

Congres in Rome: Evolutietheorie en scheppingsgeloof gaan samen


P1060039.JPG

Rome (Biofides) – Er zijn van die momenten in je leven dat je als bioloog en katholiek christen even ‘uit je dak’ gaat en zo’n moment was het congres Biologische Evolutie: feiten en theorieën, gehouden van 3 tot 7 maart jl. aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ te Rome. Topwetenschappers, filosofen en theologen uit de gehele wereld verzamelden zich om zich over de meest recente ontwikkelingen in de wetenschap en het gelovig denken over evolutie en schepping te buigen. Twee universiteiten stonden garant voor de wetenschappelijke kwaliteit: bovengenoemde Romeinse en de Notre Dame University in et Amerikaanse Indiana. En dat alles stevig ondersteund door het Vaticaan, in het bijzonder de Pauselijke Raad voor de Cultuur en de Congregatie van de Geloofsleer. Eén ding werd in elk geval opnieuw duidelijk: dat de katholieke kerk geen angst heeft voor wetenschappelijke inzichten en van harte bereid is om met de modernste wetenschappelijke inzichten geconfronteerd te worden. Ook als dat zou betekenen dat de mens toch van de aap afstamt.

Nu voor dat laatste, de afstamming van de aap, daarvoor hoefde men dit congres niet te organiseren. Pius XII heeft al gesteld dat de kerk daar geen theologische bezwaren tegen heeft, zolang de schepping van de menselijke ziel ‘direct door God’ maar niet in het geding komt. Hoe we ons de wording van de mens vanuit een gemeenschappelijke voorouders van mens, chimpansee, gorilla en orang-oetang dan verder moeten voorstellen, dat blijft vooralsnog onduidelijk, zij het dat paleontologen toch steeds meer inzicht lijken te krijgen over hoe de hominisatie vanuit één plaats in Afrika, ergens langs de Ethiopische rivier Omo, twee miljoen jaar geleden, als gevolg van veranderende fauna’s en ecosystemen, zoals de Franse paleoantropoloog Yves Coppens veronderstelt, is verlopen.

Maar wat is er nu in feite waar aan die hele evolutietheorie, wat is er ‘bewezen’? Dat een wetenschappelijke theorie aan het criterium van de verifieerbaarheid moet voldoen, gaat voor deze theorie alvast niet op, omdat de tijdschalen van het ontstaan van leven verificatie door experimenten per definitie niet toelaat. Is daarom de hele theorie speculatie, derhalve niet relevant en in het slechtste geval pure onzin? Dat is ook niet vol te houden. Vanuit de paleontologie, maar ook vanuit de moleculaire genetica en de vergelijkende taxonomie voeren wetenschappers te veel aanwijzingen aan voor de juistheid van de evolutietheorie om deze terzijde te kunnen leggen. Dus zonder de evolutie in detail te kunnen bewijzen komen wetenschappers tot de conclusie dat we hier van wetenschappelijke ‘feiten’ kunnen spreken, in de zin dat er dusdanig veel argumenten op evolutie wijzen dat je ‘veilig’ kan aanmenen dat het ook waar is. En ook de katholieke kerk heeft zich in deze zin aan de kant van de wetenschap geschaard, in de eerste plaats omdat de katholieke kerk de wetenschap niet alleen als haar vriend, maar zelfs een beetje als haar kind beschouwt en er niet vanuit gaat dat kind altijd maar liegt, maar eerder geneigd is – net als zijzelf op theologisch en moreel gebied – de waarheid te zoeken, vinden en spreken. Johannes Paulus II heeft daarom zoals bekend in een rede tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen in 1996 de theorie ‘meer dan een hypothese’ genoemd, wat in wetenschapsfilosofische kringen (Karol Woytila was een filosoof) zoveel betekent als dat we ervan uit mogen gaan dat het om een wetenschappelijke theorie gaat, die voor waar mag worden gehouden zolang er geen aanhoudende stroom van waarnemingen en feiten is die de theorie weerspreken.

Maar wat moeten we dan met onze bijbelverhalen, met de creationisten en de aanhangers van Intelligent Design en de relatie met religie in het algemeen? In de eerste plaats wordt aan de meest letterlijke interpretatie van het eerste hoofdstuk van Genesis, het verhaal van de schepping in zes dagen en een rustdag, al sinds de kerkvaders getwijfeld. De heersende opvatting onder bijbelgeleerden is dat het om een liturgische hymne gaat, een gedicht, dat de structuur aanneemt van de zevendaagse week, die dus al bestond toen het lied geschreven werd én het tien maal spreken van God conform de tien ‘woorden’ van God tot Mozes, iets ten onrechte door ons aangeduid als de tien ‘geboden’. Een prachtige poëtische constructie die vooral wil aanduiden, temidden van de vele niet-joodse kosmologische opvattingen van voor onze jaartelling, dat er één God is die verantwoordelijk is voor het bestaan van hemel en aarde, dat we de kosmos en de aarde en het leven dus op moeten vatten als ‘geschapen’ en dat God die schepping volgens een zekere orde heeft geschapen en ‘goed’, tot ‘zeer goed’. Wat haaks stond op de vele elkaar bestrijdende goden en halfgoden en de bedenkelijke aard van de natuurlijke orde, volgens bepaalde opvattingen in de oudheid. Natuurlijk moeten we daar het verhaal van de zondeval en de consequenties daarvan nog wel bijnemen, om als jood, christen of moslim deze wereld met haar kwaad te begrijpen, maar de schepper zowel als de schepping zijn in beginsel zeer goed van aard.

Het al te letterlijk nemen van Genesis 1 past dus niet in de grote traditie van het christelijk denken, en blijkt volgens een Amerikaanse protestantse historicus op het congres ook pas van zeer recente datum te zijn: de negentiende eeuw in bepaalde streng protestantse kringen in Amerika, voornamelijk als reactie op Darwin’s ‘Origin of the Species’. Op het congres wordt het er uit voortvloeiend Creationisme afgedaan als slechte theologie én slechte wetenschap. Het ontkent een overvloed aan bevindingen die wijzen op evolutie over lange perioden en toont voortdurend aan dat nog niet alles is opgehelderd in de evolutietheorie. En het vertrekt van een bijbelinterpretatie die weinig tot geen ankers heeft in de joods-christelijke traditie. Alsof de schrijvers van Genesis een feitenverslag hebben willen geven van de scheppingsdaden van God en we een tekst van eeuwen vóór Christus zouden mogen lezen als een natuurwetenschappelijke tekst met de intenties van een schrijver uit de 19e, 20e of 21e eeuw ná Christus.

Ook Intelligent Design komt er op het congres slecht vanaf. Het gaat hier om een beweging van meestal gelovige wetenschappers, die op een min of meer natuurwetenschappelijke manier willen aantonen – nog zonder succes – dat bepaalde complexe structuren in de natuur niet ‘zo maar’ ontstaan kunnen zijn. Daar moet God op de één of andere manier tussenbeide zijn gekomen. Je komt dat goed beschouwd uit bij een ‘God-van-de-gaten’: wat biologisch niet verklaarbaar is, dat heeft God zélf gedaan door even een duwtje te komen geven om iets tot stand te brengen. Vanuit de theologie wordt het bezwaar aangevoerd dat je God daarmee verlaagt tot een natuurlijke factor in de kosmos. Bovendien zou de kosmos zelf dan niet in staat zijn om te worden wat het geworden is, wat inhoudt dat de door God gegeven natuurwetten niet zouden volstaan. Het is ook deze God-van-de-gaten’ waar de bekende atheïstische bioloog Richard Dawkins tegen in verweer komt, omdat elke keer naar verloop van tijd en wetenschappelijke studie weer blijkt dat die gaten wel degelijk door een natuurlijke verklaring opgevuld kunnen worden. Zodat hij tot de conclusie komt dat dié god niet bestaat. In een lang gesprek tussen Dawkins en de voormalig directeur van de Vaticaanse sterrenwacht, de jezuïet Coyne, onlangs, maakt deze laatste Dawkins er dan ook fijntjes op attent dat hij als katholiek priester ook helemaal niet in dié god gelooft, maar wél in een transcendente God die de eerste oorzaak is van alle bestaan, op een bovennatuurlijk niveau, en het doel ervan, en van wie alle bestaan in de natuurlijke orde afhangt.

Een sleutelmoment in het congres vormde bijdrage van de Franse theologieprofessor Maldamé uit Toulouse, die twee niveaus van oorzakelijkheid duidelijk onderscheidt, de natuurlijke en de bovennatuurlijke. God heeft in de natuur de mogelijkheden gelegd om zich – zeg maar – autonoom te ontwikkelen van atomen en moleculen tot organisch leven en zelfs intelligent leven van de mens. God hoeft niet in te grijpen in de natuurwetten die Hijzelf geschreven heeft, want die natuurwetten, daar mankeert niets aan. Hij zal dat hoogstens af en toe doen en dan spreken we van tekenen en wonderen, zoals Jezus die deed, waarmee God op een uitzonderlijke manier zichzelf wil manifesteren. Maar in de regel laat God de zaken lopen zoals ze lopen. Zelfs toeval speelt daarin zijn rol. Al de Franse bioloogfilosoof Monod zegt dat de wereld niet door God maar door toeval geschapen is, dan zegt Maldamé dat God naast de natuurwetten en de kosmos het toeval aan het universum geschonken heeft als medeconstituerend beginsel. Toeval als geschenk van God! Als de kosmos maar genoeg tijd en ruimte heeft, en dat heeft ze, dan zal onvermijdelijk een sterrenstelsel, een planetenstelsel, een planeet als de aarde, leven op aarde – en misschien ook elders – en de mens ontstaan. Ook de evolutiebiologen op het congres bevestigden dat er veel aanwijzingen zijn op natuurlijk niveau voor deze onvermijdelijkheid van het ontstaan van bepaalde complexe structuren. Zo leveren paleontologen bewijzen voor het op diverse plaatsen in de ‘boom van het leven’ onafhankelijk van elkaar ontstaan van het cameraoog, ons oog. Volgens de biologen van nu vertoont de natuur op alle niveaus, dat van de atomen en moleculen, dat van de weefsels en organen (de ontwikkelingsbiologie speelt daarin een belangrijke rol), symptomen van ‘ingebakken ‘ onvermijdelijkheid van het ontstaan van complexe fenomenen. De mens zou volgens dat inzicht dus uiteindelijk een onvermijdelijk gevolg zijn van de materie en energie waaruit de kosmos, de ruimtetijd waarin wij leven, bestaat. Bovennatuurlijke oorzakelijkheid, het feit dat God het zo gemaakt heeft en laat functioneren, mogen we nooit verwarren met natuurlijke oorzakelijkheid, bijvoorbeeld dat door isolatie van een populatie van een bepaalde soort of door een veranderd milieu er veranderingen in de eigenschappen van een soort ontstaan. Wij moeten erin durven geloven dat alles in de kosmos langs natuurlijke wegen is ontstaan. Er bestaat een zekere afstand tussen God, die geest is en bovennatuurlijk, en ons de natuur, en er is een zekere autonomie van de schepping, een bepaalde vrijheid, die uiteindelijke resulteert in de vrijheid van de mens, die zelfs misschien wel voorwaarde is voor het ontstaan van een wezen met een vrije wil. Wel is er een relatie tussen God en de levende natuur, die van de afhankelijkheid. God is op een discrete maar beslissende manier in zijn schepping aanwezig. Zonder Gods wil zou dit alles niet bestaan. De juiste interpretatie van het ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’ is ook niet zozeer die van een begin in de tijd, ook al blijft ook die interpretatie van kracht, maar vooral van een ten principale voorafgaan van God aan de schepping. God is de ‘eerste oorzaak’ van het bestaan van hemel en aarde’ zoals de oude filosofen al stelden. God is volmaakt en heeft het niet nodig om de wereld te scheppen, maar de overvloed van zijn liefde en goedheid wil zich uitdrukken en daardoor bestaan wij. Dat God daarbij in wijsheid te werk is gegaan spreekt vanzelf. Er is vanuit theologisch oogpunt zeker sprake van een intelligent ontwerp, alleen speelt dat zich niet zozeer af op het natuurlijk niveau van de ‘klokkenmakergod’, die hoogst persoonlijk komt knutselen in de kosmos. Het gaat om een veel hogere wijsheid, ‘design’, die de geschapen natuur haar eigen karakteristieken meegeeft die haar in staat stellen om langs de weg van toevalsprocessen, met vallen en opstaan, ook met fouten, maar nog veel meer met biologische successen hoogontwikkeld leven en de mens te scheppen.

Het congres was een historische gebeurtenis. Voor het eerst in de geschiedenis gingen wetenschappers, filosofen en theologen om de tafel zitten om samen zich diepgaand over de evolutietheorie te buigen. Mensen uit zeer verschillende disciplines, niet alleen katholieken – in het organiserend comité zaten ook twee niet-gelovige wetenschappers – kwamen met elkaar in contact om hun gedachten met elkaar te delen. En het voornemen is om deze fascineerde dialoog een vervolg te gegeven. Maar de grootste verdienste was wellicht dat je voor je ogen zag gebeuren wat Johannes Paulus II als leidraad voor de dialoog geloof en wetenschap heeft geformuleerd: dat de wetenschap de theologie ontdoet van valse godsbeelden die in feite gebaseerd zijn op fenomenen die wij natuurlijk blijken te kunnen verklaren, en dat de theologie de wetenschap ontdoet van afgodendienst aan haar eigen verwezenlijkingen door er op te wijzen dat de eerste, bovennatuurlijke, oorzaak van alle dingen en het uiteindelijke doel, de zin van het bestaan en de onsterfelijke ziel van de mens, niet in de geschapen orde gevonden kunnen worden, maar bij God.

Vincent Kemme
biofides@gmail.com

Stephen Hawking: kosmoloog en atheïst


kn_679090_hawking

Stephen Hawking

- Britse kosmoloog

- Door velen beschouwd als de grootste nog levende natuurwetenschapper van onze tijd

- De eerste was die bewijs vond voor de Big Bang-theorie.

- Specialist op het gebied van zwarte gaten en singulariteiten.

- Auteur van de bestseller ‘A Brief History of Time’ over de stand van zaken in de kosmologie. In 1988 verschenen in Nederlandse vertaling onder de titel ‘Het heelal’.

-  Plaatst godsdienst en wetenschap tegenover elkaar. De wetenschap heeft volgens hem aangetoond dat het universum enkel wordt bestierd door natuurwetten. De idee van een Schepper wijst hij af.

- kan alleen communiceren via een spraakcomputer

- deelnemer aan een bijeenkomst van de Pauselijke Academie van Wetenschappen, oktober 2008 over ‘Wetenschappelijke inzichten in de evolutie van het heelal en het leven’. (foto)

Benedictus zegent Stephen Hawking


kn_679090_hawking

Hilversum (Katholiek Nederland) – Paus Benedictus XVI heeft op 31 oktober in het Vaticaan een korte ontmoeting gehad met de Britse kosmoloog Stephen Hawking. De Heilige Vader bekruiste het voorhoofd van de zwaar gehandicapte Hawking, die door velen beschouwd wordt als de grootste nog levende natuurwetenschapper van onze tijd.

Galileo

Hawking nam deel aan een bijeenkomst van de Pauselijke Academie van Wetenschappen. Benedictus zei bij die gelegenheid dat het geloof in God niet in tegenspraak is met de empirische wetenschappen. Hij haalde daarbij de Italiaanse geleerde Galileo Galilei (1564-1642) aan, de verdediger van het heliocentrische wereldbeeld. Diens overtuiging dat de planeten, de aarde incluis, om de zon draaien, stuitte op weerstand van de Inquisitie. “Galileo zag de natuur als een boek waarvan God de auteur is,” aldus Benedictus.

Big Bang

Hawking was te gast bij een conferentie met het thema: ‘Wetenschappelijke inzichten in de evolutie van het heelal en het leven’. De Brit, die alleen kan communiceren via een spraakcomputer, werd beroemd omdat hij de eerste was die bewijs vond voor de Big Bang-theorie. Hij geldt als de specialist op het gebied van zwarte gaten en singulariteiten.

Atheïst

Hawking schreef de bestseller A Brief History of Time over de stand van zaken in de kosmologie. In 1988 verscheen dit werk in Nederlandse vertaling onder de titel Het heelal. In de inleiding plaatst hij godsdienst en wetenschap tegenover elkaar. De wetenschap heeft volgens hem aangetoond dat het universum enkel wordt bestierd door natuurwetten. De idee van een Schepper wijst hij af.


Vul uw e-mail addres in om u voor deze blog in te schrijven en per e-mail notificaties te ontvangen van nieuwe berichten.

Blog Stats

  • 30,228 hits

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 134 other followers