Tekst van de uitzending op Radio Maria, vijfde in een een serie van vijf.
Aflevering 5 – Deel 1
Introductie
Beste luisteraars van Radio Maria. In deze serie van vijf uitzendingen over de evolutietheorie en het scheppingsgeloof zijn we toegekomen aan de vijfde en laatste uitzending. In de eerste drie heeft Patrick Vandeputte een uiteenzetting gegeven over de stand van zaken rond de evolutietheorie op dit moment. In de vierde uitzending ben ik ingegaan op de verschillen en raakpunten tussen de evolutiebiologie en de scheppingstheologie. Deze uitzending ga ik in op een aantal bekende stromingen die we tegenkomen in de discussie over schepping en evolutie en zal ik ingaan op het standpunt van de Katholieke Kerk. Ik stel mijzelf nogmaals kort aan u voor: Vincent Kemme, voormalig docent biologie aan de Sint-Jozefschool in Tilburg en de Europese Scholen te Brussel. Samen met Patrick Vandeputte nam ik onlangs deel aan het congres ‘Biological Evolution, facts and theories’, gehouden aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ in Rome, wat de directe aanleiding vormde voor deze reeks uitzendingen op Radio Maria. U kunt de tekst van de vijf uitzendingen downloaden van de website radiomaria.nl en na deze uitzending, althans overdag tussen 11 en twaalf uur, telefonisch mij een vraag stellen. Het nummer zal na afloop bekend gemaakt worden. Luistert u naar een herhaling, bijvoorbeeld ’s avonds tussen 9 en 10 uur, dan kunt u helaas geen telefonische vraag stellen. Wel kunt u altijd uw vraag of opmerking sturen naar info@radiomaria.nl. We gaan graag op uw vragen in.
Evolutiebiologie en scheppingtheologie
In de eerste drie uitzendingen heeft Patrick Vandeputte onderscheid gemaakt tussen de evolutie in historische zin en het mechanisme van de evolutie. Van het eerste, de evolutionaire geschiedenis, is het op wetenschappelijke gronden redelijk aan te nemen dat er inderdaad sprake is van een opeenvolging van het verschijnen van soorten op aarde. De theorieën die echter een mechanisme van evolutie voorstellen zijn nog erg onzeker en speculatief. In mijn vorige uitzending heb ik de evolutiebiologie geconfronteerd met de scheppingstheologie qua object en methode. Daarbij komen grote verschillen aan het licht, maar ook belangrijke raakvlakken, namelijk die van de natuur en de mens qua object en die van de redelijkheid qua methode. De twee benaderingen ontkomen er dus niet aan om met elkaar in dialoog te gaan. We kunnen de goddelijke werkelijkheid die zich uit in de geschapen natuurlijke orde niet scheiden van de biologische werkelijkheid, maar we moeten de twee wel heel goed van elkaar onderscheiden. Natuurlijke oorzaken voor natuurlijke verschijnselen moeten helder onderscheiden worden van bovennatuurlijke oorzakelijkheid die komt van God.
In deze uitzending willen we dat nader uitwerken aan de hand van het atheïstisch evolutionisme, het creationisme en Intelligent Design. Tenslotte zullen we zoals aangekondigd nagaan wat de Katholieke Kerk in deze discussie voor standpunten inneemt.
Atheïstisch en maatschappelijk evolutionisme
De formulering van de evolutietheorie heeft in christelijke kringen nogal wat stof doen opwaaien, omdat op het eerste gezicht het leek alsof er een aanval werd gepleegd op de scheppingsgeloof. Voor niet weinig mensen werden heilige huisjes omver gehaald en inderdaad, niet weinigen uit een ander kamp gebruikten de evolutietheorie voor een antireligieuze, atheïstische doeleinden. Immers, nu werd aannemelijk gemaakt dat niet God de wereld had geschapen, maar dat de wereld zichzelf had geschapen door natuurlijke processen die langs de weg van het blinde toeval plaats vonden. Bij nadere bestudering blijkt het echter allemaal wat genuanceerder te liggen. Darwin zelf heeft de evolutietheorie nooit tegenover het geloof in een Schepper willen plaatsen. Hij heeft slechts een biologisch mechanisme voorgesteld om de vorming van aan hun omgeving aangepaste soorten te verklaren, een biologische hypothese dus, die in het geheel niets zegt over het bestaan van God, zijn scheppingswerk en de manier waarop God in de natuur en de evolutie een rol speelt. Dat neemt niet weg dat de evolutietheorie op grote schaal is uitgelegd als een verklaring voor de wereld waarbij het geloof in God overbodig was geworden. Maar indien de evolutietheorie slechts een biologische theorie is kan die atheïstische interpretatie niet anders dan een extrapolatie zijn van de theorie naar het theologisch domein. Een extrapolatie die geen rekening houdt met het feit dat oorzaken in de natuur niet op één lijn gesteld kunnen worden met een bovennatuurlijke oorzaak voor het bestaan van leven. Gods scheppend handelen is uit de aard van God zelf transcendent, bovennatuurlijk, en niet natuurlijk van aard. Als er een natuurlijke oorzaak is te vinden voor het ontstaan van complexe biologische structuren en een grote biodiversiteit, dan zegt dat niets over het bestaan van God en het idee of geloof dat het bestaan zélf van deze verschijnselen ‘van God gegeven zijn’, om het zo te zeggen. God ontkennen op grond van de evolutietheorie, is een god ontkennen die als natuurlijke factor zou hebben opgetreden in het ontstaan van complex leven en nieuwe soorten. Dat is een binnenwereldlijke god, wat in feite een contradictio interminis is: God is per definitie niet binnenwereldlijke. De wereld is een uiting van zijn creativiteit.
Een andere extrapolatie die plaats gevonden heeft is die naar andere wetenschappen, van de sociologie, tot de politiek. Triest dieptepunt daarbij was wel de toepassing van evolutionistische principes in het Nazisme. Tegelijkertijd kan je stellen dat de invloed van de evolutietheorie op het maatschappelijk en politiek denken beperkt is geweest. Voor ons is van belang de evolutietheorie terug te brengen bij wat het is: een beschrijvende en verklarende theorie over het ontstaan van de soorten, geen theologisch of sociologisch denksysteem. Dit aangevuld met het eerder vermelde hoogspeculatieve karakter is er reden te over om de evolutietheorie niet groter te maken dan zij is. En een atheïstisch evolutionisme is eerder een variant van het atheïsme dat een biologische theorie inpalmt voor het eigen doel: te ontkennen dat God bestaat. Atheïsme, wat men er ook over zeggen mag, is in elk geval geen biologie. Na de onderbreking bespreken we het creationisme en Intelligent Design.
Aflevering 5 – Deel 2
Creationisme
Tegenover het atheïstisch evolutionisme, of misschien moeten we zeggen: evolutionistisch atheïsme, staat het creationisme, dat vooral voorkomt in bepaalde protestants-christelijke geloofsgemeenschappen. Wat het creationisme in feite doet is ageren tegen een atheïstisch evolutionistisch wereldbeeld, omdat dat het bestaan van de Schepper ontkent. Daarbij maakt het creationisme veelvuldig gebruik van het feit dat er in de evolutietheorie nog erg veel onopgehelderd is, zoveel, dat je geen creationist of gelovige hoeft te zijn om ernstige bedenkingen bij de theorie te hebben. Patrick Vandeputte is daar in de tweede uitzending uitgebreid op in gegaan. Het creationisme vraagt dus terecht aandacht voor het bijbelse openbaringsgegeven dat God wel degelijk bestaat en de Schepper van hemel en aarde is. Er bestaan echter grote bedenkingen tegen de manier waarop het creationisme dat doet. In de eerste plaats gaan veel creationisten, want ook hier is natuurlijk sprake van een heterogene groep, ten onrechte er van uit te gaan dat de evolutietheorie per definitie atheïstisch is. We hebben denk ik, voldoende aangetoond dat dat een misvatting is. Vervolgens wantrouwen veel creationisten elk wetenschappelijk voorgesteld model dat afwijkt van een ontstaan van de aarde en het biologisch leven in zes dagen van vierentwintig uur. Zij gaan dus uit van een uiterst letterlijke interpretatie van het scheppingsverhaal in Genesis 1, zelfs als diezelfde bijbel, in Genesis 2, een heel andere voorstelling geeft van de historische gebeurtenissen. Er wordt gedaan alsof deze teksten een soort ooggetuigenverslagen zijn van de scheppingsdaden in tijd en ruimte door God, terwijl er ook talloze aanwijzingen zijn dat we deze teksten hoewel niet zonder historische betekenis als teksten moeten begrijpen die ons essentiële geloofswaarheden willen communiceren en niet zozeer feiteninformatie over gebeurtenissen in de zichtbare werkelijkheid. In de exegese, de wereld van de bijbeluitleg, worden heel andere voorstellen gedaan over de aard van deze teksten. Zo zou Genesis 1 opgevat kunnen worden als een liturgisch gezang uit de Joodse eredienst ten tijde van de Babylonische Ballingschap van de zesde eeuw voor Christus, dat de poëtische structuur aanneemt van enerzijds de zeven dagen van de week, die er dus al waren, en anderzijds het tienvoudig spreken van God tegen Mozes op de berg Sinaï, volgens sommigen te dateren op de 14e eeuw voor Christus. Wat daar ook van waar zij: we zouden deze teksten dus vooral allegorisch mogen verstaan en niet bij de exacte historiciteit van de beschreven feiten moeten blijven steken. Een al te letterlijke interpretatie van de twee scheppingsverhalen is minstens zo omstreden als de evolutietheorie zélf en dus een slecht vertrekpunt om de evolutietheorie te bestrijden. Bovendien is het zeker dat bijbelse teksten, ontstaan ver voor het begin van onze jaartelling, niet de pretentie hebben om een natuurwetenschappelijk verantwoord verhaal te vertellen. De natuurwetenschap is immers pas aan het einde van de Middeleeuwen is ontstaan, dus ongeveer tweeduizend jaar later.
Ik kom nog even terug op het bekritiseren door creationisten van de evolutietheorie op haar zwakke plekken. Dat er kritiek op de evolutietheorie in historische én vooral in verklarende zin mogelijk is, is geen nieuws, maar de vraag is of het creationisme op een overtuigende manier die bezwaren kan formuleren, zodat de wetenschappelijke gemeenschap tot een andere consensus komt, en dat is niet het geval. Blijkbaar zijn de geologische en biologische argumenten die het creationisme aandraagt onvoldoende om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen, maar wat erger is, is dat men openlijk religieuze argumenten aanvoert om natuurwetenschappelijke stellingen onderuit te halen. Dat is een ontoelaatbare vermenging van zeer verschillende niveaus van denken, die terecht door de wetenschappelijke gemeenschap, gelovig of ongelovig, verworpen wordt omdat het onredelijk is. Als je een geoloog ervan wil overtuigen dat de aarde maar zes duizend jaar oud is, dan moet je dat doen met klinkende geologische bewijzen, en niet met een bijbeltekst in de hand, hoe waardevol of ‘heilig’ die tekst voor jou ook mag zijn. En als je wil aantonen dat God bestaat en de wereld, hoe dan ook, geschapen heeft, dan moet je met theologische en filosofische argumenten komen, niet met biologische of geologische argumenten.
Dit creationistisch denken heeft te maken heeft met de grote afhankelijkheid van protestantse geloofstradities van de bijbel, als enige bron van openbaringskennis, volgens het principe sola Scriptura. De kerkelijke traditie als tweede bron, waar de bijbelse traditie een centrale plaats inneemt, is de protestantse traditie in feite onbekend, net als het kerkelijk leergezag dat, als dat nodig is, zich bindend kan uitspreken. Het gevolg lijkt dat men zich genoodzaakt ziet zodanig te hechten aan de bijbelse teksten, vanuit de angst dat als men daar ook maar iets van afdoet, bijvoorbeeld de letterlijke interpretatie van bepaalde passages, men dan niets meer overhoudt van het geloof in de Schepper. Die vrees is echter ongegrond. God kan wel degelijk schepper van hemel en aarde blijven als wij de bijbelse scheppingsverhalen meer allegorisch durven te lezen, zonder overigens de historische betekenis geheel en al overboord te gooien. Ook de katholieke traditie gelooft in een begin van de schepping, zoals de bijbel zegt. En de wetenschap lijkt dat beeld te bevestigen als zij besluit tot de zg. Big-Bang theorie, het begin van materie, energie, ruimte en tijd. Beide visies zijn althans “niet met elkaar in strijd”, zoals de Kerk het heeft geformuleerd.
Intelligent Design
Naast het creationisme horen we vandaag veel spreken over Intelligent Design. Dat is een beweging van meestal gelovige wetenschappers die door publicaties, discussieforums enzovoort, gedachten formuleren over een intelligente oorzaak van het bestaan van biologisch leven en de evolutie daarvan. Hoofdargument daarbij is de complexiteit van structuren die we in de natuur aantreffen. Men kan zich niet voorstellen dat bepaalde ingewikkelde structuren, zoals het ‘cameraoog’ zomaar in de geschiedenis van het leven zouden zijn ontstaan. Michael Behe, biochemicus, stelt bijvoorbeeld, dat er structuren bestaan “waarvan geen enkel onderdeel kan worden weggelaten zonder dat het geheel ophoudt met werken”, de zg. onherleidbare complexiteit. Dat zou volgens sommigen inhouden dat deze structuren te complex zijn om verklaard te kunnen worden met behulp van evolutionaire mechanismen. Wat voor weer anderen de deur open zet voor rechtstreekse bovennatuurlijke interventies die tot het ontstaan van dergelijke structuren leiden. We belanden we bij wat men ‘de god van de gaten’ noemt. Daarbij worden nog onverklaarde natuurlijke verschijnselen toegeschreven aan een interventie van God. God zou in de evolutie zo af en toe ‘binnenstappen’ om het proces een duw in de goede richting te geven. Daarmee zou God of op die momenten een ‘wonder’ doen, wat nodig is om zelf ‘bovennatuurlijk’ te blijven, of Hij zou zichzelf maken tot een natuurlijke oorzaak van een levensverschijnsel, wat zijn goddelijkheid en transcendentie in gevaar brengt. Als God de wereld werkelijk ‘goed‘ geschapen heeft lijkt het ons dat er ook geen bijzondere interventies nodig zijn om de natuurlijke orde haar bestemming te voeren, te laten evolueren. God doet alleen wonderen om op een bijzondere manier zijn bestaan en zijn liefde aan mensen te openbaren, en dan nog wel vaak in de zin van een reddend handelen in het menselijk bestaan, zodat er geen aanleiding is te denken dat Hij dat ook zou doen in de evolutionaire geschiedenis, ver voordat de mens bestaat. En stel dat de biologie morgen een natuurlijke verklaring vindt voor een ingewikkeld biologisch verschijnsel, dan houdt de god die tot dat moment als verklaring gold voor dat fenomeen opeens op te bestaan. Voor de atheïstische bioloog Richard Dawkins is dat reden om elk geloof in God te verwerpen. Immers, steeds weer vindt de wetenschap natuurlijke verklaringen voor tot dan toe onopgehelderde zaken, zodat die god van deze gaten steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.
Andere aanhangers van de ID-beweging zeggen dan weer dat ze geen religie binnen de wetenschap willen halen: over de aard van de intelligente oorzaak willen ze zich niet uitspreken; men vraagt alleen aandacht voor de in hun ogen onverklaarbare complexiteit van veel biologische fenomenen, onverklaarbaar door toevallige mutaties en selectiedruk alleen. Wat ons inziens niet uitsluit dat er toch biologische verklaringen voor deze zaken kunnen gevonden worden. Onder evolutiebiologen bestaat redelijk veel erkenning voor het feit dat er in de evolutie complexe structuren ontstaan, zonder dat men precies begrijpt hoe dat kan gebeuren. Het is echter binnen de biologie onacceptabel om een intelligente oorzaak voor te stellen dan wel te ontkennen: de biologie mist de instrumenten om dat te onderzoeken. Een intelligente oorzaak voor complex leven behoort per definitie niet tot de natuurlijke realiteit, maar staat er boven. Het is een filosofische discussie, die gevoed kan worden door inzichten vanuit de theologie. En de theologie verklaart al millennia lang dat de natuur ‘in wijsheid’ geschapen is door een intelligente goddelijke Persoon. Niets nieuws onder de zon dus, als er gespeculeerd wordt over intelligent ontwerp in de natuur, zolang we het geen natuurwetenschap noemen maar filosofie of theologie. En zolang de biologie maar vrij haar weg kan gaan in het vinden van natuurlijke oorzaken voor het ontstaan van biologische verschijnselen. Die oorzaken staan het geloof in een intelligente schepper niet in de weg: deze bedient zich immers van deze mechanismen, waarvan Hij zelf de bedenker is. Van belang is, opnieuw, dat we de niveaus van denken: natuurwetenschap, filosofie en theologie helder van elkaar blijven onderscheiden. De biologie kan geen uitspraken doen over een intelligente ontwerper van de natuur, een filosoof kan er over speculeren en een theoloog kan het bestaan van die Ontwerper bevestigen. Kort samengevat zou men kunnen zeggen dat de ID-beweging belangrijke vragen stelt aan de wetenschap, maar dat niet alle antwoorden die uit deze beweging voorspruiten even gelukkig zijn. We onderbreken even met muziek alvorens verder te gaan met de visie van de Katholieke Kerk op de evolutietheorie.
Aflevering 5 – Deel 3
De visie van de katholieke kerk
De Katholieke Kerk heeft – anders dan men vaak suggereert – altijd een positieve houding ten aanzien van de wetenschap, dus ook de biologie. In feite is de moderne wetenschap in de late Middeleeuwen in hoge mate uit de katholiek-christelijke traditie ontsproten, met mensen als Albert de Grote in Keulen. In haar catechismus van 1992 onder nummer 283 zegt de Kerk over de vraag naar de oorsprong van de wereld en van de mens dat wetenschappelijke onderzoekingen “op schitterende wijze onze kennis omtrent de ouderdom en de dimensies van de kosmos, het ontstaan van de vormen van leven, het verschijnen van de mens verrijkt hebben”. Over eventuele spanningen tussen geloof en wetenschap zegt de Kerk bij monde van het Eerste Vaticaans Concilie dat er “nooit sprake kan zijn van een werkelijke tegenstelling tussen het geloof en het verstand”. En het Tweede Vaticaans Concilie voegt daar aan toe: “Daarom zal het methodisch onderzoek op welk wetenschappelijk gebied dan ook, mits het echt wetenschappelijk (…) geschiedt, nooit werkelijk in strijd zijn met het geloof, omdat de profane werkelijkheden en de geloofswerkelijkheden hun oorsprong hebben in dezelfde God”. Geloof en wetenschap zijn twee wegen die tot dezelfde waarheid voeren; er kan uiteindelijk immers maar één waarheid bestaan. Als er sprake is van tegengestelde opvattingen, dan moet dat het gevolg zijn van fouten in de warnemingen of redeneringen binnen (een van) die wetenschappen, zaken die nader opgehelderd moeten worden. Het zogenaamde conflict tussen geloof en wetenschap is dus slechts een zaak van schijnbare tegenstellingen zijn, van paradoxen. “Geloof en rede”, zegt Johannes Paulus II in de encycliek Fides et Ratio van 1998, “zijn als twee vleugels waarmee de menselijke geest zich verheft om de waarheid te beschouwen”.
De Kerk zal zelf niet snel een wetenschappelijke theorie voor ‘waar’ verklaren, om de simpele reden dat zij geen natuurwetenschappelijke instelling is, zich ook niet competent weet op zuiver wetenschappelijk terrein en zich dus ook niet in het vaarwater van de wetenschap wil begeven. Zij kent de wetenschap een ‘rechtmatige autonomie’ toe, die echter niet kan leiden tot principiële tegenstellingen tussen geloof en wetenschap. Dat is wel eens mis gegaan, in de geschiedenis, met name in de zaak rond Galileo Galilei, toen kerkelijke functionarissen deze wetenschapper veroordeelden op grond van zijn opvattingen over de draaiing van aarde rond de zon en niet omgekeerd. Dat is uiteindelijk door Johannes Paulus II rechtgezet: er had zich een ongelukkige vermenging voorgedaan tussen inzichten in de natuur en inzichten op grond van een letterlijke interpretatie van bepaalde passages van de Bijbel. Omdat Galileo Galilei uiteindelijk gelijk had waar het zijn kosmologisch inzicht aanging, heeft dat de Kerk bij sommigen een anti-wetenschappelijk imago gegeven, een beeldvorming die in feite door vele andere uitingen van de Kerk in overmaat weersproken wordt. Gevolg is dat de dat de Katholieke Kerk in andere natuurwetenschappelijke discussies zoals die rond Darwin’s evolutietheorie uiterst terughoudend is in het doen van wetenschappelijke uitspraken. Wél zal zij hetgeen de wetenschap beweert tegen het licht van de theologie van de openbaring en dat van de filosofie houden. Daarbij wijst de Kerk de wetenschap met enige regelmaat op haar beperkingen. Zo stelde de huidige paus Benedictus XVI nog voor zijn pauskeuze als kardinaal Ratzinger ‘dat het kosmologische en biologische mechanisme van evolutie niet kan verklaren wat de wereld en de mens ten diepste zijn: schepselen van God.’ De theologie, anders gezegd, geeft antwoorden op vragen die de kosmologie en de biologie laten liggen.
Ook ten aanzien van de evolutiebiologie neemt de Kerk dus een positieve en welwillende houding aan. In 1950 heeft zij de evolutietheorie bij monde van paus Pius XII in zijn encycliek Humanis Generis betiteld als ‘een serieuze hypothese’, weliswaar naast andere hypothesen. De Kerk heeft daarbij bijzondere belangstelling voor de schepping van de mens. Deze is immers – zo zegt de scheppingstheologie – ‘naar Gods beeld en gelijkenis gemaakt’. Pius XII stelt dat “het kerkelijk leergezag zich er niet tegen verzet, dat de leer van het “evolutionisme” nader wordt bestudeerd en bediscussieerd, te weten de evolutieleer in zover zij het ontstaan van het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof nagaat. Want het katholiek geloof verplicht ons te houden, dat de zielen onmiddellijk door God geschapen worden.” Pius XII maakt dus een duidelijk onderscheidt tussen de natuurlijke orde van de mens biologisch gezien en de geest of de ziel, die de mens maakt tot een transcendent wezen, die in staat is God te kennen, met hem te communiceren en de biologische dood zogezegd te overleven. Overigens staat hij niet achter het zg. polygenisme, dat stelt “dat er na Adam (…) mensen hebben bestaan, die niet door natuurlijke voortplanting van hem (…) zijn voortgekomen, ofwel, dat Adam een zeker aantal stamvaders betekent”. “Het blijkt immers volstrekt niet”, zo vervolgt hij, “hoe deze opvatting is overeen te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid (…) leren omtrent de erfzonde, die voortkomt uit de door één Adam werkelijk bedreven zonde (…)”. Het is misschien aardig op te merken dat de overheersende opvatting binnen de wetenschap is dat de mens in elk geval op één plaats op aarde is ontstaan en niet op diverse plaatsen. Net als bij de Big-Bang theorie in de kosmologie lijken ook hier geloof en wetenschap elkaar eerder te bevestigen dan tegen te spreken.
Tijdens een catechese over God en de schepping zei Johannes Paulus II in 1985: “Alle onderzoekingen in verband met het leven leiden naar eenzelfde besluit. De evolutie van de levende wezens, waarvan de wetenschap de verscheidene fasen tracht te omschrijven en het mechanisme te doorzien, vertoont een intern finalisme waarvoor men alleen maar in bewondering kan staan”. Daarmee onderkent deze paus dus dat er evolutie heeft plaatsgevonden en duidt hij de wetenschappelijke activiteit als het omschrijven van de evolutiefasen en het achterliggende mechanisme. Voor de doelgerichtheid in de schepping staat de wetenschap echter voor een raadsel.
In 1996 stelde dezelfde paus voor de leden van zijn Academie voor Wetenschappen, dat op grond van ‘nieuwe gegevens’ de evolutietheorie als ‘meer dan een hypothese’ mocht worden beschouwd. Wat zoveel inhoudt als dat de evolutietheorie – in wetenschapsfilosofische termen – neigt naar de status van een wetenschappelijke theorie. En een wetenschappelijke theorie is een breed geaccepteerde en veelomvattende wetenschappelijke opvatting die steunt op vele waargenomen feiten en deeltheorieën. De wetenschappelijke gemeenschap – niet in de eerste plaats door de kerkelijke gemeenschap – houdt zo’n theorie voor ‘waar’ zolang door andere bevindingen het tegendeel niet gebleken is. Daarmee heeft de paus dus duidelijk willen maken, dat de Kerk de evolutietheorie serieus neemt en niet vijandig tegenover de evolutietheorie staat. Wel heeft hij daarbij opgemerkt dat er een veelheid van evolutietheorieën bestaan, en dat niet elke theorie op evenveel steun van de Kerk kan rekenen, afhankelijk van hun filosofische uitgangspunten. Wat de paus daarmee dus niet heeft gezegd, maar wat hem wel in de mond is gelegd, is dat hij daarmee de neo-darwinistische evolutietheorie die uitgaat van een volledig toevallig en ongeleid proces omarmd zou hebben.
Kardinaal Ratzinger, onze huidige paus, heeft als voorzitter van een Internationale Theologencommissie in 2004 een verklaring onderschreven waarin gesteld wordt dat de Kerk “geen probleem heeft met ‘de evolutieleer’ zoals de meeste biologen die voorstaan. En die visie staat gelijk aan het neodarwinisme.” Maar de commissie waarschuwt ook dat “de brief niet gelezen kan worden als een goedkeuring van alle evolutietheorieën, inclusief de neodarwinistische, die nadrukkelijk een oorzakelijke rol van een goddelijke voorzienigheid in de ontwikkeling van het leven ontkennen”. Volgens de commissie “kan een ongeleid evolutieproces – buiten het bereik van de goddelijke voorzienigheid – niet bestaan”. We citeren hier uit een artikel van Kardinaal Schönborn in de New York Times in 2005 enkele maanden na de installatie van kardinaal Ratzinger als Benedictus XVI . In de preek bij zijn inhuldiging zei de kersverse paus: ,,Wij zijn niet zomaar een toevallig en zinloos product van evolutie. Ieder van ons is het resultaat van een gedachte van God. Ieder van ons is gewild, ieder van ons is bemind, ieder van ons is nodig.”
In 2006 was er de bijeenkomst rond de nieuwe paus van de ‘Schülerkreis’ een jaarlijkse reünie van Joseph Ratzinger met studenten die bij hem zijn gepromoveerd toen hij tot 1978 hoogleraar was in Duitsland. Ook kardinaal Schönborn was daar als oud-student bij aanwezig. Een verslag van de lezingen en de discussie verscheen in 2007 in het boek “Schöpfung und Evolution”. Daarin zegt de paus niet te kunnen kiezen tussen het creationisme, dat ,,zich principieel voor de wetenschap afsluit”, en een evolutietheorie, ,,die haar eigen lacunes gladstrijkt en de vragen die de methodische mogelijkheden van de natuurwetenschap te boven gaan, niet wil zien”. Paus Benedictus formuleerde tijdens de discussies de grote vragen die de gangbare evolutietheorie volgens hem openlaat. Ze is niet met experimenten te bewijzen, ,,eenvoudig omdat we geen tienduizend generaties in een laboratorium kunnen krijgen”. Ze gaat uit van geleidelijkheid en kan grote overgangen van de ene diersoort naar de andere, en van dier naar mens, niet verklaren. En de aanname van een ontwikkeling naar steeds complexere en steeds hogere levensvormen is onwaarschijnlijk; de kans dat een soort zich negatief ontwikkelt (degeneratie), is veel groter. Paus Benedictus haalt de uitspraak van Johannes Paulus II uit 1996 aan toen deze stelde dat de evolutietheorie ‘meer is dan een hypothese’, maar voegt daar aan toe dat ,,de evolutieleer nog geen complete, wetenschappelijk verifieerbare theorie is”. Dat is geen correctie op zijn voorganger, want die had dat ook niet beweerd. Men moet in die zaken goed de gekozen woorden wegen. Eerder was al bekend dat Joseph Ratzinger wel gelooft in ‘micro-evolutie’, de ontwikkeling binnen een diersoort, doordat die zich aanpast aan zijn omstandigheden; maar van ‘macro-evolutie’, de ontwikkeling van de ene diersoort uit de andere, is hij veel minder overtuigd. Benedictus vindt dat echter een wetenschappelijke kwestie, waarover de kerk zich niet behoeft uit te spreken. Hij kritiseert vooral op een dieperliggend niveau de evolutietheorie, als deze haar grenzen niet kent: uit de geleidelijke ontwikkeling van het leven leiden evolutionisten zomaar af dat God daarin geen rol speelt en dat het leven enkel van toeval, zinloosheid en het recht van de sterkste aan elkaar hangt. Dat is voor de Kerk een onacceptabele conclusie.
Over creationisme is de Kerk duidelijk: in een document uit 1993 van de Pauselijke Bijbelcommissie, ook onder voorzitterschap van Joseph Ratzinger neemt de Kerk in niet mis te verstane bewoordingen afstand van een te letterlijke interpretatie van de Bijbel: het gaat om een ‘fundamentalistische wijze van Bijbellezing’, is ‘bekrompen’ ‘tegen iedere wetenschappelijk methode voor de uitleg van de Bijbel’, ’heeft de neiging zeer beperkte standpunten in te nemen’. ‘beschouwt een oude voorbije kosmologie als werkelijkheid’, ‘is gevaarlijk’, ‘’brengt mensen ertoe hun denken uit te schakelen’, ‘verschaft een valse zekerheid’, om maar een selectie van de negatieve kwalificaties te citeren. Een allegorische lezing van de eerste hoofdstukken van Genesis is dus niet alleen aanvaardbaar maar zelfs hoogst noodzakelijk voor een goed begrip, zonder daarbij de gehele historiciteit van deze teksten te verwerpen. In het geciteerde boek van de Schüler Kreiz verwijt paus Benedictus het creationisme “de wetenschap niet serieus te nemen”.
Wat betreft intelligent design liggen de zaken wat genuanceerder. Johannes Paulus II zegt in een catechese van 1985. “Die doelgerichtheid (in de natuur) oriënteert de levende wezens in een richting waarvan zijzelf de bewerkers noch de oorzaak kunnen zijn. Wij moeten geloven in een Geest die er de ontwerper en de schepper van is”. Schönborn merkt in zijn brief in de New York Times op dat de term doelgerichtheid synoniem is met de filosofische begrippen ‘uiteindelijke oorzaak’, ‘doel’ of ‘ontwerp’. Hij zegt dus niets over de natuurlijke oorzaken die hierbij een rol spelen, wat het terrein van de natuurwetenschappen is. Op die manier worden biologie, filosofie en theologie op een heldere manier van elkaar onderscheiden. Paus Benedictus wijst in zijn bijdrage aan het boek “Schöpfung und Evolution” ook op de rationaliteit van de natuur: er zijn wetmatigheden, er zit logica in de eigenschappen en de ontwikkeling van planten en dieren, waardoor we de natuur kunnen ‘lezen’ en doorgronden. ,,Dat opent een venster op de Creator Spiritus”, op God als Schepper-Geest. ,,Het is het Bijbelse scheppingsgeloof dat ons de weg tot een beschaving van het verstand heeft gewezen, al hoort het daarbij ook tot de mogelijkheden dat die zichzelf weer vernietigt.” Tegelijk geeft de rationaliteit van de natuur ook weer geen inzicht in Gods plan. Er zijn rampen en er is het raadsel van zoveel lijden, wreedheid en dood in de natuur, aldus de paus. ,,Hier laat het geloof ons de Logos zien, het Woord, dat het scheppende vernuft is en dat ongelofelijk genoeg tegelijk vlees kon worden en kon sterven en opstaan.” Dat er dus in de scheppingstheologie over intelligent ontwerp wordt gesproken is een vanzelfsprekende zaak, en is het ook terecht een onderwerp van filosofische discussie. Maar dat betekent niet dat de Kerk achter elke vorm van ID-denken staat, met name niet achter die stromingen waarbij de natuur haar relatieve autonomie ten opzichte van de Schepper ontnomen wordt.
Daarmee komen we aan het einde van deze vijfdelige serie over evolutie en schepping. Wij hopen dat deze uitzending hebben kunnen bijdragen tot een helderder inzicht in de geloofwaardigheid van de evolutietheorie op zich en haar relatie tot het katholiek-christelijke geloof. En wij danken Radio Maria dat zij Patrick en mij in de gelegenheid heeft willen stellen om onze inzichten, gevoed door de bevindingen tijdens het recente Evolutiecongres in Rome met u hebben mogen delen. Heeft u nog vragen, dan kunt u na deze uitzending, indien u niet ‘s avonds naar een herhaling luistert bellen met Radio Maria. U kunt mij en Patrick Vandeputte ook schriftelijk vragen stellen via het e-mail adres van Radio Maria. Mede namens hem dank ik u hartelijk dat u geluisterd hebt, ook als u niet alle vijf de uitzending hebt kunnen horen. U kunt de tekst van deze vijfuitzendingen nog downloaden van de website. Ondertussen wensen wij u alle goeds en mogelijk tot een volgende gelegenheid.
U hoorde de heer Vincent Kemme in een conferentiereeks over schepping en evolutie bij gelegenheid van het Darwinjaar.