Biofides, over de compatibiliteit van biologie en geloof..

Deze website is het verhaal van een Nederlandse bioloog die tijdens zijn studie in Utrecht God leerde kennen. Wat hij niet voor mogelijk had gehouden omdat hij er niet van wist, is dat God niet alleen bestaat, maar zich ook aan mensen openbaart. God is geen abstracte werkelijkheid, of een product van de menselijke inbeelding, maar een geestelijke persoon die de door Hem geschapen werkelijkheid en de mens liefheeft en zich door de mens laat kennen.

De bioloog komt bij deze ontdekking dan voor een aantal deelterreinen van het menselijk kennen en handelen te staan die niet zelden door een problematisch samengaan van de moderne biologie met het geopenbaarde godsgeloof gekenmerkt lijken te worden. Traditioneel komt dat de kwestie evolutie en schepping in beeld, in recenter tijden aangevuld met verhitte discussies over Intelligent Design. Maar geloof heeft ook iets te maken met doen en laten, en dan kom je uit bij het heikele terrein van de menselijke seksualiteit en vruchtbaarheid en de manier waarop wij er mee omgaan. Een ander ethisch mijnenveld, niet los te zien van het vorige, is dat van de manier waarop wij omgaan met menselijk leven in het prilste stadium, het menselijk embryo, als ook de mens in de terminale fase van het leven. Tenslotte is er het vraagstuk van de menselijke omgang met de schepping, waarbij we denken aan het behoud van de biodiversiteit, natuurbescherming in het algemeen, klimaatbeheersing, etcetera.

Op deze site willen we aan de hand van die vier terreinen, evolutie en schepping, seksualiteit en vruchtbaarheid, begin en einde van het leven, en natuur en milieu, de relatie tussen biologie en geloof onderzoeken. Daarbij is het onze bedoeling om na te gaan of beide manieren van tegen het leven aankijken niet heel goed met elkaar overeenstemmen en elkaar zelfs bevestigen. We proberen dat op een kritische manier te doen, dus niet vanuit een idee om campagne te voeren voor geloof in de bijbel, geen seks voor hert huwelijk, bescherming van ongeboren kinderen, palliative zorg of beperking van de CO2-uitstoot: dan doen anderen. We willen hier liever trachten op grond van redelijke argumenten vanuit de biologie én de openbaringsgodsdienst de bezoeker van deze site tot min of meer onweerlegbare conclusies te laten komen, die zijn denken en handelen dan verder kan bepalen.

Reacties kunt u sturen naar biofides – at – gmail.com.

Vaticaan houdt rekening met buitenaards leven

Hilversum (Katholiek Nederland) – Vandaag is in Vaticaanstad de vijfdaagse conferentie over astrobiologie afgesloten. De studiedagen over eventueel buitenaards leven was belegd door de Pauselijke Academie voor de Wetenschappen.

Evolutie

Astrobiologie is de multidisciplinaire studie van de relatie tussen leven en de rest van de kosmos. De voornaamste kwesties betreffen de oorsprong van het leven, de evolutie van het leven op aarde, de mogelijkheid om het leven naar andere hemellichamen te verplaatsen en het bestaan van leven op andere planeten.

kn_697223_sterrenstelsel
NGC 7331 is een van de miljarden sterrenstelsels in het heelal. Het stelsel is veertig miljoen lichtjaren van ons verwijderd (foto: NASA).

Galilei

De conferentie was belegd in het kader van het Internationale Jaar van de Astrologie, ter herdenking van het feit dat Galileo Galilei 400 jaar geleden een telescoop op de hemel richtte.

Theologische gevolgen
Een van de sprekers op de conferentie was de jezuïet en astronoom José Funes, directeur van de Vaticaanse Sterrenwacht. Hij zei dat astrobiologie een wetenschappelijke discipline in opbouw is. “De astrobiologische vragen hebben veel filosofische en theologische gevolgen. Toch richtte de conferentie zich op het natuurwetenschappelijke perspectief”, aldus pater Funes vandaag tijdens een persconferentie.

Miljarden sterrenstelsels
“De laatste vijftien jaar zijn er dankzij technologische doorbraken meer dan 400 planeten buiten ons zonnestelsel ontdekt”, zei prof. Chris Impey van de Steward Obervatory in Tucson, Arizona (USA), waar het Vaticaan ook een sterrenwacht heeft. “Het is een plausibele schatting dat er honderden miljoenen bewoonbare plaatsen zijn binnen het Melkwegstelsel, dat op zijn beurt slechts een van de miljarden sterrenstelsels in het universum is.”

Implicaties voor ons zelfbeeld
“Als biologie niet uniek is voor de aarde, of als het leven op andere plaatsen biochemisch verschilt van onze versie of als we in het uitgestrekte universum ooit contact zullen maken met een intelligente soort, dan zullen de implicaties voor ons zelfbeeld enorm zijn. Het is terecht dat de Pauselijke Academie voor de Wetenschappen gastheer is van de ontmoeting over dit grensverleggende onderwerp”, aldus Impey.

Pleidooi voor universele ethiek..

BRUSSEL (KerkNet/OSR/Kathpress/Zenit/LaCroix) – Vijf jaar geleden kreeg de internationale theologische commissie van het Vaticaan de opdracht om de natuurwet als fundament van de katholieke moraal opnieuw onder de loep te nemen. Doel was bij te dragen tot de vorming van een universele ethiek. Vorige week publiceerde de commissie haar eindrapport onder de titel: ‘Op zoek naar een universele ethiek’.

Het document kan ontgoochelen voor wie hoopte dat de theologische en filosofische inzichten van de laatste vijftig jaar een plaats erin zouden krijgen. Het denkkader blijft het traditionele kader van Thomas van Aquino. Volgens het natuurrecht kunnen individuen en gemeenschappen in de natuur, in het licht van de rede, basisoriëntaties herkennen voor het ethisch handelen. Toch biedt het document nieuwe oriëntaties die christenen helpen moreel te antwoorden op hedendaagse ethische problemen.

De commissie vertrok van de nieuwe context van mondialisering, die het zoeken naar universele waarden opdringt. Ze stelt een heel open benadering van de natuurwet voor. Allereerst bekijkt ze welke inzichten uit andere religieuze tradities het christelijke concept van de natuurwet bijtreden. Zo wordt duidelijk gemaakt dat het christendom geen alleenrecht heeft op de waarheid over de mens. De commissie gaat ook de geschiedenis van de natuurwet na en stelt vast dat de toepassing ervan niet altijd dezelfde was doorheen de eeuwen. Misschien hebben we ons zelfs wel eens vergist, stelt het document. ”De christelijke theologie heeft bepaalde antropologische toestanden te gemakkelijk gerechtvaardigd in naam van de natuurwet, terwijl ze enkel ingegeven waren door de historische en culturele context.”
De Franse dominicaan en commissielid Serge-Thomas Bonino schrijft in ‘L’Osservatore Romano’: “Er moet een consensus nagestreefd worden over ethisch objectieve en universele waarden om de wispelturigheid van de publieke opinie en manipulatie van regeringen tegen te gaan. Zo wordt een steviger basis gegeven aan de mensenrechten.” De theologische commissie stelt een hernieuwde belangstelling vast voor de zoektocht naar gemeenschappelijke ethische waarden. Die universele ethiek is des te noodzakelijker tegen de achtergrond van de globalisering, de klimaatverandering, de terreur, de georganiseerde misdaad en de gentechniek. Volgens de Vaticaanse theologen moeten principes die uit het natuurrecht worden afgeleid de basis vormen voor “de samenwerking van alle mensen van goede wil, ongeacht hun religieuze overtuiging”.

Klimaatsverandering vergt een nieuwe globale ethiek

KlimaatveranderingBRUSSEL (RKnieuws.net) – Caritas internationalis heeft een rapport gepubliceerd waarin wordt opgeroepen tot een nieuwe en globale benadering van de huidige klimaatswijzigingen. Het rapport, getiteld “Klimaat rechtvaardigheid: op zoek naar een globale ethiek”, vraagt aandacht voor de ethische, morele en theologische dimensies van de milieuproblemen, want “de wetenschappelijke en economische aanpak ervan is belangrijk, maar niet voldoende”.

“Het rapport ontwikkelt duidelijke morele argumenten, gebaseerd op de bijbel en op de sociale leer van de katholieke kerk. Wij moeten de enge persoonlijke en nationale belangen overstijgen en het algemeen welzijn voor ogen houden. Wij moeten daarom radicaal het roer omgooien om de uitdagingen van de toekomst het hoofd te bieden. De wetenschap en de economie zijn duidelijk over de beteugeling van de klimaatsverandering, maar om écht succes te boeken is een bescheidener levensstijl van ons allemaal vereist. De komende VN-klimaattop in de Deense hoofdstad Kopenhagen (7-18 december 2009) biedt de wereldleiders een unieke kans om de noodzakelijke maatregelen te nemen, die de negatieve gevolgen van de klimaatsverandering wegnemen”, zegt kardinaal Oscar Maradiaga (foto), voorzitter van Caritas Internationalis.

De Derde Wereld

Klimaatsverandering bemoeilijkt de humanitaire hulp en het ontwikkelingswerk van de 163 aangesloten leden van het Caritas-netwerk, die in de toekomst met steeds meer noodsituaties zullen worden geconfronteerd. De klimaatsverandering is ook deel gaan uitmaken van het dagelijkse leven van de armen in de Derde Wereld. In een recente opiniepeiling van Caritas in de ontwikkelingslanden zegt 90% van de deelnemers dat ze belangrijke wijzigingen van het weer hebben ondervonden en 95% stelt ongunstige wijzigingen vast in het neerslag-patroon.

“Het is een structureel onrecht dat degenen die het minst hebben bijgedragen tot de klimaatsverandering, nl. degenen die leven in minder ontwikkelde en minder geïndustrialiseerde gebieden, het meest te lijden hebben aan de kwalijke gevolgen ervan. Wegens hun aanzienlijke rijkdom, technologische vernuft en ondernemingszin moeten de ontwikkelde landen niet enkel grotere inspanningen leveren om oplossingen te vinden, maar de armere landen ook tonen hoe ze zich kunnen ontwikkelen op een ecologisch verantwoorde manier”, lezen we in het rapport.

Solidariteit

In haar inleiding op het rapport schrijft Lesley-Anne Knight, secretaris-generaal van Caritas Internationalis: “De economische en technologische lasten bij de aanpak van de klimaatsverandering zullen hun prijs hebben. Het is maar normaal dat de rijke industrielanden het leeuwenaandeel van het prijskaartje betalen. Deze landen zijn immers grotendeels verantwoordelijk voor de productie en de uitstoot van schadelijke gassen. Zij zijn het die het meest hebben geprofiteerd van de groei en ontwikkeling, die leidden tot de opwarming van de aarde, het zogeheten broeikaseffect. De beleidslieden daar zullen moeten blijk geven van véél politieke moed om de bevolking aan te zetten tot een verminderd consumptiegedrag. Het ingang doen vinden van een lagere levensstandaard levert nu eenmaal geen electorale winst op!”.

Caritas in Veritate

L.-A. Knight verwijst naar de recente encycliek van paus Benedictus XVI, “Caritas in Veritate”, waarin echte solidariteit wordt omschreven als “een besef van verantwoordelijkheid van iedereen tegenover iedereen. Rechtvaardigheid en naastenliefde veronderstellen het streven naar het algemeen welzijn.”

Volgens het Caritas-rapport moeten de uitwassen in de ontwikkelde landen worden beteugeld en vervangen door een besef van de eindigheid van de beschikbare natuurlijke rijkdommen. De rijke industrielanden, die deelnemen aan de aanstaande milieutop van Kopenhagen, worden aangespoord om een doeltreffende en juridisch bindende overeenkomst te sluiten over een verminderde uitstoot van schadelijke broeikasgassen. Tegelijk wordt van hen méér financiele en technologische steun aan de armste landen verwacht, zodat deze zich kunnen aanpassen aan de hardere weersomstandigheden.

De zaak Galileo Galileï: conflict tussen geloof en wetenschap? Wat feiten.

galileo_galilei

Galileo Galilei (1564-1642) was een Toscaanse wiskundige en astronoom die met wiskundige methoden de Copernicaanse kosmologie verdedigde: niet de aarde maar de zon is middelpunt van het heelal. Hij werd geboren in Pisa en maakte als eerste gebruik van een telescoop. Daarmee ontdekte hij onder meer dat er vier manen om de planeet Jupiter heen draaide.

In 1616 werd Galilei echter aangeklaagd door de dominicaan Tommaso Caccini en in 1633, na een lang proces veroordeeld door de kerkelijke Inquisitie. Hij kreeg levenslang huisarrest, zijn werken belandden op de index, de kerkelijke lijst van verboden boeken en hij moest drie jaar boetepsalmen bidden. Hij werd echter niet veroordeeld tot de brandstapel, in tegenstelling tot Giordano Bruno, die intussen net als Galileo Galilei eerherstel kreeg van het Vaticaan. Dat betekende dat Galelei niet werd verketterd door de kerk, maar wel dat hij in ongenade was gevallen. Paus Urbanus VIII, een studiegenoot van Galilei heeft het vonnis echter nooit ondertekend. In 1642 oerleed Galilei in zijn gevangenschap in Arcetri.

Volgens vele historici gaf de veroordeling van Galileo Galilei aanleiding tot de breuk tussen geloof en wetenschap. Eeuwenlang was die wetenschap, net zoals de filosofie, de dienstmaagd van theologie geweest. Na Galilei zou de wetenschap steeds sterker haar eigen weg gaan en groeide de kloof tussen geloof en wetenschap.

Het heeft geduurd tot 1835 voor het Vaticaan het heliocentrische wereldbeeld van Galilei officieel heeft bijgetreden.

Op 10 november 1979 vroeg de paus Johannes Paulus II, ter gelegenheid van de herdenking van de 100e verjaardag van de geboorte van Albert Einstein, aan wetenschappers en geleerden om het geval van Galileo Galilei opnieuw grondig te bestuderen. De commissie die daarvoor opgezet werd onder leiding van kardinaal Paul Poupar, voorzitter van de Pauselijke Raad voor de cultuur, publiceerde haar conclusies in 1992. Al 1984 heeft het Vaticaan al de procesakten uitgeven, maar deze uitgave bleek door nieuwe vondsten in de Vaticaanse archieven vele hiaten te bevatten.

Tijdens het Jubeljaar 2000 kreeg de Italiaanse natuurwetenschapper opnieuw eerherstel. Dat gebeurde nadat de paus iets vroeger in de encycliek Fides et Ratio had opgeroepen om de dialoog tussen geloof en wetenschap aan te gaan – nadat beiden eeuwenlang beschouwd werden als elkaars concurrenten.

In 2001 werpen documenten die in de archieven van het Vaticaan ontdekt werden een nieuw licht op de veroordeling van Galilei. De ontdekking van een anoniem getuigenis, gedateerd vijf jaar (1628) voor de veroordeling van Gaililei, werd door de Spaanse historicus Mariano Artigas gedaan. Het getuigenis klaagt Galilei aan omdat hij zich in zijn in 1623 gepubliceerde werk ‘Il Saggiatore’ aansluit bij het atomisme, de voorloper van de atoomtheorie. Dat atomisme verwerpt de substantieleer die sinds Aristoteles verdedigd werd. Die substantieleer leverde de basis voor de transsubstantiatieleer van brood en wijn in de eucharistie. De nieuwe ontdekking zou de gangbare opvatting tegenspreken dat Galilei niet zozeer voor zijn natuurwetenschappelijke inzichten veroordeeld werd, maar wel wegens zijn filosofisch-theologische inzichten.

In 2003 verwierp Aartsbisschop Angelo Amato verwerpt in een opvallend gesprek met het Italiaanse katholieke weekblad ‘Famiglia Cristiana’ de algemeen aangenomen stelling dat Galileo Galilei vervolgd werd omdat hij ervan overtuigd was dat de aarde rond de zon draaide. De secretaris van de Congregatie voor de Geloofsleer benadrukte dat de beschuldigingen dat Gailileo werd opgesloten en zelfs gefolterd werd op niets berusten. De populaire wetenschapper werd door de Kerk ook altijd goed behandeld. Zijn appartement was volgens aartsbisschop Amato de verblijfplaats van de openbare aanklager – een van de hoogste verantwoordelijken van de kerkelijke Inquisitie – en hij werd er bijgestaan door zijn eigen dienaar. Gedurende de rest van zijn verblijf in Rome was hij de gast van de ambassadeur van Firenze in de Villa de Medici. “Toen Galileo in 1610 Sidereus Nuncius publiceerde – waarin hij de stelling verdedigde dat de zon in het centrum staat van het heelal – kreeg hij niet enkel applaus van de belangrijke astronoom Johannes Kepler, maar ook van de jezuïet Clavius, de auteur van de Gregoriaanse kalender (…) Hij had zelfs succes bij de kardinalen in Rome, die allen een blik wilden werpen door zijn alom gekende telescoop.”

Ook in 2003 presenteerde de Amerikaanse professor Thomas Lessl, van de Universiteit van Georgia in de ‘New Oxford Review’ een eigen versie van het geval van Galileo Galileï en zijn relatie met de katholieke Kerk. “De katholieke Kerk”, aldus Lessl, “steunde de Italiaanse wetenschapper al van bij de start van zijn wetenschappelijk onderzoek en prees hem van het begin af de hemel in.” Later kwamen er wel spanningen, maar die hadden vooral te maken met achterliggende machtsintriges en nog later werd een “aangepaste lezing” van de feiten gebruikt voor ideologische doeleinden, onder meer om de wetenschap meer zelfstandigheid te geven. Lessl verwijst naar een historische verwarring tussen het lot van Giordano Bruno en dat van Galileo. Bruno werd door de Inquisitie ter dood veroordeeld, maar dat was niet voor zijn wetenschappelijke visie of zijn steun aan de Copernicaanse revolutie, maar wel omdat hij het ‘hermeticisme’ – de middeleeuwse variant van new age, met zijn pantheïstische model van oneindige werelden – verkondigde. “Ik ken slechts een geval van een wetenschapper die daarvoor vóór de twintigste eeuw tot de doodstraf veroordeeld werd – totdat dit aantal door de nazi’s en sovjetregeringen aanzienlijk werd opgedreven.” Volgens Lessl was dat de chemicus Antoine Lavoisier, die onder de Franse Revolutie naar de guillotine werd gezonden. “Maar ook toen was de aanklacht eerder politiek, dan wetenschappelijk.” Wat er vaak niet bij verteld wordt, is dat Galileo ondanks alle weerstand – ook binnen de katholieke Kerk – tot aan het einde van zijn leven de katholieke Kerk trouw bleef. Professor Lessl wijst er ook op dat het verzet in kerkelijke kring niet van geestelijken, maar van seculiere academici kwam, die veel meer te verliezen hadden dan de Kerk als Galileo’s visie correct was. Volgens Lessl maakt dit feit het trouwens erg plausibel dat net zij achter de uiteindelijke veroordeling zaten. Hij onderstreept ook dat het werk ‘De Revolitionibus Orbium’ van Copernicus ruim zeventig jaar lang zonder noemenswaardige problemen gedrukt werd. Pas toen geraakte het op de index. “De bijbelinterpretatie van Galileo lag volledig in de lijn van de leer van de katholieke Kerk. Maar er was een ander vervelend iets, dat meer verontrustend was: hij verdedigde de stelling dat als de wetenschappelijke bevindingen strijdig zijn met de letterlijke beschrijving van de bijbel, wetenschappers onafhankelijk moeten kunnen beslissen wat de bijbel betekent.” Dat kwam neer op de persoonlijke interpretatie van de bijbel, en dus de protestantse visie die uitdrukkelijk verboden werd door het Concilie van Trente. De moeilijkheden van Galileo kunnen volgens Lessl op die strijd teruggevoerd worden, al valt het volgens hem niet te verwonderen dat er daarover in de wetenschapsboeken niet gesproken wordt.

In 2008 zei Benedictus XVI in een toespraak tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen: “Galileo zag de natuur als een boek waarvan God de auteur is” en werd een congres gewijd aan’De wetenschap 400 jaar na Galilei’. 2009 werd door de Verenigde Naties uitgeroepen tot Jaar van de Astronomie, herinnerend aan het eerste gebruik van een telescoop door Galilei, 400 jaar geleden. In verband met de herziene publicatie van de processtukken rond Galilei zei pater José Gabriel Fune sj., hoofd van de Vaticaanse sterrenwacht in januari: “Door Galileo Galilei is het inzicht gegroeid dat men de bijbel niet letterlijk moet verstaan. Bovendien is het conflict met Galilei een les geweest voor de toekomst toen de Kerk met nieuwe wetenschappelijke opvattingen en culturele uitdagingen geconfronteerd werd waar zij niet direct antwoord op had.” Volgens pater Funes kan de moderne astronomie helpen dichter bij geloofsvragen te komen. “Het feit dat de aarde zich bevindt in een universum van 100 miljard sterrenstelsels doet de mens zijn broosheid en afhankelijkheid van zijn Schepper erkennen”. En in april van datzelfde jaar stelde kardinaal Paul Poupard, voorzitter emeritus van de Pauselijke Raad voor Cultuur: “Dit soort mythen blijven vaak eeuwenlang bestaan en zijn moeilijk uit te roeien. Tot op vandaag worden deze bizarre ideeën, waarvoor geen basis bestaat, verspreid. Het was belangrijk dat wij er een onderbouwd antwoord op formuleerden. De Kerk is geen vijand van de wetenschap.” En Mgr. Sanchez de Toca, vicesecretaris van de Pauselijke Raad voor de Cultuur: “De rechters die Galileo destijds beoordeelden, vergisten zich niet alleen omdat zij dachten dat de aarde niet bewoog, maar ook omdat zij een oordeel uitspraken dat hun competentie te buiten ging. Zij dachten dat het Copernicaanse wereldbeeld, dat ook door Galileo verdedigd werd, het geloof van de gewone mens aan het wankelen bracht en daarom niet mocht onderwezen worden. Dat was een vergissing. Het is belangrijk dat ook dat erkend wordt.”

In juli 2009 is dan de nieuwe historisch-kritische uitgave van de procesakten van Galilei gepubliceerd met daarin alle al bekende documenten uit de archieven van het Heilig Officie, voorganger van de Congregatie voor de Geloofsleer en een twintigtal nieuwe documenten die na 1991 in het archief werden teruggevonden. Die documenten dateren allen van 1616, het jaar waarin de dominicaan Tommaso Caccini de wetenschapper aanklaagde, tot 1741, het jaar waarin paus Benedictus XIV de bouw toestond van een grafmonument in de Heilig Kruisbasiliek in Firenze. Bovendien bevat de uitgave een toelichting op de historische context. Mgr. Gianfranco Ravasi, voorzitter van de pauselijke raad voor Cultuur: “Het (de publicatie) is allesbehalve een excuus voor de door de geschiedenis als historische blunder aangemerkte veroordeling van de beroemde astronoom”. Pater George Coyne sj., astronoom en voormalig directeur van de Vaticaanse sterrenwacht verklaarde bij die gelegenheid tegenover Radio Vaticaan dat de zaak Gailileo met de publicatie van dit boek nu afgehandeld is. “De katholieke Kerk leverde met drie decennia historisch onderzoek van de processen tegen de wetenschapper haar bijdrage.” Ter verdediging voegt Coyne eraan toe dat in de tijd ook in niet-kerkelijke kringen vele misverstanden bestonden met betrekking tot de natuurwetenschappen, die nog maar in hun kinderschoenen stonden. Van een doorgedreven Bijbelexegese was in die tijd al helemaal geen sprake.

In oktober 2009 werd in het Vaticaanse Museum tentoonstelling ‘Astrum 2009’geopend ter gelegenheid van de vierhonderdste verjaardag van Galileo’s telescoopwaarnemingen. De 130 voorwerpen van de expo werden voor het eerst publiek tentoongesteld. Naast telescopen en andere astronomische apparaten uit de tijd van Galileo tot heden, kunnen bezoekers tevens kennis maken met enkele originele tekeningen van de eerste waarnemingen van Galileo Galilei van het maanoppervlak. De tentoonstelling, die samenvalt met het internationaal ‘Jaar van de Astronomie’, is nog te zien tot 16 januari 2010. ‘Astrum 2009’ werd mogelijk dankzij de samenwerking van het Vaticaan, het Italiaanse Nationaal Instituut voor de Astrofysica en de Vaticaanse Musea. Tijdens de opening zei de curator van de expo, Ileana Chinnici, dat het Vaticaan en Italië over de rijkste collectie astronomische waarnemingsapparatuur ter wereld beschikken. “De verschillende pausen en Italiaanse staten steunden allen de observatoria. Daardoor werd een indrukwekkend aantal historische instrumenten en documenten verzameld.”

Doelgroepen Biofides

People

Biofides wil inzichten met u delen op het raakvlak van biologie en geloof. Het is eeninitiatief van een gewezen biologieleraar, katholiek christen, gehuwd en vader van zes kinderen, waarvan de oudsten reeds het ouderlijk nest hebben verlaten.

Tot wie wil Biofides zich richten?

- leerlingen en studenten in het middelbaar, hoger en universitair onderwijs
- leraars en professoren in het middelbaar, hoger en universitair onderwijs
- verplegend personeel en artsen
- samenwonenenden, verloofden en gehuwden
- pastores, priesters, bisschoppen en religieuzen
- beleidsmakers en politici
- journalisten en opiniemakers
- …

U kan zich bij ons bekend maken, een vraag stellen of een opmerking achterlaten door een mail te sturen naar biofides@gmail.com. Uw bericht wordt zeer op prijs gesteld.

Het statuut van het embryo


menselijk embryo

Voor tal van medische proefnemingen worden menselijke embryo’s gebruikt en dus vernietigd. Jezuïet Alain Mattheeuws is bioloog, theoloog en docent aan het ‘Institut d’Etudes Théologiques’ in Brussel. Aansluitend bij het interview met K.U.Leuven-rector Mark Waer in Tertio nr. 501 legt hij uit waarom christenen daar een probleem voor de menselijke waardigheid in zien.

Alain Mattheeuws | Tal van bio-ethische vragen passeren op het kruispunt van intelligentie en hart. De antwoorden moeten daar worden gevonden. Als het menselijke embryo alleen maar wat biologisch materiaal was, vreemd aan ons lichaam en de symboliek van het mens-zijn, zouden wij het gemakkelijk kunnen aanwenden voor van alles en nog wat, met de bedoeling goed te doen. Maar als het om ‘iets anders’ gaat, dat tegelijk dichter en verder van ons afstaat, dan wordt de manier waarop we ermee omgaan onvermijdelijk een ethische knoop. Gaat het om een doel of om een middel voor onze reflectie, voor ons onderzoek, voor ons handelen? Vertegenwoordigt het ‘de ander’, die in waardigheid aan ons gelijk is? Ook al ziet het er lichamelijk helemaal anders uit?

Het oneindig kleine
Ik hanteer de taal van de theologie om het mysterie van het menselijke embryo te benaderen. Hoe kunnen we duidelijk maken dat een nieuw menselijk wezen uiteindelijk maar kan ontstaan door een scheppende daad van God zelf? Het oneindig grote en het oneindig kleine behoren de Schepper toe, die aanwezig is in het mysterie van zijn schepselen. Is hij niet immanent in alles, en zeker in ieder levend wezen?

Voor de christen is de schepping een gratuite daad van God. God stelt immers een verbond in met het geschapene, een persoonlijke en gratuite band. Ieder menselijk wezen wordt in zijn oorsprong voorafgegaan door een goddelijke welwillendheid, die hem laat leven in verbondenheid. Het Tweede Vaticaans Concilie spreekt over de mens als “het enige schepsel op aarde dat om zichzelf door God is gewild” (Gaudium et Spes, 24). Johannes Paulus II zegt het in zijn Brief aan de gezinnen als volgt: “De conceptie en de wording van de mens beantwoorden niet alleen aan de wetten van de biologie, ze beantwoorden direct aan de scheppende wil van God.” God heeft de mens ‘gewild’ van in den beginne en God ‘wil’ hem als een wezen dat op hem gelijkt, als een persoon. Die mens, en iedere mens, wordt ‘om zichzelf’ door God geschapen.

Die wil van God is noch een concept, noch een idee. Er bestaan geen mini-embryo’s, geen potentiële schepselen, geen zielen die wachten op eventuele verwekkingen. De liefde van God voor zijn schepselen is persoonlijk. Zijn scheppende macht maakt deel uit van het verhaal en de vrijheid van de mens. Zijn macht vergezelt dus die menselijke daden die de verwekking van een nieuw mensenleven mogelijk maken. Immanent wanneer de echtgenoten gemeenschap hebben, maar ook bij de processen die een bioloog in gang zet wanneer hij een eicel bevrucht met een spermatozoïde. God is niet afzijdig bij de menselijke daden die een nieuw menselijk individu doen ontstaan.

God laat zich raken
God is wel degelijk aanwezig. Hij is altijd aanwezig in dat ‘embryonale lichaam’ dat wordt gevormd onder verantwoordelijkheid van andere menselijke wezens. Hij laat zich als het ware ‘raken’ en ‘leiden’ door die personen die een embryo verwekken, of het nu gaat om de vrije beslissing van een koppel of die van een arts. Maar zodra het ‘embryonale lichaam’ verschijnt, in welke omstandigheden ook, hebben we de verzekering dat God zich in dat lichaam engageert. Wij kunnen dat moment van het verbond niet determineren, maar doordenkend beseffen we dat God niet ‘elders’ is. Hij is aanwezig in het mysterie van de nieuw-verwekte.

Onvoorwaardelijk respect
Vaderlijk aanvaardt hij het ‘embryonale lichaam’ van de mens, zoals het is. En wat als het is getekend door een handicap, door genetische wijzigingen, door chromosomale afwijkingen, door eiwittekorten, door belangrijke fysieke tekortkomingen die zijn leven hypothekeren? Als het deel uitmaakt van de menselijke soort, is het embryonale lichaam bewoond door de aanwezigheid van God. Daarom verdient het het onvoorwaardelijke respect dat je ieder mens verschuldigd bent. De woorden – zygote, morula, enzovoort – beschrijven de staat van het levensproces, de etappes van zijn ontwikkeling, maar zeggen niets over het radicale mysterie van zijn bestaan. De wijze waarop het verwekt wordt, kan verschillen en inadequaat zijn. Dat belet niet dat het om een persoonlijke realiteit gaat die zich stilaan ontwikkelt en dat hypothekeert ook zijn waardigheid niet. Die kun je niet aantasten zonder het te kwetsen en zonder onszelf te kwetsen in onze menselijke waardigheid.

Het is evenwel normaal dat voor de christelijke antropologie de ‘wieg’ van de mens niet zomaar eender wat kan zijn. Tegenover de goedheid van de scheppende daad moet de goedheid staan van een daad van echtelijke liefde, van een man en een vrouw die aan elkaar gebonden zijn door een belofte van liefde. Aan de goedheid en de onschuld van een nieuw menselijk wezen moet de goedheid en de grootsheid van echtelijke liefde corresponderen. Als man en vrouw geschapen zijn naar Gods ‘beeld en gelijkenis’, is het goed dat zij de lichamelijke en seksuele daden stellen die een nieuwe mens mogelijk maken, die op zijn beurt beantwoordt aan het beeld en gelijkenis van de Schepper.

Die interne logica van de scheppende liefde is ingeschreven in de geschiedenis van iedere persoon en van elk lichaam. Het lichaam van de mens respecteren, in alle stadia, dat is de belofte van het verbond eer bewijzen. Raken aan het lichaam van de mens, is raken aan de mens, want het lichaam is de al zichtbare persoon. Het lichaam behoudt en toont ‘persoonlijkheid’ over onze tijdsindelingen heen.

Persoonlijk mysterie
Wat zouden wij weten, zonder de ‘woorden van het lichaam’, van diegene die net werd verwekt en ook van diegenen die hem hebben verwekt? Dat ‘embryonale lichaam’ spreekt ons over het bestaan van een persoonlijk mysterie dat wij kunnen begrijpen met de rede en het hart, zonder het evenwel helemaal te vatten. Als de grammatica en de woordenschat van het lichaam veranderen volgens de verschillende tijden van het leven, is dat geen ‘armoede’ of ‘gebrek’: het is een rijkdom die is gebonden aan de persoon wiens verhaal heilig is vanaf de eerste ogenblikken van zijn bestaan tot aan zijn dood.

Vertaling en bewerking: Jan De Volder

Vanaf de conceptie

De interpretatie van wat een persoon in zijn lichaam is, mag niet gebeuren volgens louter wetenschappelijke of zelfs filosofische criteria. De persoon uit zich ‘in zijn lichaam’, maar wij moeten begrijpen wat hij is op elk moment, zonder hem te reduceren tot de uiterlijke verschijningsvormen. Vanaf de conceptie worden wij aan een specifieke waarheid herinnerd: de mens valt niet samen met de uiterlijkheden waarvan hij blijk geeft. Zijn lichaam zegt wie hij is, maar verwijst altijd naar diegene en diegenen die hem een ‘lichaam in de geschiedenis’ hebben gegeven. Het embryo verwijst altijd, in zijn lichamelijkheid zoals het is en zoals het zich ontwikkelt, naar een ‘innerlijke en uiterlijke totaliteit’ die veel groter is dan we kunnen waarnemen. Die rijkdom die zijn mysterie uitmaakt, zegt ‘al’ voor wie kan ‘zien en begrijpen’ dat hij een persoon is. (AM)

Plannen voor artikelen op de Biofides.eu site

Op deze site willen we in de nabije toekomst schrijven over de volgende onderwerpen.

1. Geloof en wetenschap, hoe verhouden die zich tot elkaar?
2. Biologie en theologie, een vergelijking tussen twee wetenschappen?
3. Evolutietheorie en scheppingsgeloof, gaan die samen?
4. Creationisme en Intelligent Design, wat moeten we er van denken?
5. Toeval en doelgerichtheid in de natuur, hoe zit dat?
6. Seksualiteit en vruchtbaarheid bij de mens, hoe ga je er mee om?
7. Homoseksualiteit, ‘normaal’ of een vergissing?
8. Relaties en seksualiteit, wanneer doe je wat?
9. Voorbehoedmiddelen en natuurlijk geboorteregeling
10. Biologie en ethiek, mag alles wat kan?
11. Het menselijk embryo, wanneer wordt het een mens?
12. Het menselijk embryo, gevaren op de weg naar de geboorte.
13. Medisch begeleide voortplanting, een zegen of een vloek?
14. Stamcellen en klonen, kansen en risico’s voor de mens.
15. Euthanasie en palliatieve zorg.
16. Gods schepping en ons natuur- en milieubeheer.

Deze opsomming is niet uitputtend.

Heeft u vragen of suggesties, mail die dan naar biofides@gmail.com.

Vaticaan op kop in schone energie

st-peters-basilica-vatican-city-i749Den Bosch (Katholiek Nieuwsblad) – Vaticaanse experts hebben groots werk verricht in het onafhankelijk maken van het Vaticaan van fossiele brandstoffen door nieuwe vormen van energie te introduceren en energieverbruik te reduceren. Dat hebben VN deskundigen op het gebied van energiebeleid uit de VS gezegd.

Delegatieleider Mark Hopkins zei dat hij voor zijn bezoek aan het Vaticaan op 12 juni geen flauw benul had van de betrokkenheid van de ministaat in zoveel “significante projecten” om haar eigen brandstoffen te reduceren. “Het is imponerend dat zij werkelijk doen waar anderen alleen over praten en wel op een substantiële manier,” zei Hopkins.

Het is volgens hem “denkbaar dat het Vaticaan de eerste staat zal zijn die nieuwe energiebronnen gebruikt en de eerste natie die koolsteen-vrij is”. Dat is voor een deel het resultaat van plannen om grote zonnepanelen te plaatsen op eigendommen van het Vaticaan aan de rand van Rome. Deze status zou de Kerk “een grote morele autoriteit” geven die haar in de positie plaatst om andere landen aan te zetten meer te doen aan schone energie.

Hopkins was door de Amerikaanse ambassadeur bij het Vaticaan uitgenodigd om met journalisten te praten over zijn 35-jarige ervaring om effectiviteit te bevorderen en zijn werk voor de VN in het vinden van oplossingen voor de meest dringende problemen in de wereld. (KN/CNS)

Evolutie en schepping (5)

Tekst van de uitzending op Radio Maria, vijfde in een een serie van vijf.

Aflevering 5 – Deel 1

Introductie
Beste luisteraars van Radio Maria. In deze serie van vijf uitzendingen over de evolutietheorie en het scheppingsgeloof zijn we toegekomen aan de vijfde en laatste uitzending. In de eerste drie heeft Patrick Vandeputte een uiteenzetting gegeven over de stand van zaken rond de evolutietheorie op dit moment. In de vierde uitzending ben ik ingegaan op de verschillen en raakpunten tussen de evolutiebiologie en de scheppingstheologie. Deze uitzending ga ik in op een aantal bekende stromingen die we tegenkomen in de discussie over schepping en evolutie en zal ik ingaan op het standpunt van de Katholieke Kerk. Ik stel mijzelf nogmaals kort aan u voor: Vincent Kemme, voormalig docent biologie aan de Sint-Jozefschool in Tilburg en de Europese Scholen te Brussel. Samen met Patrick Vandeputte nam ik onlangs deel aan het congres ‘Biological Evolution, facts and theories’, gehouden aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ in Rome, wat de directe aanleiding vormde voor deze reeks uitzendingen op Radio Maria. U kunt de tekst van de vijf uitzendingen downloaden van de website radiomaria.nl en na deze uitzending, althans overdag tussen 11 en twaalf uur, telefonisch mij een vraag stellen. Het nummer zal na afloop bekend gemaakt worden. Luistert u naar een herhaling, bijvoorbeeld ’s avonds tussen 9 en 10 uur, dan kunt u helaas geen telefonische vraag stellen. Wel kunt u altijd uw vraag of opmerking sturen naar info@radiomaria.nl. We gaan graag op uw vragen in.

Evolutiebiologie en scheppingtheologie
In de eerste drie uitzendingen heeft Patrick Vandeputte onderscheid gemaakt tussen de evolutie in historische zin en het mechanisme van de evolutie. Van het eerste, de evolutionaire geschiedenis, is het op wetenschappelijke gronden redelijk aan te nemen dat er inderdaad sprake is van een opeenvolging van het verschijnen van soorten op aarde. De theorieën die echter een mechanisme van evolutie voorstellen zijn nog erg onzeker en speculatief. In mijn vorige uitzending heb ik de evolutiebiologie geconfronteerd met de scheppingstheologie qua object en methode. Daarbij komen grote verschillen aan het licht, maar ook belangrijke raakvlakken, namelijk die van de natuur en de mens qua object en die van de redelijkheid qua methode. De twee benaderingen ontkomen er dus niet aan om met elkaar in dialoog te gaan. We kunnen de goddelijke werkelijkheid die zich uit in de geschapen natuurlijke orde niet scheiden van de biologische werkelijkheid, maar we moeten de twee wel heel goed van elkaar onderscheiden. Natuurlijke oorzaken voor natuurlijke verschijnselen moeten helder onderscheiden worden van bovennatuurlijke oorzakelijkheid die komt van God.
In deze uitzending willen we dat nader uitwerken aan de hand van het atheïstisch evolutionisme, het creationisme en Intelligent Design. Tenslotte zullen we zoals aangekondigd nagaan wat de Katholieke Kerk in deze discussie voor standpunten inneemt.

Atheïstisch en maatschappelijk evolutionisme
De formulering van de evolutietheorie heeft in christelijke kringen nogal wat stof doen opwaaien, omdat op het eerste gezicht het leek alsof er een aanval werd gepleegd op de scheppingsgeloof. Voor niet weinig mensen werden heilige huisjes omver gehaald en inderdaad, niet weinigen uit een ander kamp gebruikten de evolutietheorie voor een antireligieuze, atheïstische doeleinden. Immers, nu werd aannemelijk gemaakt dat niet God de wereld had geschapen, maar dat de wereld zichzelf had geschapen door natuurlijke processen die langs de weg van het blinde toeval plaats vonden. Bij nadere bestudering blijkt het echter allemaal wat genuanceerder te liggen. Darwin zelf heeft de evolutietheorie nooit tegenover het geloof in een Schepper willen plaatsen. Hij heeft slechts een biologisch mechanisme voorgesteld om de vorming van aan hun omgeving aangepaste soorten te verklaren, een biologische hypothese dus, die in het geheel niets zegt over het bestaan van God, zijn scheppingswerk en de manier waarop God in de natuur en de evolutie een rol speelt. Dat neemt niet weg dat de evolutietheorie op grote schaal is uitgelegd als een verklaring voor de wereld waarbij het geloof in God overbodig was geworden. Maar indien de evolutietheorie slechts een biologische theorie is kan die atheïstische interpretatie niet anders dan een extrapolatie zijn van de theorie naar het theologisch domein. Een extrapolatie die geen rekening houdt met het feit dat oorzaken in de natuur niet op één lijn gesteld kunnen worden met een bovennatuurlijke oorzaak voor het bestaan van leven. Gods scheppend handelen is uit de aard van God zelf transcendent, bovennatuurlijk, en niet natuurlijk van aard. Als er een natuurlijke oorzaak is te vinden voor het ontstaan van complexe biologische structuren en een grote biodiversiteit, dan zegt dat niets over het bestaan van God en het idee of geloof dat het bestaan zélf van deze verschijnselen ‘van God gegeven zijn’, om het zo te zeggen. God ontkennen op grond van de evolutietheorie, is een god ontkennen die als natuurlijke factor zou hebben opgetreden in het ontstaan van complex leven en nieuwe soorten. Dat is een binnenwereldlijke god, wat in feite een contradictio interminis is: God is per definitie niet binnenwereldlijke. De wereld is een uiting van zijn creativiteit.

Een andere extrapolatie die plaats gevonden heeft is die naar andere wetenschappen, van de sociologie, tot de politiek. Triest dieptepunt daarbij was wel de toepassing van evolutionistische principes in het Nazisme. Tegelijkertijd kan je stellen dat de invloed van de evolutietheorie op het maatschappelijk en politiek denken beperkt is geweest. Voor ons is van belang de evolutietheorie terug te brengen bij wat het is: een beschrijvende en verklarende theorie over het ontstaan van de soorten, geen theologisch of sociologisch denksysteem. Dit aangevuld met het eerder vermelde hoogspeculatieve karakter is er reden te over om de evolutietheorie niet groter te maken dan zij is. En een atheïstisch evolutionisme is eerder een variant van het atheïsme dat een biologische theorie inpalmt voor het eigen doel: te ontkennen dat God bestaat. Atheïsme, wat men er ook over zeggen mag, is in elk geval geen biologie. Na de onderbreking bespreken we het creationisme en Intelligent Design.

Aflevering 5 – Deel 2
Creationisme

Tegenover het atheïstisch evolutionisme, of misschien moeten we zeggen: evolutionistisch atheïsme, staat het creationisme, dat vooral voorkomt in bepaalde protestants-christelijke geloofsgemeenschappen. Wat het creationisme in feite doet is ageren tegen een atheïstisch evolutionistisch wereldbeeld, omdat dat het bestaan van de Schepper ontkent. Daarbij maakt het creationisme veelvuldig gebruik van het feit dat er in de evolutietheorie nog erg veel onopgehelderd is, zoveel, dat je geen creationist of gelovige hoeft te zijn om ernstige bedenkingen bij de theorie te hebben. Patrick Vandeputte is daar in de tweede uitzending uitgebreid op in gegaan. Het creationisme vraagt dus terecht aandacht voor het bijbelse openbaringsgegeven dat God wel degelijk bestaat en de Schepper van hemel en aarde is. Er bestaan echter grote bedenkingen tegen de manier waarop het creationisme dat doet. In de eerste plaats gaan veel creationisten, want ook hier is natuurlijk sprake van een heterogene groep, ten onrechte er van uit te gaan dat de evolutietheorie per definitie atheïstisch is. We hebben denk ik, voldoende aangetoond dat dat een misvatting is. Vervolgens wantrouwen veel creationisten elk wetenschappelijk voorgesteld model dat afwijkt van een ontstaan van de aarde en het biologisch leven in zes dagen van vierentwintig uur. Zij gaan dus uit van een uiterst letterlijke interpretatie van het scheppingsverhaal in Genesis 1, zelfs als diezelfde bijbel, in Genesis 2, een heel andere voorstelling geeft van de historische gebeurtenissen. Er wordt gedaan alsof deze teksten een soort ooggetuigenverslagen zijn van de scheppingsdaden in tijd en ruimte door God, terwijl er ook talloze aanwijzingen zijn dat we deze teksten hoewel niet zonder historische betekenis als teksten moeten begrijpen die ons essentiële geloofswaarheden willen communiceren en niet zozeer feiteninformatie over gebeurtenissen in de zichtbare werkelijkheid. In de exegese, de wereld van de bijbeluitleg, worden heel andere voorstellen gedaan over de aard van deze teksten. Zo zou Genesis 1 opgevat kunnen worden als een liturgisch gezang uit de Joodse eredienst ten tijde van de Babylonische Ballingschap van de zesde eeuw voor Christus, dat de poëtische structuur aanneemt van enerzijds de zeven dagen van de week, die er dus al waren, en anderzijds het tienvoudig spreken van God tegen Mozes op de berg Sinaï, volgens sommigen te dateren op de 14e eeuw voor Christus. Wat daar ook van waar zij: we zouden deze teksten dus vooral allegorisch mogen verstaan en niet bij de exacte historiciteit van de beschreven feiten moeten blijven steken. Een al te letterlijke interpretatie van de twee scheppingsverhalen is minstens zo omstreden als de evolutietheorie zélf en dus een slecht vertrekpunt om de evolutietheorie te bestrijden. Bovendien is het zeker dat bijbelse teksten, ontstaan ver voor het begin van onze jaartelling, niet de pretentie hebben om een natuurwetenschappelijk verantwoord verhaal te vertellen. De natuurwetenschap is immers pas aan het einde van de Middeleeuwen is ontstaan, dus ongeveer tweeduizend jaar later.

Ik kom nog even terug op het bekritiseren door creationisten van de evolutietheorie op haar zwakke plekken. Dat er kritiek op de evolutietheorie in historische én vooral in verklarende zin mogelijk is, is geen nieuws, maar de vraag is of het creationisme op een overtuigende manier die bezwaren kan formuleren, zodat de wetenschappelijke gemeenschap tot een andere consensus komt, en dat is niet het geval. Blijkbaar zijn de geologische en biologische argumenten die het creationisme aandraagt onvoldoende om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen, maar wat erger is, is dat men openlijk religieuze argumenten aanvoert om natuurwetenschappelijke stellingen onderuit te halen. Dat is een ontoelaatbare vermenging van zeer verschillende niveaus van denken, die terecht door de wetenschappelijke gemeenschap, gelovig of ongelovig, verworpen wordt omdat het onredelijk is. Als je een geoloog ervan wil overtuigen dat de aarde maar zes duizend jaar oud is, dan moet je dat doen met klinkende geologische bewijzen, en niet met een bijbeltekst in de hand, hoe waardevol of ‘heilig’ die tekst voor jou ook mag zijn. En als je wil aantonen dat God bestaat en de wereld, hoe dan ook, geschapen heeft, dan moet je met theologische en filosofische argumenten komen, niet met biologische of geologische argumenten.

Dit creationistisch denken heeft te maken heeft met de grote afhankelijkheid van protestantse geloofstradities van de bijbel, als enige bron van openbaringskennis, volgens het principe sola Scriptura. De kerkelijke traditie als tweede bron, waar de bijbelse traditie een centrale plaats inneemt, is de protestantse traditie in feite onbekend, net als het kerkelijk leergezag dat, als dat nodig is, zich bindend kan uitspreken. Het gevolg lijkt dat men zich genoodzaakt ziet zodanig te hechten aan de bijbelse teksten, vanuit de angst dat als men daar ook maar iets van afdoet, bijvoorbeeld de letterlijke interpretatie van bepaalde passages, men dan niets meer overhoudt van het geloof in de Schepper. Die vrees is echter ongegrond. God kan wel degelijk schepper van hemel en aarde blijven als wij de bijbelse scheppingsverhalen meer allegorisch durven te lezen, zonder overigens de historische betekenis geheel en al overboord te gooien. Ook de katholieke traditie gelooft in een begin van de schepping, zoals de bijbel zegt. En de wetenschap lijkt dat beeld te bevestigen als zij besluit tot de zg. Big-Bang theorie, het begin van materie, energie, ruimte en tijd. Beide visies zijn althans “niet met elkaar in strijd”, zoals de Kerk het heeft geformuleerd.

Intelligent Design
Naast het creationisme horen we vandaag veel spreken over Intelligent Design. Dat is een beweging van meestal gelovige wetenschappers die door publicaties, discussieforums enzovoort, gedachten formuleren over een intelligente oorzaak van het bestaan van biologisch leven en de evolutie daarvan. Hoofdargument daarbij is de complexiteit van structuren die we in de natuur aantreffen. Men kan zich niet voorstellen dat bepaalde ingewikkelde structuren, zoals het ‘cameraoog’ zomaar in de geschiedenis van het leven zouden zijn ontstaan. Michael Behe, biochemicus, stelt bijvoorbeeld, dat er structuren bestaan “waarvan geen enkel onderdeel kan worden weggelaten zonder dat het geheel ophoudt met werken”, de zg. onherleidbare complexiteit. Dat zou volgens sommigen inhouden dat deze structuren te complex zijn om verklaard te kunnen worden met behulp van evolutionaire mechanismen. Wat voor weer anderen de deur open zet voor rechtstreekse bovennatuurlijke interventies die tot het ontstaan van dergelijke structuren leiden. We belanden we bij wat men ‘de god van de gaten’ noemt. Daarbij worden nog onverklaarde natuurlijke verschijnselen toegeschreven aan een interventie van God. God zou in de evolutie zo af en toe ‘binnenstappen’ om het proces een duw in de goede richting te geven. Daarmee zou God of op die momenten een ‘wonder’ doen, wat nodig is om zelf ‘bovennatuurlijk’ te blijven, of Hij zou zichzelf maken tot een natuurlijke oorzaak van een levensverschijnsel, wat zijn goddelijkheid en transcendentie in gevaar brengt. Als God de wereld werkelijk ‘goed‘ geschapen heeft lijkt het ons dat er ook geen bijzondere interventies nodig zijn om de natuurlijke orde haar bestemming te voeren, te laten evolueren. God doet alleen wonderen om op een bijzondere manier zijn bestaan en zijn liefde aan mensen te openbaren, en dan nog wel vaak in de zin van een reddend handelen in het menselijk bestaan, zodat er geen aanleiding is te denken dat Hij dat ook zou doen in de evolutionaire geschiedenis, ver voordat de mens bestaat. En stel dat de biologie morgen een natuurlijke verklaring vindt voor een ingewikkeld biologisch verschijnsel, dan houdt de god die tot dat moment als verklaring gold voor dat fenomeen opeens op te bestaan. Voor de atheïstische bioloog Richard Dawkins is dat reden om elk geloof in God te verwerpen. Immers, steeds weer vindt de wetenschap natuurlijke verklaringen voor tot dan toe onopgehelderde zaken, zodat die god van deze gaten steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.

Andere aanhangers van de ID-beweging zeggen dan weer dat ze geen religie binnen de wetenschap willen halen: over de aard van de intelligente oorzaak willen ze zich niet uitspreken; men vraagt alleen aandacht voor de in hun ogen onverklaarbare complexiteit van veel biologische fenomenen, onverklaarbaar door toevallige mutaties en selectiedruk alleen. Wat ons inziens niet uitsluit dat er toch biologische verklaringen voor deze zaken kunnen gevonden worden. Onder evolutiebiologen bestaat redelijk veel erkenning voor het feit dat er in de evolutie complexe structuren ontstaan, zonder dat men precies begrijpt hoe dat kan gebeuren. Het is echter binnen de biologie onacceptabel om een intelligente oorzaak voor te stellen dan wel te ontkennen: de biologie mist de instrumenten om dat te onderzoeken. Een intelligente oorzaak voor complex leven behoort per definitie niet tot de natuurlijke realiteit, maar staat er boven. Het is een filosofische discussie, die gevoed kan worden door inzichten vanuit de theologie. En de theologie verklaart al millennia lang dat de natuur ‘in wijsheid’ geschapen is door een intelligente goddelijke Persoon. Niets nieuws onder de zon dus, als er gespeculeerd wordt over intelligent ontwerp in de natuur, zolang we het geen natuurwetenschap noemen maar filosofie of theologie. En zolang de biologie maar vrij haar weg kan gaan in het vinden van natuurlijke oorzaken voor het ontstaan van biologische verschijnselen. Die oorzaken staan het geloof in een intelligente schepper niet in de weg: deze bedient zich immers van deze mechanismen, waarvan Hij zelf de bedenker is. Van belang is, opnieuw, dat we de niveaus van denken: natuurwetenschap, filosofie en theologie helder van elkaar blijven onderscheiden. De biologie kan geen uitspraken doen over een intelligente ontwerper van de natuur, een filosoof kan er over speculeren en een theoloog kan het bestaan van die Ontwerper bevestigen. Kort samengevat zou men kunnen zeggen dat de ID-beweging belangrijke vragen stelt aan de wetenschap, maar dat niet alle antwoorden die uit deze beweging voorspruiten even gelukkig zijn. We onderbreken even met muziek alvorens verder te gaan met de visie van de Katholieke Kerk op de evolutietheorie.

Aflevering 5 – Deel 3
De visie van de katholieke kerk

De Katholieke Kerk heeft – anders dan men vaak suggereert – altijd een positieve houding ten aanzien van de wetenschap, dus ook de biologie. In feite is de moderne wetenschap in de late Middeleeuwen in hoge mate uit de katholiek-christelijke traditie ontsproten, met mensen als Albert de Grote in Keulen. In haar catechismus van 1992 onder nummer 283 zegt de Kerk over de vraag naar de oorsprong van de wereld en van de mens dat wetenschappelijke onderzoekingen “op schitterende wijze onze kennis omtrent de ouderdom en de dimensies van de kosmos, het ontstaan van de vormen van leven, het verschijnen van de mens verrijkt hebben”. Over eventuele spanningen tussen geloof en wetenschap zegt de Kerk bij monde van het Eerste Vaticaans Concilie dat er “nooit sprake kan zijn van een werkelijke tegenstelling tussen het geloof en het verstand”. En het Tweede Vaticaans Concilie voegt daar aan toe: “Daarom zal het methodisch onderzoek op welk wetenschappelijk gebied dan ook, mits het echt wetenschappelijk (…) geschiedt, nooit werkelijk in strijd zijn met het geloof, omdat de profane werkelijkheden en de geloofswerkelijkheden hun oorsprong hebben in dezelfde God”. Geloof en wetenschap zijn twee wegen die tot dezelfde waarheid voeren; er kan uiteindelijk immers maar één waarheid bestaan. Als er sprake is van tegengestelde opvattingen, dan moet dat het gevolg zijn van fouten in de warnemingen of redeneringen binnen (een van) die wetenschappen, zaken die nader opgehelderd moeten worden. Het zogenaamde conflict tussen geloof en wetenschap is dus slechts een zaak van schijnbare tegenstellingen zijn, van paradoxen. “Geloof en rede”, zegt Johannes Paulus II in de encycliek Fides et Ratio van 1998, “zijn als twee vleugels waarmee de menselijke geest zich verheft om de waarheid te beschouwen”.

De Kerk zal zelf niet snel een wetenschappelijke theorie voor ‘waar’ verklaren, om de simpele reden dat zij geen natuurwetenschappelijke instelling is, zich ook niet competent weet op zuiver wetenschappelijk terrein en zich dus ook niet in het vaarwater van de wetenschap wil begeven. Zij kent de wetenschap een ‘rechtmatige autonomie’ toe, die echter niet kan leiden tot principiële tegenstellingen tussen geloof en wetenschap. Dat is wel eens mis gegaan, in de geschiedenis, met name in de zaak rond Galileo Galilei, toen kerkelijke functionarissen deze wetenschapper veroordeelden op grond van zijn opvattingen over de draaiing van aarde rond de zon en niet omgekeerd. Dat is uiteindelijk door Johannes Paulus II rechtgezet: er had zich een ongelukkige vermenging voorgedaan tussen inzichten in de natuur en inzichten op grond van een letterlijke interpretatie van bepaalde passages van de Bijbel. Omdat Galileo Galilei uiteindelijk gelijk had waar het zijn kosmologisch inzicht aanging, heeft dat de Kerk bij sommigen een anti-wetenschappelijk imago gegeven, een beeldvorming die in feite door vele andere uitingen van de Kerk in overmaat weersproken wordt. Gevolg is dat de dat de Katholieke Kerk in andere natuurwetenschappelijke discussies zoals die rond Darwin’s evolutietheorie uiterst terughoudend is in het doen van wetenschappelijke uitspraken. Wél zal zij hetgeen de wetenschap beweert tegen het licht van de theologie van de openbaring en dat van de filosofie houden. Daarbij wijst de Kerk de wetenschap met enige regelmaat op haar beperkingen. Zo stelde de huidige paus Benedictus XVI nog voor zijn pauskeuze als kardinaal Ratzinger ‘dat het kosmologische en biologische mechanisme van evolutie niet kan verklaren wat de wereld en de mens ten diepste zijn: schepselen van God.’ De theologie, anders gezegd, geeft antwoorden op vragen die de kosmologie en de biologie laten liggen.

Ook ten aanzien van de evolutiebiologie neemt de Kerk dus een positieve en welwillende houding aan. In 1950 heeft zij de evolutietheorie bij monde van paus Pius XII in zijn encycliek Humanis Generis betiteld als ‘een serieuze hypothese’, weliswaar naast andere hypothesen. De Kerk heeft daarbij bijzondere belangstelling voor de schepping van de mens. Deze is immers – zo zegt de scheppingstheologie – ‘naar Gods beeld en gelijkenis gemaakt’. Pius XII stelt dat “het kerkelijk leergezag zich er niet tegen verzet, dat de leer van het “evolutionisme” nader wordt bestudeerd en bediscussieerd, te weten de evolutieleer in zover zij het ontstaan van het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof nagaat. Want het katholiek geloof verplicht ons te houden, dat de zielen onmiddellijk door God geschapen worden.” Pius XII maakt dus een duidelijk onderscheidt tussen de natuurlijke orde van de mens biologisch gezien en de geest of de ziel, die de mens maakt tot een transcendent wezen, die in staat is God te kennen, met hem te communiceren en de biologische dood zogezegd te overleven. Overigens staat hij niet achter het zg. polygenisme, dat stelt “dat er na Adam (…) mensen hebben bestaan, die niet door natuurlijke voortplanting van hem (…) zijn voortgekomen, ofwel, dat Adam een zeker aantal stamvaders betekent”. “Het blijkt immers volstrekt niet”, zo vervolgt hij, “hoe deze opvatting is overeen te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid (…) leren omtrent de erfzonde, die voortkomt uit de door één Adam werkelijk bedreven zonde (…)”. Het is misschien aardig op te merken dat de overheersende opvatting binnen de wetenschap is dat de mens in elk geval op één plaats op aarde is ontstaan en niet op diverse plaatsen. Net als bij de Big-Bang theorie in de kosmologie lijken ook hier geloof en wetenschap elkaar eerder te bevestigen dan tegen te spreken.

Tijdens een catechese over God en de schepping zei Johannes Paulus II in 1985: “Alle onderzoekingen in verband met het leven leiden naar eenzelfde besluit. De evolutie van de levende wezens, waarvan de wetenschap de verscheidene fasen tracht te omschrijven en het mechanisme te doorzien, vertoont een intern finalisme waarvoor men alleen maar in bewondering kan staan”. Daarmee onderkent deze paus dus dat er evolutie heeft plaatsgevonden en duidt hij de wetenschappelijke activiteit als het omschrijven van de evolutiefasen en het achterliggende mechanisme. Voor de doelgerichtheid in de schepping staat de wetenschap echter voor een raadsel.

In 1996 stelde dezelfde paus voor de leden van zijn Academie voor Wetenschappen, dat op grond van ‘nieuwe gegevens’ de evolutietheorie als ‘meer dan een hypothese’ mocht worden beschouwd. Wat zoveel inhoudt als dat de evolutietheorie – in wetenschapsfilosofische termen – neigt naar de status van een wetenschappelijke theorie. En een wetenschappelijke theorie is een breed geaccepteerde en veelomvattende wetenschappelijke opvatting die steunt op vele waargenomen feiten en deeltheorieën. De wetenschappelijke gemeenschap – niet in de eerste plaats door de kerkelijke gemeenschap – houdt zo’n theorie voor ‘waar’ zolang door andere bevindingen het tegendeel niet gebleken is. Daarmee heeft de paus dus duidelijk willen maken, dat de Kerk de evolutietheorie serieus neemt en niet vijandig tegenover de evolutietheorie staat. Wel heeft hij daarbij opgemerkt dat er een veelheid van evolutietheorieën bestaan, en dat niet elke theorie op evenveel steun van de Kerk kan rekenen, afhankelijk van hun filosofische uitgangspunten. Wat de paus daarmee dus niet heeft gezegd, maar wat hem wel in de mond is gelegd, is dat hij daarmee de neo-darwinistische evolutietheorie die uitgaat van een volledig toevallig en ongeleid proces omarmd zou hebben.

Kardinaal Ratzinger, onze huidige paus, heeft als voorzitter van een Internationale Theologencommissie in 2004 een verklaring onderschreven waarin gesteld wordt dat de Kerk “geen probleem heeft met ‘de evolutieleer’ zoals de meeste biologen die voorstaan. En die visie staat gelijk aan het neodarwinisme.” Maar de commissie waarschuwt ook dat “de brief niet gelezen kan worden als een goedkeuring van alle evolutietheorieën, inclusief de neodarwinistische, die nadrukkelijk een oorzakelijke rol van een goddelijke voorzienigheid in de ontwikkeling van het leven ontkennen”. Volgens de commissie “kan een ongeleid evolutieproces – buiten het bereik van de goddelijke voorzienigheid – niet bestaan”. We citeren hier uit een artikel van Kardinaal Schönborn in de New York Times in 2005 enkele maanden na de installatie van kardinaal Ratzinger als Benedictus XVI . In de preek bij zijn inhuldiging zei de kersverse paus: ,,Wij zijn niet zomaar een toevallig en zinloos product van evolutie. Ieder van ons is het resultaat van een gedachte van God. Ieder van ons is gewild, ieder van ons is bemind, ieder van ons is nodig.”

In 2006 was er de bijeenkomst rond de nieuwe paus van de ‘Schülerkreis’ een jaarlijkse reünie van Joseph Ratzinger met studenten die bij hem zijn gepromoveerd toen hij tot 1978 hoogleraar was in Duitsland. Ook kardinaal Schönborn was daar als oud-student bij aanwezig. Een verslag van de lezingen en de discussie verscheen in 2007 in het boek “Schöpfung und Evolution”. Daarin zegt de paus niet te kunnen kiezen tussen het creationisme, dat ,,zich principieel voor de wetenschap afsluit”, en een evolutietheorie, ,,die haar eigen lacunes gladstrijkt en de vragen die de methodische mogelijkheden van de natuurwetenschap te boven gaan, niet wil zien”. Paus Benedictus formuleerde tijdens de discussies de grote vragen die de gangbare evolutietheorie volgens hem openlaat. Ze is niet met experimenten te bewijzen, ,,eenvoudig omdat we geen tienduizend generaties in een laboratorium kunnen krijgen”. Ze gaat uit van geleidelijkheid en kan grote overgangen van de ene diersoort naar de andere, en van dier naar mens, niet verklaren. En de aanname van een ontwikkeling naar steeds complexere en steeds hogere levensvormen is onwaarschijnlijk; de kans dat een soort zich negatief ontwikkelt (degeneratie), is veel groter. Paus Benedictus haalt de uitspraak van Johannes Paulus II uit 1996 aan toen deze stelde dat de evolutietheorie ‘meer is dan een hypothese’, maar voegt daar aan toe dat ,,de evolutieleer nog geen complete, wetenschappelijk verifieerbare theorie is”. Dat is geen correctie op zijn voorganger, want die had dat ook niet beweerd. Men moet in die zaken goed de gekozen woorden wegen. Eerder was al bekend dat Joseph Ratzinger wel gelooft in ‘micro-evolutie’, de ontwikkeling binnen een diersoort, doordat die zich aanpast aan zijn omstandigheden; maar van ‘macro-evolutie’, de ontwikkeling van de ene diersoort uit de andere, is hij veel minder overtuigd. Benedictus vindt dat echter een wetenschappelijke kwestie, waarover de kerk zich niet behoeft uit te spreken. Hij kritiseert vooral op een dieperliggend niveau de evolutietheorie, als deze haar grenzen niet kent: uit de geleidelijke ontwikkeling van het leven leiden evolutionisten zomaar af dat God daarin geen rol speelt en dat het leven enkel van toeval, zinloosheid en het recht van de sterkste aan elkaar hangt. Dat is voor de Kerk een onacceptabele conclusie.

Over creationisme is de Kerk duidelijk: in een document uit 1993 van de Pauselijke Bijbelcommissie, ook onder voorzitterschap van Joseph Ratzinger neemt de Kerk in niet mis te verstane bewoordingen afstand van een te letterlijke interpretatie van de Bijbel: het gaat om een ‘fundamentalistische wijze van Bijbellezing’, is ‘bekrompen’ ‘tegen iedere wetenschappelijk methode voor de uitleg van de Bijbel’, ’heeft de neiging zeer beperkte standpunten in te nemen’. ‘beschouwt een oude voorbije kosmologie als werkelijkheid’, ‘is gevaarlijk’, ‘’brengt mensen ertoe hun denken uit te schakelen’, ‘verschaft een valse zekerheid’, om maar een selectie van de negatieve kwalificaties te citeren. Een allegorische lezing van de eerste hoofdstukken van Genesis is dus niet alleen aanvaardbaar maar zelfs hoogst noodzakelijk voor een goed begrip, zonder daarbij de gehele historiciteit van deze teksten te verwerpen. In het geciteerde boek van de Schüler Kreiz verwijt paus Benedictus het creationisme “de wetenschap niet serieus te nemen”.

Wat betreft intelligent design liggen de zaken wat genuanceerder. Johannes Paulus II zegt in een catechese van 1985. “Die doelgerichtheid (in de natuur) oriënteert de levende wezens in een richting waarvan zijzelf de bewerkers noch de oorzaak kunnen zijn. Wij moeten geloven in een Geest die er de ontwerper en de schepper van is”. Schönborn merkt in zijn brief in de New York Times op dat de term doelgerichtheid synoniem is met de filosofische begrippen ‘uiteindelijke oorzaak’, ‘doel’ of ‘ontwerp’. Hij zegt dus niets over de natuurlijke oorzaken die hierbij een rol spelen, wat het terrein van de natuurwetenschappen is. Op die manier worden biologie, filosofie en theologie op een heldere manier van elkaar onderscheiden. Paus Benedictus wijst in zijn bijdrage aan het boek “Schöpfung und Evolution” ook op de rationaliteit van de natuur: er zijn wetmatigheden, er zit logica in de eigenschappen en de ontwikkeling van planten en dieren, waardoor we de natuur kunnen ‘lezen’ en doorgronden. ,,Dat opent een venster op de Creator Spiritus”, op God als Schepper-Geest. ,,Het is het Bijbelse scheppingsgeloof dat ons de weg tot een beschaving van het verstand heeft gewezen, al hoort het daarbij ook tot de mogelijkheden dat die zichzelf weer vernietigt.” Tegelijk geeft de rationaliteit van de natuur ook weer geen inzicht in Gods plan. Er zijn rampen en er is het raadsel van zoveel lijden, wreedheid en dood in de natuur, aldus de paus. ,,Hier laat het geloof ons de Logos zien, het Woord, dat het scheppende vernuft is en dat ongelofelijk genoeg tegelijk vlees kon worden en kon sterven en opstaan.” Dat er dus in de scheppingstheologie over intelligent ontwerp wordt gesproken is een vanzelfsprekende zaak, en is het ook terecht een onderwerp van filosofische discussie. Maar dat betekent niet dat de Kerk achter elke vorm van ID-denken staat, met name niet achter die stromingen waarbij de natuur haar relatieve autonomie ten opzichte van de Schepper ontnomen wordt.

Daarmee komen we aan het einde van deze vijfdelige serie over evolutie en schepping. Wij hopen dat deze uitzending hebben kunnen bijdragen tot een helderder inzicht in de geloofwaardigheid van de evolutietheorie op zich en haar relatie tot het katholiek-christelijke geloof. En wij danken Radio Maria dat zij Patrick en mij in de gelegenheid heeft willen stellen om onze inzichten, gevoed door de bevindingen tijdens het recente Evolutiecongres in Rome met u hebben mogen delen. Heeft u nog vragen, dan kunt u na deze uitzending, indien u niet ‘s avonds naar een herhaling luistert bellen met Radio Maria. U kunt mij en Patrick Vandeputte ook schriftelijk vragen stellen via het e-mail adres van Radio Maria. Mede namens hem dank ik u hartelijk dat u geluisterd hebt, ook als u niet alle vijf de uitzending hebt kunnen horen. U kunt de tekst van deze vijfuitzendingen nog downloaden van de website. Ondertussen wensen wij u alle goeds en mogelijk tot een volgende gelegenheid.

U hoorde de heer Vincent Kemme in een conferentiereeks over schepping en evolutie bij gelegenheid van het Darwinjaar.


Vaticaan in dialoog met CERN


kn_690852_cern2

Hilversum (Katholiek Nederland) – Het Vaticaan heeft onlangs een afvaardiging gestuurd naar CERN in Genève, een van de grootste wetenschappelijke centra ter wereld. De RK-Kerk heeft daarmee opnieuw een dialoog tussen geloof en wetenschap op het hoogste niveau tot stand gebracht.

Prelaten en astronomen
De delegatie bestond uit de president van het gouvernement van Vaticaanstad, kardinaal Giovanni Lajolo; de Vaticaanse vertegenwoordiger bij de VN in Genève, aartsbisschop Silvano Tomasi; het hoofd van de Vaticaanse sterrenwacht, pater Jose Funes; en de Amerikaanse astronoom en jezuïet Guy Consolmagno.

Deeltjesversneller
Het idee van de ontmoeting kwam van Ugo Amaldi, president van de TERA-stichting. Dit wetenschappelijk instituut werkt nauw samen met CERN op het gebied van de toepassing van nucleaire technologie bij de behandeling van kanker. CERN is vooral bekend door de deeltjesversneller die vorig jaar in gebruik werd genomen. Wegens een storing moest het gevaarte echter stil worden gezet.

Geen vijandschap
Aartsbisschop Tomasi zei tegenover het katholieke persagentschap CNS dat er gesproken is over de grote wijsgerige vragen, zoals naar de zin van het leven. Zowel theologen en wetenschappers houden zich met die vraag bezig maar doen dat in “twee totaal verschillende werelden”, zei de Vaticaanse VN-gezant. “Er bestaat geen vijandschap tussen de twee, maar er is wel behoefte om over de grenzen heen met elkaar te spreken en te kijken hoe de menselijke kennis kan worden bevorderd.”

Angels and Demons
Het is opmerkelijk dat zowel CERN als Vaticaanstad het decor vormt in de Hollywood-film Angels and Demons, die nog in de Nederlandse bioscopen draait. In het verhaal is een in Genève werkzame priester-wetenschapper het eerste dodelijke slachtoffer in een complot tegen de RK-Kerk.

Evolutie en schepping (4)

Vierde aflevering van een vijfdelige uitzending op Radio Maria

Aflevering 4 – Deel 1

Introductie
Beste luisteraars van Radio Maria. In deze serie van vijf uitzendingen over de evolutietheorie en het scheppingsgeloof zijn we toegekomen aan de vierde uitzending. In de eerste drie heeft Patrick Vanderputte een uiteenzetting gegeven over de stand van zaken rond de evolutietheorie op dit moment. In de twee laatste uitzendingen zal ik wat meer ingaan op de theologische en filosofisch aspecten van de evolutietheorie in relatie tot het joods-christelijke scheppingsgeloof. Ik stel mijzelf kort aan u voor: Vincent Kemme, voormalig docent biologie aan de Sint-Jozefschool in Tilburg en de Europese Scholen te Brussel. De biologie heb ik bestudeerd aan de Universiteit van Utrecht. De theologie, voorzover mijn loopbaan mij toeliet, onder meer aan het Instituut voor Theologische Studies van de Franstalige Jezuïeten in Brussel. In mijn verhandeling laat ik mij bovendien leiden door het denken van professor Dominique Lambert, wetenschapsfilosoof aan de Katholieke Universiteit ‘Notre Dame de la Paix’ in Namen. Lambert geldt internationaal als specialist op het terrein van de relatie geloof en wetenschap. Samen met Patrick Vanderputte nam ik onlangs deel aan het congres ‘Biological Evolution, facts and theories’, gehouden aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ in Rome. Dit congres vormde de directe aanleiding voor deze reeks uitzendingen op Radio Maria.

In de eerste uitzending van deze vijfdelige serie ging het vooral over de aanwijzingen die pleiten vóór de evolutietheorie. Daarbij maakte de heer Vanderputte onderscheid tussen de meer historische theorie die op grond van aardlagen, fossielen en dateringsmethoden, beschrijft wat er geleefd heeft in de geschiedenis van onze planeet, én de meer mechanistische theorie, vooral door Darwin aangezwengeld, waarin voorstellen worden gedaan voor de werking van de evolutie: toevallige mutaties en natuurlijke selectie zouden leiden tot aanpassing van de populatie aan haar omgeving en uiteindelijk, wanneer individuen van verschillende populaties voldoende van elkaar verschillen om niet meer met elkaar te kunnen kruisen, tot soortvorming. Dit principe is inmiddels aangevuld met andere werkingsprincipes zoals de vorming van complex leven door symbiose, de zg. symbiogenese, en de rol van genexpressie in de ontwikkeling van het organisme, de zg. epigenese of evo-devo theorie. Deze beginselen zouden samen verantwoordelijk zijn voor de gehele ontwikkeling van het leven, de gehele biodiversiteit. In de tweede uitzending werden vooral de bezwaren die aan de theorie kleven naar voren gebracht, zoals het ontbreken van overgangsvormen, het te trage verloop van evolutie in de daarvoor beschikbare tijd, en de vermeende onherleidbare complexiteit van biologische verschijnselen. In de derde uitzending maakte Patrick Vandeputte de balans op van de pro’s en contra’s, zodat we enigszins weten wat we wel en niet zouden moeten geloven – op natuurwetenschappelijke gronden – van wat de evolutietheorie aandraagt. Daarbij luidde – heel kort samengevat – de conclusie dat de theorie van de evolutionaire geschiedenis een grote geloofwaardigheid geniet, maar de theorie die het mechanisme van evolutie verklaart nog zeer speculatief en onzeker is.

Zoals gezegd: in deze en de volgende uitzending willen we wat dieper ingaan op de filosofische en theologische aspecten van het vraagstuk van het ontstaan van leven en de evolutie. Op die manier hopen we tot een helderder inzicht te komen in de verhouding tussen de biologisch theorievorming aan de ene kant en de godsdienstige, theologische kijk op de levende werkelijkheid aan de andere kant. We trachten na te gaan in hoeverre deze met elkaar te verzoenen zijn en welke misverstanden tussen de beide op kunnen treden. We zullen trachten wat spelregels te formuleren voor een verstandige dialoog tussen geloof en wetenschap, enkele fundamentele vragen behandelen en uiteindelijk nagaan welke de positie is van de religie in het algemeen en die van de katholieke kerk in het bijzonder. Daartoe zullen we eerst de biologie en de evolutiebiologie in het bijzonder, confronteren met de theologie of het gelovig denken en het scheppingsgeloof in het bijzonder. In deze uitzending zullen we dan nog stilstaan bij het centrale begrip ‘toeval’ dat in de discussie evolutie en schepping een centrale plaats inneemt. In de laatste uitzending gaan we in op atheïstisch en maatschappelijk evolutionisme, creationisme en intelligent design en de visie van de godsdiensten en de katholieke kerk om zo tot een aantal eindconclusies te komen.

Ik pretendeer in deze uiteenzetting noch alles te zeggen, noch de wijsheid in pacht te hebben: beschouwt u het als de voorlopige vrucht van een persoonlijke reflexie die gevoed is door zowel een natuurwetenschappelijke als een theologische vorming, maar die nog op vele punten aanvulling en bijstelling behoeft. Hopelijk kan het een en ander u helpen een weg te vinden in deze soms toch lastige materie en u behoeden voor te simpele conclusies.

Biologie en de evolutietheorie
Biologie is een natuurwetenschap die de levende natuur als voorwerp van studie heeft. De mens kan door waarneming en logische redenering uitspraken doen over de werkelijkheid waarin hij leeft. Die uitspraken kunnen beschrijvend van aard zijn, verklarend, en uiteindelijk ook voorspellend. In de natuurwetenschap in het algemeen wordt daarbij een voorname rol toegekend aan het zg. empirische onderzoek, waarbij hypothesen, vooronderstellingen, middels experimenten, dus proefondervindelijk, worden getoetst. Uiteindelijk leidt het spel van waarneming, experiment en logische redenering tot theorievorming. Voor de deugdelijkheid van de theorieën wordt in het algemeen vereist dat de waarnemingen reproduceerbaar zijn. Wetenschappelijke uitspraken moeten verifieerbaar zijn. Dit verhoogt de betrouwbaarheid van hetgeen in de theorie wordt gesteld. In talloze situaties in de natuurwetenschappen is dit een zeer toepasbare werkwijze, zoals bijvoorbeeld in de biomedische wetenschap waar we na onderzoek de effecten van bepaalde stoffen op de gezondheid kunnen voorspellen. Maar in sommige domeinen ligt dat toch moeilijker. In het geval van de evolutietheorie is het moeilijk tot onmogelijk om evolutie waar te nemen, laat staan ze te herhalen of experimenteel te toetsten. De tijdspanne waarover evolutie plaats vindt is daar eenvoudigweg te groot voor. De vereiste van de voorspelbaarheid van de fenomenen op grond van de theorie gaat ook niet op voor de evolutietheorie: afgezien van het probleem van de tijdsspanne is het mechanisme van evolutie is, zoals Patrick Vanderputte uiteen heeft gezet, dermate onopgehelderd, dat we van voorspellingen omtrent evolutie nog heel ver verwijderd zijn en misschien ook wel nooit aan toe zullen komen. Dat betekent niet dat de theorie niet ‘waar’ zou zijn, maar wel dat de theorie een hoog speculatief karakter heeft, en mogelijk altijd zal behouden. Toch verdient de theorie het om serieus genomen te worden, omdat er nogal wat aanwijzingen zijn die in de richting van evolutie wijzen. Zonder daar nu verder op in te gaan stellen we dat biologische wetenschap en dus ook de evolutietheorie zich afspelen in de waarneembare werkelijkheid van materie, energie, ruimte en tijd, de zg. immanente wereld of ‘natuur’. Zintuiglijke waarneming en de menselijke rede vormen de belangrijkste gereedschappen waarmee de bioloog tot inzicht komt. Voordat we biologie en de evolutietheorie confronteren met de theologie en het scheppingsgeloof maken we even wat plaats voor muziek.

Aflevering 2 – Deel 2

Theologie en scheppingsgeloof

Nu we kort nagegaan hebben wat biologie in het algemeen en evolutiebiologie in het bijzonder zijn, zullen we dezelfde oefening maken voor de theologie in het algemeen en het scheppingsgeloof in het bijzonder. Het ‘voorwerp van studie’ van de theologie, om het zo te zeggen, zijn God en zijn zelfopenbaring aan de mens. God is niet stoffelijk maar Geest, persoonlijk. Met Jezus en de komst van de Heilige Geest met Pinksteren kennen we die ene God als een liefdesgemeenschap van drie personen in éénheid, één God in drie personen: Vader, Zoon en Geest. Dit gaat onze pet te boven, maar toch is het kenbaar en bereikbaar voor de mens, omdat ook de mens een transcendent wezen is, een geestelijk wezen in een biologisch lichaam: de mens kan God kennen en met Hem in relatie leven. We vetrekken in de godsdienst dus vanuit de bovennatuur, als we het zo mogen zeggen, en dalen af naar de werkelijkheid van de mens en de natuur. En we onderzoeken de relatie tussen God, de mens, de mensen onderling en de levende en levenloze natuur. De theologie houdt zich dus in de eerste plaats bezig met wat we de transcendente werkelijkheid noemen en vervolgens met de relatie tussen de transcendente werkelijkheid van God en de immanente werkelijkheid van het hier en nu. Om die reden zijn we aangewezen op andere bronnen van informatie en andere methoden dan die in de natuurwetenschappen gelden. Zo bestuderen we met name de joods-christelijke traditie, meer in het bijzonder de Heilige Schrift, de geschiedenis van het christendom en de traditie van de Kerk. Daarbij maakt de theoloog gebruik van de rede, maar deze wordt verlicht door het geloof. Theologie zou immers moeten leiden tot het kennen van God en zijn werkzaamheid in het leven van de mens en de wereld en daarvoor is het geloven in God welhaast een vereiste. Waarbij geloven in God niet alleen verstaan moet worden als een geloven dát Hij bestaat, maar ook het in relatie staan tot God, in gebed en beschouwing, waardoor het menselijk verstand verlicht wordt met bovennatuurlijke kennis. Het menselijk verstand kent zijn beperkingen en zelfs tekortkomingen, door misconcepties en dwalingen, zodat het Gods genade behoeft om tot een juist inzicht te komen. In feite geldt dit voor elke verstandelijke activiteit van de mens, niet alleen de theologie. En in feite begint de theologie waar de mens God gewaar is geworden in gebed en beschouwing, om vervolgens deze godskennis nader redelijk uit te werken. De theologie is dus geen irrationele aangelegenheid, dit in tegenstelling tot wat veel ongelovigen denken, die de indruk hebben dat geloof een klakkeloos aannemen van geloofswaarheden is dat tegenover het redelijk verstand staat. De theologie is een redelijke duiding van wat de openbaring ons doet kennen, en de rede wordt verlicht door wat de openbaring haar te kennen geeft en wat de rede uit zichzelf wellicht niet te weten zou komen.

De schepping geldt als de eerste vorm van Gods zelfopenbaring. In de natuur ziet de gelovige mens het werk van een persoonlijke intelligente God, zij het dat we God zelf niet in die schepping tegenkomen. God is immers geest en de schepping is een materiële, geschapen, uiting van zijn creatieve liefde. Hij schuilt achter wat we zien en wordt dus door de natuurwetenschap per definitie niet waargenomen. Dat we de zichtbare werkelijkheid desalniettemin moeten interpreteren als geschapen door God, dat is wat de joods-christelijk traditie, vooropstelt. De bijbel plaatst dit letterlijk vooraan, in de eerste hoofdstukken van het boek Genesis. Dit scheppend handelen van God beperkt zich overigens niet tot het begin, maar is een voortdurend mysterievolle werkzaamheid van God in de natuurlijke orde. Bovendien voert dit voortdurend scheppend handelen de natuurlijke orde tot zijn bestemming, zijn voltooiing. God draagt zijn schepping door de tijd heen naar de voltooiing. De relatie tussen God en de geschapen werkelijkheid is er een van afhankelijkheid, in bovennatuurlijke zin: zou God één seconde de schepping zo gezegd ‘uit het oog verliezen’, dan zouden we in het niets verdwijnen, het niets waaruit de natuurlijk orde ook geschapen is. Tegelijkertijd kent de schepping een grote autonomie. God grijpt maar bij uitzondering in, maar laat de natuur in de regel zijn weg gaan. Dat kan ook omdat Hij de natuurlijke orde ‘in wijsheid’ heeft geschapen. De natuurwetten, zouden we nu zeggen, doen hun werk op zich goed genoeg. God hoeft niet in te grijpen, tenzij om zich op een bijzonder manier aan de mens te openbaren. Hij heeft de schepping immers ‘goed’ gemaakt, en de mens zéér goed en ‘naar zijn beeld’. Dat laatste wil onder meer zeggen dat de mens, net als God, persoonlijk is en vrij, in tegenstelling tot de dierenwereld. Wij zijn ‘iemand’, ‘persoon’, niet ‘iets’ of een ding, en we kunnen vrij kiezen. Dat delen we met de eveneens geschapen engelen, want het scheppingsgeloof leert ons dat God niet alleen de aarde heeft geschapen, maar ook de hemel. Er bestaan dus blijkbaar geestelijke wezens, eveneens toegerust met een vrije wil, die ze voor of tegen God kunnen aanwenden. Dit kan leiden, en leidt ook, tot het mysterie van het kwaad, wanneer sommige van deze geestelijke wezens, waarvan het bestaan natuurwetenschappelijk natuurlijk niet aantoonbaar is, voor eeuwig zich tegen God keren. Hieraan valt ook de mens aan ten prooi, wanneer hij zich laat verleiden om op een onjuiste manier de hem gegeven vrijheid te gebruiken om kwaad te doen en zo zijn relatie met God te verbreken. Maar de Drie-ene God heeft dit voorzien en een reddingsplan klaarliggen, wat uiteindelijk bestaat in de menswording van de Zoon, het verlossingswerk van Jezus Christus en de Kerk. God grijpt dus af en toe wél in in zijn schepping, als de mens er ‘een potje’ van heeft gemaakt, als een reddend handelen. Zo schrijven God en de mens de heilsgeschiedenis, om uiteindelijk voor altijd in harmonie samen te leven in de transcendente werkelijkheid die boventijdelijk en bovenplaatselijk is, in God.

Confrontatie evolutiebiologie en scheppingsgeloof
Als we nu de evolutiebiologie confronteren met de scheppingstheologie, dan stellen we vast dat er enerzijds raakpunten zijn, en anderzijds grote verschillen. De evolutiebiologie gaat uitsluitend over de natuurlijke orde, terwijl de scheppingstheologie in de eerste plaats gaat over God die zich openbaart, manifesteert in de schepping zelf. De scheppingstheologie beschrijft de relatie tussen de wereld van God en die van de zichtbare natuur, maar gaat niet uitgebreid in op het exacte materiële ‘wat, hoe en waardoor’ van de biologische verschijnselen. De scheppingstheologie uit zich wel in termen en beelden die de natuur betreffen, maar die zijn weinig exact, conform de kennis der natuur van de tijd waarin ze geschreven zijn, en vaak allegorisch van aard. De teksten hebben geen natuurwetenschappelijke pretentie en zijn vaak eeuwen ouder dan de natuurwetenschap zelf. De evolutiebiologie vraagt zich nu juist wel dat ‘wat, hoe en waardoor’ af van de natuurverschijnselen, maar stelt niet de vraag naar de bovennatuurlijke oorsprong van de dingen of hun betekenis, de relatie met de bovennatuur zo deze bestaat, de zin ervan, en een bestemming in de eeuwigheid. In die zin gaan scheppingsgeloof en evolutiebiologie dus over verschillende dingen, ook al komt in beide gevallen de kosmos, de natuurlijk orde en de mens ter sprake. In de methode gaan beide disciplines ook nogal anders te werk, wat onlosmakelijk verbonden is met het grote verschil in te bestuderen ‘object’. Gods bestaan en wezen bestudeer je nu eenmaal niet met een microscoop en een bacterie niet via exegese van oude gewijde teksten. Toch zijn er raakvlakken: de natuur als object en de redelijkheid, methodologisch gezien. Beide disciplines stellen zich vragen over de zichtbare natuur en de mens en beide zijn gehouden aan de wetten van de redelijkheid. Ook al kunnen ongelovigen dat nauwelijks geloven als het om de theologie gaat, ook deze moet redelijk zijn, ergens op gebaseerd en innerlijke coherentie vertonen. En de evolutiebiologie kan niet succesvol zijn als zij de wetten van de redelijkheid niet respecteert. Als nu evolutiebiologie en scheppingsgeloof met elkaar geconfronteerd worden is het van belang dat beide elkaars terrein en methode respecteren als ook het criterium van de redelijkheid. Een bioloog die het bestaan van God bevestigt dan wel ontkent treedt, buiten het terrein van zijn competentie, net als dat een theoloog niet geroepen is zich uit te spreken over de interpretatie van fossiele vondsten of de soortvorming in een populatie planten of dieren. Beide kunnen en moeten wel met elkaar dialogeren, beide met redelijke argumenten, maar een zonder onduidelijke vermenging van biologische en theologische argumenten. Het gesprek zal zich situeren op een filosofisch niveau, het niveau van de rede. Men vemijde ook elke vorm van concordisme, waarbij biologische inzichten op een geforceerde manier in overeenstemming worden gebracht met theologische inzichten. Een voorbeeld daarvan is de evolutionaire geschiedenis met die van de scheppingsfasen volgens de zes dagen van Genesis 1 in overeenstemming te willen brengen. Ook vermijde men enig discordisme, waarbij juist de fundamentele onverzoenlijkheid van beide disciplines naar voren wordt gebracht, en waarbij de ene discipline de andere naar het rijk der fabelen verwijst: de gelovige die de evolutie ontkent, en de bioloog die ontkent dat God bestaat. Wat blijft is de dialoog die voert tot een dieper verstaan van de dingen van God én de dingen van deze aarde, in hun onderlinge samenhang. Na de muzikale onderbreking gaan we daar verder op in aan de hand van een specifiek onderwerp: het probleem van het toeval en dat van de doelgerichtheid in de natuur.

Aflevering 2 – Deel 3

Toeval en doelgerichtheid
Als laatste thema voor deze uitzending over evolutiebiologie en scheppingsgeloof wil ik het met u hebben over toeval en doelgerichtheid in de natuur. Want rond het heikele begrip toeval concentreert zich veel van wat de discussie ‘evolutie en schepping’ behelst. In het neodarwinisme, de huidige moderne visie op de evolutie van het leven, neemt het toeval een prominente plaats in. Door toevallige mutaties ontstaan nieuwe eigenschappen, waarvan degene die de populatie de meeste overlevingskans bieden blijven bestaan en de populatie een nieuwe evolutionaire richting in sturen, aangepast aan haar omgeving. Op het eerste gezicht lijkt dit op gespannen voet te staan met het scheppingsgeloof, waarin de werkelijkheid gewild en in wijsheid gemaakt is en dus allerminst het product van blind toeval. Hoe moeten we tegen deze paradox, want dat lijkt het ons, aan kijken? De stand van zaken vanuit de biologie, maar dat zal elke menselijke waarnemer kunnen bevestigen, is dat men aanneemt dat er wel degelijk zoiets als toeval bestaat. Wie kan voorspellen welke wolken er morgen in welke constellatie aan de hemel zullen verschijnen, of op welke plaats exact dat ene herfstblad op de bodem van het bos zal neerdwarrelen: toeval lijkt toch echt te bestaan. En het lijkt de natuur niet te schaden. De vraag is of het niet denkbaar is dat evolutie inderdaad plaats heeft gevonden langs de weg van natuurlijke processen in een kosmos waarin naast materie en energie, en tijd en ruimte, ook toeval een constituerend element is, waarbij de ingeschapen eigenschappen van de materie en energie in een zee van ruimte en tijd, langs het pad van de toevalsprocessen uiteindelijk toch kunnen leiden tot het ontstaan van organische structuren, cellen, levende organismen en de mens. Dat is niet hetzelfde als zeggen dat het bestaan van de natuur of haar evolutie een zaak is van louter toeval. Vanuit de theologie (en de katholieke filosofie) wordt voorgesteld, door mensen als Maldamé en Lambert, om het aardse toeval te zien als een normaal element van de geschapen orde. De karakteristieken van de kosmos, de aarde en het leven zijn zodanig dat toeval geen hindernis vormt voor de natuur om georganiseerd, complex en doelmatig te zijn. In tegendeel: de rol van het toeval daarin schenkt de geschapen orde zijn autonomie. Blijkbaar leidt een volstrekt natuurlijk proces van ontstaan en vorming van leven op basis van materie en energie in ruimte en tijd, mét toeval tot complexe structuren en intelligent leven, zonder dat daarbij God buitenspel staat of voortdurend sturend tussenbeide moet komen. Het feit echter dat de kosmos deze karakteristieken heeft, deze geneigdheid tot een doel en tot hoger, bewust, ja zelfs religieus leven, dat berust niet op toeval, maar kan slechts door een hogere instantie gewild en gegeven zijn. In die zin zouden biologische evolutie op grond van toevallige mutaties, natuurlijke selectie en ’survival of the fittest’ goed samen kunnen gaan met het geloof in een scheppende God, op voorwaarde dat we het werkwoord ‘scheppen’ niet te binnenwereldlijk, te materieel verstaan. Toeval is dan een geschenk van God aan de natuurlijke orde, zoals de materie, de energie, de tijd en de ruimte dat is. Tijd en ruimte, materie en energie, waarvan er voldoende is om in een kosmos mét toeval te komen tot complex en intelligent leven dat uiteindelijk in staat is om de relatie met de Schepper aan de gaan. In deze benadering maken we dus een duidelijk onderscheid tussen de natuurlijke orde waarin toeval bestaat, en de bovennatuurlijke orde van God die Geest is, onstoffelijk, boven tijd en ruimte verheven, waar toeval ondenkbaar is. Toeval in de natuurlijke orde zou zelfs noodzakelijk zijn om de natuur haar relatieve autonomie te schenken, en uiteindelijk de mens zijn vrije wil. Deze gedachteoefening is natuurlijk voor discussie vatbaar. Het is een voorbeeld van hoe de zo onderscheiden maar niet gescheiden werelden van biologie en theologie met elkaar in gesprek kunnen gaan, elkaars domein en werkwijze respecterend, op zoek naar een beter begrip van de werkelijkheid.

Wat betreft de doelgerichtheid moeten we vaststellen dat de biologie de grootste moeite heeft om goede natuurlijke verklaringen daarvoor te vinden. De biologie zoekt per definitie naar natuurlijke oorzaken; het vermoeden van bovennatuurlijke oorzaken behoort niet tot haar terrein. Toch neemt de bioloog doelgerichtheid waar, in de bouw en het gedrag van organismen, en mogelijk ook in de evolutie van het leven zelf. Vanuit de theologie en de christelijke filosofie wordt deze doelgerichtheid als een soort godsbewijs aangevoerd, maar dan natuurlijk geen bewijs in de natuurwetenschappelijke zin, want er is geen natuurlijke, materiële basis voor een dergelijke argumentatie. Het is eerder een argument vóór het bestaan van God in een filosofische discussie. Filosoferend kan men stellen dat in de aard van de natuurlijke orde, de eigenschappen van de materie, de natuurwetten waaraan zowel de levenloze als de levende materiële werkelijkheid gehoorzamen, deze doelgerichtheid besloten ligt. Wat voor ons nu van belang is, is dat wij ook in deze discussie goed de transcendentie van de op deze wijze scheppende God en de immanentie van de materie, de natuurwetten, de levenloze en de levende natuur van elkaar blijven onderscheiden, niet scheiden van elkaar, maar ook geen verwarring toelaten in het aanwijzen van natuurlijke en bovennatuurlijke oorzaken van doelgerichtheid.

Slot
Voor deze uitzending, nogal abstract en filosofisch van aard zullen we het hier nu bij laten. Volgende week zullen we in de laatste uitzending en op basis van het voorgaande ingaan op een aantal actuele discussies, zoals reeds vernoemd: het atheïstisch en het maatschappelijk evolutionisme, het creationisme en intelligent design, alsmede de visie van de katholieke kerk.
Heeft u over deze uitzending vragen, dan kan u tot 12 uur bellen naar Radio Maria. Het telefoonnummer zal zodadelijk worden meegedeeld. Ik zal dan beschikbaar zijn om op uw vragen te reageren.
Ook kunt u radio Maria een e-mail sturen met uw vraag of opmerking en u kunt de tekst van deze uitzending downloaden van de website www.radiomaria.nl, rechtsonder op de pagina ‘programmering’. Ik dank u hartelijk voor uw belangstellende aandacht.

U hoorde de heer Vincent Kemme in een conferentiereeks over schepping en evolutie bij gelegenheid van het Darwinjaar.


Vaticaan geeft groen ligt voor genetisch gemodioficeerde orgaismen

vatican01

BRUSSEL (KerkNet/New Scientist/Cathnews) – Volgens ‘New Scientist’ heeft het Vaticaan tijdens een seminarie in Rome zijn zegen gegeven over genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), om een dam op te werpen tegen de armoede en de honger in de wereld. In het verleden stelde Rome zich eerder afzijdig of zelfs afwijzend op. Bovendien verwierp een denktank van de Verenigde Naties de gewassen vorig jaar nog als oplossing voor de honger in de wereld.

Het seminarie vond plaats op initiatief van de Pauselijke Academie voor Wetenschappen. Volgens de deelnemers van het seminarie kunnen de gewassen voedselzekerheid en -veiligheid, evenals een betere gezondheid bieden. Zij zijn ook duurzamer voor het milieu. Maar er waren ook negatieve stemmen. Sommigen waarschuwden voor een nog grotere machtsgreep van de multinationals op de economie van het Zuiden door deze technologie. Bovendien krijgen, door de strikte regels, vaak alleen de grote multinationals de nodige vergunningen.

Vaticaan publiceert historisch-kritische uitgave proces Galileo Galilei

galileo_galilei
BRUSSEL (KerkNet/Kathpress) – Naar aanleiding van het ‘Jaar van de Astronomie’ heeft het Vaticaan een historisch-kritische uitgave gepubliceerd van de procesakten van de zaak Galileo Galilei. Het boek bevat ook twintig, niet eerder gepubliceerde documenten uit de archieven van het Heilig Officie, voorganger van de Congregatie voor de Geloofsleer. Ook de historische context waarin die moeten bestudeerd worden, wordt in het boek toegelicht.

De documenten dateren allen van 1616, het jaar waarin de dominicaan Tommaso Caccini de wetenschapper aanklaagde, tot 1741. Dat is het jaar waarin paus Benedictus XIV de bouw toestond van een grafmonument in de Heilig Kruisbasiliek in Firenze.

De Italiaanse natuurkundige Galileo Galilei (1564-1642) keek vierhonderd jaar geleden voor het eerst met een telescoop naar de hemel. Daarmee gaf hij de aanzet tot een nieuw wetenschappelijk tijdperk. Later viel hij in ongenade bij de katholieke Kerk wegens zijn stelling dat de zon en niet de aarde in het centrum van het heelal staat. Pas in 1992 schonk paus Joannes Paulus II eerherstel, nadat een onderzoekscommissie van het Vaticaan zich verdiept had in het geval Galileo Galilei.

De jezuïet en astronoom George Coyne verklaarde tegenover Radio Vaticaan dat de zaak Gailileo met de publicatie van dit boek nu afgehandeld is. “De katholieke Kerk leverde met drie decennia historisch onderzoek van de processen tegen de wetenschapper haar bijdrage.” Ter verdediging voegt Coyne eraan toe dat in de tijd ook in niet-kerkelijke kringen vele misverstanden bestonden met betrekking tot de natuurwetenschappen, die nog maar in hun kinderschoenen stonden. Van een doorgedreven Bijbelexegese was in die tijd al helemaal geen sprake.

Symbiogenese als mechanisme voor evolutie

margulis. Over het ontstaan van leven en van de vele soorten die we op aarde kennen blijven wetenschappers speculeren. Darwin stelde in zijn Origin of species dat door toevallige mutaties en natuurlijke selectie de best aangepaste levensvormen overleefden en dat daarmee het mechanisme van evolutie beschreven is. Die theorie, die niet meer dan een theorie is waarvoor géén bewijzen bestaan, is door velen als onvoldoende gekwalificeerd om het gehele ontstaan van het biologische leven zoals we dat nu kennen te verklaren. Eén alternatief geluid is dat van de Amerikaanse biologe Lynn Margulis. Zou houdt het er op dat complexere levensvormen ontstaan zijn door symbiose van eenvoudiger levensvormen. De eukaryotische cel zou ontstaan zijn door een samengaan van verschillende soorten van bacteriën.

Lynn Margulis, Distinguished University Professor Geosciences aan de universiteit van Massachusetts-Amherst en schrijfster van opwindende boeken als Symbiotic Planet, What is Life (met haar zoon Dorion Sagan) en Acquiring Genomes, werd als Lynn Alexander, oudste dochter van Morris Alexander (jurist en zakenman) en Leone Wise (reisleidster), in 1938 geboren in Chicago. Ze ging naar de Hyde Park High School en al op de leeftijd van veertien jaar naar de universiteit van Chicago, waar ze in 1957 haar graad behaalde. Hetzelfde jaar trouwde ze met de later beroemd geworden astronoom Carl Sagan. Daarna studeerde ze genetica en zoölogie aan de universiteit van Wisconsin, waarin ze in 1960 afstudeerde. In 1963 scheidde ze van Sagan. Ze promoveerde in 1965 en datzelfde jaar trouwde ze met de chemicus Thomas Margulis, van wie ze in 1978 scheidde, maar zij bleef haar werk onder zijn achternaam voortzetten. Samen met Tony Swain was Margulis in 1979 de oprichter van het Planetary Biology Internship, die het gevorderde studenten mogelijk maakt om te participeren in biologisch onderzoek van de NASA.

Het idee van symbiogenese is begin twintigste eeuw voor het eerst geopperd door de Russische bioloog Mereschowski. Maar in 1893 vermoedde de Duitse Andrea Schimper dat chloroplasten heel vroeger bacteriën waren. In haar proefschrift uit 1965 liet Lynn Margulis voor het eerst een endosymbiontenhypothese zien: eukaryote cellen zouden zijn voortgekomen uit symbiose van diverse soorten bacteriën. Margulis stelde dat complexe celorganellen evolutionaire bewijzen ervoor zouden bevatten. In 1967 werd haar verhandeling Origins of Mitosing Cells (De oorsprong van cellen met mitose) in de Journal of Theoretical Biology gepubliceerd. Margulis voorzag haar weinig invloedrijke gedachte in de jaren zeventig van een stevig fundament, onder meer in haar in 1970 gepubliceerde boek The Origin of Eukaryotic Cells. Ze bracht er een kleine revolutie in de biologie mee teweeg en werd op slag wereldberoemd. In 1983 werd zij gekozen als lid van de Nationale Academie van Wetenschappen. Haar SET-theory wordt tegenwoordig in wijde wetenschappelijke kring aanvaard. In 2008 kreeg ze de Darwin-Wallace Medal van de Linnean Society of London.

Margulis’ theorie stelt dat bacteriën tijdens de eerste drie miljard jaar van de evolutie meermalen met elkaar zijn versmolten, waarbij de cellen ontstonden van dieren, planten en de andere ‘hogere’ levensvormen, al naar gelang welke bacteriën met elkaar in symbiose gingen leven. Aërobe bacteriën gingen vanaf twee miljard jaar geleden een symbiose aan (een verregaande vorm van samenwerking: ze fuseerden) met grote Amoebe-achtige cellen en werden mitochondriën. De bacterie verkreeg zo voedsel, de Amoebe-achtige een energieleverancier. Fotosynthetiserende (cyaan-)bacteriën werd chloroplasten. Ciliaten hebben ons volgens Margulis de harige structuren op cellen gegeven (luchtpijp, darmen). En de spirocheten – spiraalvormige, snel bewegende bacteriën – gaven onze cellen centriolen (die bij celdeling de chromosomen verdelen) en maakten dat spermacellen zo hard kunnen zwemmen. Ons eigen lichaam is volgens Margulis in feite een gigantische verzameling bacteriën die zich georganiseerd hebben in cellen en organen, en die met z’n allen zo op elkaar inwerken dat ze een zelfstandig organisme zijn gaan vormen – wij.

Pas na haar publicatie in 1967 werd goed duidelijk dat mitochondriën en bladgroenkorrels hun eigen DNA meedragen: het maakte de symbiose-theorie in een klap geaccepteerd. Margulis staafde haar symbiont-idee indertijd met transmissie-experimenten, zo licht ze nu toe. ’De meeste eigenschappen gedragen zich Mendeliaans: als je groen met wit kruist, zijn alle nakomelingen groen, als die kruist krijg je groen en wit in de verhouding drie staat tot één, et cetera. Echter, er waren ook eigenschappen binnen organismen die zich niet-Mendeliaans gedragen, zoals bepaalde eigenschappen van chloroplasten. Die eigenschappen werden door één ouderorganisme bepaald en niet door twee. We wisten dat bacteriën en virussen zich niet-Mendeliaans gedragen en dat naakte genen in eukaryoten niet bestaan – ze zijn omgeven door een biologische entiteit. De beste verklaring was daarom de aanwezigheid van micro-organismen.

De oorspong van chloroplasten en mitochondriën is inmiddels middelbare-schoolstof. Toch is niet de gehele endosymbiose-theorie gemeengoed. Margulis: ’We have won three out of four’. Eén is de oorspong van het cytoplasma, van archaeabacteria. Twee is mitochondriën, drie chloroplasten. Vier is cilia, aan het bewijs daarvoor werken we nu. Deze week (2002, red.) verschijnt ons artikel in PNAS over de oorspong van cilia en de kern.

Margulis vermoedde dat daar fossiel bewijs voor moest zijn: tussenvormen van pro- en eukaryoten. Een Nederlander leek uitkomst te bieden. ‘Ik wist toen niets van geologie: ik begon als genetica-student, en had me op bacteriën gestort. Maar ik kwam een boek tegen van M.J. Rutten, uit Utrecht. Eenmaal heb ik hem ontmoet, de man is inmiddels overleden. Zijn boek heette Origins of life, over fossielen uit het precambium. In mijn manuscript verwees ik naar hem. ’Omdat ik me onzeker voelde in dit nieuwe vakgebied, stuurde ik mijn artikel op naar Elso Barghoorn, de befaamde hoogleraar van Harvard universiteit. Vier maanden later belde hij mij op. “Ik ben het niet oneens met je,” zei hij, “maar dat fossiele archief klopt niet.” Al mijn fossiele voorbeelden kwamen uit dat boek. It was all wrong! ’Rutten ging overigens af op data van anderen. Barghoorn gaf me vanaf toen tot aan zijn dood lessen in het fossiele archief van het precambium. Hij is de founder van precambium paleobiologie, een fantastische man. Ik corrigeerde de fouten in het artikel (Origin of nucleated cells) en het werd gepubliceerd. We hebben in amber geconserveerde fossielen gevonden van termieten uit het Mioceen (20 miljoen jaar geleden), recenter dan het precambium dus. Daarin zagen we karyomastigonten, structuren die zijn ontstaan doordat langwerpige spirocheten zich deels in archaea-bacteriën hebben geboord.’ Margulis stelt dat het DNA van beide bacteriën zich gemengd heeft en vanuit het endoplasmatisch reticulum voorzien werd van een membraan: de celkern. De langwerpige structuren die buiten de oorspronkelijke archaeabacterie bleven hangen, zijn geworden tot wat we nu cilia (haartjes) noemen.’

Vandaag de dag erkennen vrijwel alle deskundigen dat symbiogenese een rol speelt in de evolutie. Maar voor haar stelling dat dit het enige evolutionaire mechanisme is, krijgt Margulis nauwelijks bijval. De meeste experts blijven erbij dat moeder natuur veel meer trucs aanwendt om genetisch materiaal te veranderen: ze verdubbelt hele stukken DNA, keert ze om, verplaatst ze, brengt er kleine mutaties in aan, enzovoort.

Lynn Marcelis wordt ook beschouwd als de moeder van de Gaia-theorie, genoemd naar de godin van de aarde uit de Griekse mythologie. De Gaia-hypothese beschouwt de aarde als een zichzelf regulerend organisme; Margulis beperkt zich overigens tot een strook van 20 kilometer breedte, 8 km boven en 12 km onder het aardoppervlak. Zo kunnen oceaanalgen met het uitstoten van dimethylsulfide-gas de vorming van wolken stimuleren en zo de hoeveelheid invallend zonlicht reguleren. ‘De Gaia-hypothese stelt dat de samenstelling van reactieve gassen, de zuurgraad, de oxidatietoestand van biologisch belangrijke elementen als koolstof, zwavel, stikstof en fosfor, en de oppervlaktetemperatuur bepaald worden door het leven op aarde. Maar let wel, Gaia is erg complex en er bestaan vele definities.’ Margulis vermoedt nog veel meer Gaia-fenomenen. ‘Dit zijn mijn suggesties voor verder onderzoek: regen is een biologisch fenomeen; de laterale beweging van de tektonische platen; het vergroten van raakvlakken tussen vaste, vloeibare en gasvormen; de kringloopbewegingen van metalen en fosfor; en het behouden van zout in de oceanen.’ Ze is niet de bedenker van Gaia. Wijlen Vladimir Vernadsky opperde het idee, en James Lovelock gaf de hypothese een naam en faam. Margulis: ‘Vernadsky is de grootvader van Gaia, James Lovelock de vader en Peter Westbroek de stiefvader.’ En over de planeet Mars: ‘Eigenlijk zouden we naar Mars moeten. Als wij Mars koloniseren, heeft Gaia zich voortgeplant en is de Gaia-hypothese bewezen.’

Deze Gaia-theorie is niet bepaald een geaccepteerd gedachtegoed binnen de biogeologie. Het Britse wetenschapsblad Nature schreef ooit een vernietigend commentaar over Gaia. Margulis versterkte het zweverig aura dat aan Gaia kleeft. Een filmpje over ‘moeder aarde’ had ze voorzien van een ritmische new age-muziek, zodat ze er zelf overheen moest schreeuwen (‘The earth has a face and it’s name is Gaia’). Het maakte haar presentatie even spannend als surrealistisch.

Daarmee neemt Lunn Marcelis een eigen plaats in in het debat over evolutie en geloof. Ze kiest ogenschijnlijk voor de New Age visie, dat een pseudo-religueze opvatting is over natuur en bovennatuur, zonder daar een helder onderscheid in aan te brengen, en welke de joods-cnristelijke openbaring in bij bel en christelijke (katholieke) traditie terzijde schuift. Het bestaan van een persoonlijke God, schepper van hemel en aarde wordt ontkent evenals zijn zelfopenbaring in de persoon van Jezus, de christelijke filosofie over de relatie natuur en bovennatuur en geloof en wetenschap. Toch was Lynn Marcelis een van de sprekers tijden het door het Vaticaans georganiseerde congres over Biologische Evolutie, begin maart 2009, waar ze vooral op haar symbyogenese-theorie inging, wat als een welkome aanvulling werd ervaren op het enge neodarwinisme met zijn evolutie door toevallige mtaties en natuurlijke selectie alleen.

Bron: Wikipedia/Trouw/De Gids/Kennislink/Bionieuws

Kosmologie en fundamentele natuurkunde en geloof: de visie van Johannes Paulus II

popejp1_wideweb__470x339,0

MOGE DE WIJSHEID VAN DE MENSHEID ALTIJD HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK BEGELEIDEN

Fragmenten uit de toespraak van paus Johannes Paulus II tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen op  3 oktober 1981

Na een inleidend woord zegt de paus:

2. Gedurende deze studieweek buigt u zich over het probleem van de ‘Cosmologie en fundamentele natuurkunde’ met de deelneming van geleerden uit heel de wereld, van de twee Amerika’s tot Europa en China. Dit thema staat in verband met de onderwerpen die reeds door de Pauselijke Academie van Wetenschappen zijn behandeld in de loop van haar aanzienlijke geschiedenis. Ik wil hier spreken van de zittingen over de microseismen, over de sterrenbevolking, over de kosmische stralingen, over kernen van de melkwegen, zittingen die plaats hadden onder het voorzitterschap van pater Gemelli, de heer Lemaitre en ook van pater O’Connel aan wie ik mijn hartelijkste wensen richt en de Heer vraag hem bij te staan in zijn beproeving met de gezondheid.

De cosmogonie en de cosmologie hebben altijd een grote belangstelling gewekt bij de volkeren en in de godsdiensten. De bijbel zelf spreekt over het ontstaan van het heelal en haar samenstelling, niet om ons een wetenschappelijke verhandeling te verschaffen, maar om nauwkeurig de juiste verhoudingen van de mens met God en met het heelal uit te drukken. De heilige Schrift wil eenvoudig verklaren dat de wereld door God is geschapen, en om deze waarheid te leren drukt zij zich uit met de bewoordingen van de cosmologie welke in gebruik was in de tijd van de schrijver. Het gewijde boek wil bovendien aan de mensen doen weten, dat de wereld niet is geschapen als zetel van de goden, zoals andere cosmogenieën en cosmologieën leren, maar dat hij is geschapen in dienst van de mens en tot glorie van God. Elke andere leer over het ontstaan en de samenstelling van het heelal is vreemd aan de bedoelingen van de bijbel: deze wil niet leren hoe de hemel is gemaakt, maar hoe men in de hemel komt. Elke wetenschappelijke hypothese over het ontstaan van de wereld, zoals die van een oeratoom waaruit het geheel van het fysieke heelal zou voortvloeien, laat het probleem betreffende het begin van het heelal open. De wetenschap kan uit zichzelf een dergelijke kwestie niet oplossen: dit weten van de mensen moet zich verheffen boven de natuurkunde en de astrofysica en wat de metafysica wordt genoemd; het weten moet vooral komen van de openbaring van God.

Dertig jaar geleden drukte mijn voorganger paus Pius XII zich op 22 november 1951 aldus uit, toen hij over het probleem van het ontstaan van het heelal sprak tijdens de studieweek over het probleem van de microseismen welke was georganiseerd door de Pauselijke Academie van Wetenschappen:

‘Tevergeefs verwacht men hier een antwoord van de natuurwetenschap, die van haar kant overigens loyaal verklaart voor een onoplosbaar raadsel te staan. Het is waar: men zou daarmee ook te veel van de natuurwetenschap vragen; doch van de andere kant is het ook zeker, dat de in wijsgerige bespiegelingen ervaren menselijke geest dieper tot het vraagstuk doordringt. Ontegenzeglijk voelt een verlichte geest, verrijkt met de moderne wetenschappelijke kennis, zich bij het wikken en wegen van dit vraagstuk, zo dit sereen geschiedt, gedwongen de kring te doorbreken van een totaal onafhankelijke en autotochtone materie – van een materie die ongeschapen zou zijn of zichzelf zou hebben geschapen – om op te stijgen tot een scheppende Geest. Met dezelfde klare en kritische blik, waarmede hij de verschijnselen waarneemt en beoordeelt, ziet en ontdekt hij daarin het werk van een scheppende Almacht, waarvan de kracht, in beweging gebracht door een machtig, milliarden jaren geleden door de scheppende Geest uitgesproken ‘fiat’, uitging over het universum en in een daad van edelmoedige liefde de van energie overvolle materie tot bestaan riep’

3. Ik verheug me zeer, heren academici, over het thema dat u hebt gekozen voor uw voltallige zitting welke vandaag zelf begint: ‘De weerslag van de moleculaire biologie op de samenleving’. Ik waardeer de voordelen die voortvloeien – en die nog kunnen voortvloeien – uit de studie en de toepassingen van de moleculaire biologie, aangevuld door de andere wetenschappen zoals de genetica en haar technologische toepassing in de landbouw en de industries en ook zoals voorzien wordt, voor de behandeling van verschillende ziekten, waarvan sommige van erfelijke aard zijn. Ik heb een vast vertrouwen in de wetenschappelijke wereldgemeenschap en op een heel bijzondere wijze in de Pauselijke Academie van Wetenschappen, dat juist dank zij haar de vooruitgang en de biologische onderzoekingen, evenals overigens alle ander wetenschappelijk onderzoek en zijn technologische toepassing, zullen worden volbracht in het volle respect voor de morele normen met waarborging van de waardigheid van de mensen, hun vrijheid en hun gelijkheid. Het is noodzakelijk, dat de wetenschap altijd samengaat en wordt beheerst door de wijsheid welke tot het blijvend geestelijk erfgoed van de mensheid behoort en welke wordt bezield door het plan van God dat in de schepping is gegrift alvorens vervolgens door zijn woord te worden verkondigd.

Een bezinning welke door de wetenschap en de wijsheid van de wetenschappelijke wereldgemeenschap wordt geïnspireerd moet de mensheid voorlichten over de gevolgen – goede en slechte – van het wetenschappelijk onderzoek en vooral welke de mens betreft, opdat men zich enerzijds niet vastlegt op anticulturele standpunten die de vooruitgang van de mensheid vertragen en anderzijds niet schenden wat voor de mens het meest kostbaar is: de waardigheid van zijn persoon die bestemd is voor een echte vooruitgang in de samenhang van zijn lichamelijke, verstandelijke en geestelijke eenheid.

4. Een ander onderwerp heeft deze dagen de aandacht vastgehouden van sommigen onder u, uitstekende geleerden uit verschillende delen van de wereld, die door de Pauselijke Academie van Wetenschappen zijn bijeengeroepen: dat van de parasitaire ziekten die de armste landen van de wereld treffen en een ernstige belemmering zijn voor de ontwikkeling van de mens in het geëvenredigde kader van fysiek, economisch en geestelijk welzijn. De inspanningen om zoveel mogelijk de plagen uit te bannen die door de parasitaire ziekten in een groot deel van de mensheid worden teweeggebracht, zijn onafscheidelijk van die welke moeten worden ondernomen voor de sociaal-economische ontwikkeling van dezelfde bevolkingen. De mensen hebben normaal een voldoende gezondheid nodig en een minimum aan materiële goederen om waardig volgens hun menselijke en goddelijke roeping te kunnen leven. Daarom keerde Christus Jezus zich met een oneindige liefde tot de zieken en gebrekkigen, en heeft Hij ettelijke ziekten waarmee u zich in deze dagen hebt beziggehouden op wonderbare wijze genezen.

Moge de Heer de activiteit inspireren en schragen van de geleerden en medici die hun onderzoek en hun beroep wijden aan de bestudering en de nood van de menselijke gebrekkigheden, vooral van de meest ernstige en meest vernederende!

5. Naast het onderwerp van de parasitaire ziekten heeft de academie het probleem aangeroerd van een plaag van catastrofale omvang en ernst welke de gezondheid van de mensheid zou kunnen treffen, wanneer een kernconflict zou uitbreken. Behalve de dood van een groot deel van de wereldbevolking, zou een kernconflict onberekenbare gevolgen kunnen veroorzaken voor de gezondheid van de huidige en toekomstige generaties. De multi-disciplinaire studie welke u op het punt staat te voltooien zal niet kunnen nalaten voor de staatshoofden een beroep op hun onmetelijke verantwoordelijkheid te vormen en in heel de mensheid een steeds brandender dorst te veroorzaken naar eendracht en vrede: dit verlangen komt uit het diepste van het menselijk hart, en eveneens uit de boodschap van Christus die is gekomen om de vrede te brengen aan de mensen van goede wil.

Krachtens mijn universele zending wil ik me nogmaals de vertolker maken van het recht van de mens op rechtvaardigheid en vrede, en van de wil van God die alle mensen gered wil zien. En ik hernieuw de oproep welke ik in Hiroshima op 25 februari jongstleden heb gedaan: ‘Besluiten wij hier en nu plechtig nooit meer oorlog toe te laten, of zelfs te zoeken, als middel om conflicten op te lossen! Beloven wij onze medemensen onvermoeibaar te werken aan de ontwapening en de uitbanning van alle atoomwapenen! Laten wij geweld en haat vervangen door wederzijds vertrouwen en solidariteit’. 2

6. Onder de inspanningen die voor de vrede van de mensen moeten worden ondernomen, is die welke voor alle volkeren energie wil waarborgen, welke noodzakelijk is voor hun vreedzame ontwikkeling. De academie heeft zich tijdens de studieweek van het afgelopen jaar met dit probleem beziggehouden. 3 Ik ben blij vandaag de gouden medaille van Pius XI te kunnen overreiken aan een geleerde die op een aanzienlijke wijze door zijn onderzoek op het gebied van de foto-chemie heeft bijgedragen aan het benutten van de zonenergie. Het betreft professor Jean-Marie Lehn van het Collège de France en van de universiteit van Straatsburg, aan wie ik mijn hartelijke gelukwensen aanbied.

Aan u allen, heren, richt ik mijn oprechte wensen voor het werk dat u zult verrichten in het wetenschappelijk onderzoek. Ik bid de Almachtige God u te zegenen, uzelf, uw gezinnen, degenen die u dierbaar zijn, uw medewerkers, en heel de mensheid waarvoor u en ik, langs verschillende maar elkaar kruisende wegen, de zending moeten volbrengen welke ons door God is toevertrouwd.

© Archief van de Kerken, 37e jrg (1982) nr. 6

Bewijzen van het bestaan van God volgens paus Johannes Paulus II

PausIedereen vraat zich wel eens af of God bestaat. Paus Johannes Paulus II heeft er in 1985 in zijn catechese over de geloofsbelijdenis van de katholieke kerk het volgende antwoord op gegeven.

1. Wanneer men ons vraagt: “Waarom gelooft gij in God?”, dan is het eerste antwoord dat van ons geloof: God heeft zich aan de mens geopenbaard; Hij is de mens tegemoet gekomen. De hoogste openbaring van God hebben we ontvangen in Jezus Christus, de mens geworden God. Wij geloven in God omdat Hij zich heeft doen kennen als het Opperste Wezen, als de grote ‘Zijnde’.

Maar dat geloof in een God die zich openbaart, steunt ook op verstandelijke argumenten. Bij enig nadenken zien we in dat het ons niet ontbreekt aan bewijzen voor het bestaan van God. Die bewijzen werden door denkers uitgewerkt in de vorm van filosofische bewijsvoeringen, door de samenhang van een onweerlegbare logica. Maar die bewijzen worden ook aangeboden in een eenvoudiger vorm, zodat ze verstaanbaar zijn voor ieder die zoekt naar de zin van de wereld die hem omringt.


Wetenschappelijke bewijzen

2. Als we spreken over bewijzen voor het bestaan van God moeten we er de nadruk op leggen, dat het dan niet gaat om bewijzen van wetenschappelijke en experimentele aard. In de moderne betekenis van het begrip hebben alleen zintuiglijk waarneembare feiten waarde als wetenschappelijke bewijzen, want alleen dáár kan men gebruik maken van instrumenten voor opzoekingen en controle waarvan de moderne wetenschap zich bedient. Het bestaan van God wetenschappelijk willen vaststellen zou een neerhalen van God betekenen tot het niveau van de schepselen van onze wereld, zodat we ons meteen methodologisch zouden vergissen met betrekking tot de persoon van God. De wetenschap moet haar beperkingen en onvermogen erkennen als het gaat om iets te weten over het bestaan van God: ze kan dat bestaan bevestigen noch ontkennen.

Maar dat betekent niet dat geleerden niet in staat zouden zijn door wetenschappelijke studie motieven aan te voeren voor een erkenning van het bestaan van God.

Als de wetenschap als zodanig niet in staat is, tot het Godsbestaan te komen, dan kan de geleerde, wiens wetenschappelijk denken zich niet alleen beperkt tot het tastbare in de wereld, toch redenen vinden die toelaten het bestaan te veronderstellen van een Wezen dat hem overstijgt. Vele geleerden hebben die ontdekking gedaan en vele doen dat nog steeds.

Wie met een open geest nadenkt over het ontstaan van de stoffelijke wereld, wordt ertoe gedwongen zich vragen te stellen in verband met de oorsprong. Wanneer we geconfronteerd worden met sommige gebeurtenissen, vragen we instinctief naar de oorzaken. Waarom zouden we ons dan geen vragen stellen in verband met het geheel van de schepselen en de fenomenen, zoals we die in de wereld ontdekken?

De opperste oorzaak

3. Bij een wetenschappelijke hypothese als bijvoorbeeld die van de uitdeining van het heelal, rijst het probleem in zijn volle dimensie; als het heelal in voortdurende ontwikkeling en uitbreiding is, moet men dan niet in de tijd kunnen terugkeren tot het punt dat men ‘beginpunt’ zou kunnen nemen, het moment waarop die wording in gang werd gezet? Die principiële vraag kan men niet ontwijken, welke ook de aanvaarde theorie in verband met het ontstaan van het heelal is. Dat heelal, dat in voortdurende beweging is, roept inderdaad de vraag op naar een oorzaak waarin het zijn ontstaan vindt, die het zijn beweging geeft en zonder ophouden in stand houdt. Bij ontbreken van een hogere oorzaak blijft de wereld en iedere bestaande beweging ‘zonder verklaring’ en ‘onverklaarbaar’; en ons verstand blijft onbevredigd. De menselijke geest kan alleen maar een antwoord op die vragen vinden, als hij een hoger wezen aanvaardt, dat de wereld vanuit zijn kracht geschapen heeft en voortdurend in stand houdt.

4. De noodzaak om een hogere oorzaak te aanvaarden, wordt nog dringender, wanneer men oog heeft voor de volmaakte planning die de wetenschap altijd verder ontdekt in de structuur van de materie. Het menselijk verstand spant zich in en tracht met grote moeite de opbouwen de krachten in de stofdeeltjes zelf te ontdekken. Is het dan niet normaal, dat men als het ware gedreven wordt de oorsprong te zoeken in een superieur verstand, dat alles ontworpen heeft? Tegenover de wonderen van de onmetelijk kleine wereld van het atoom en de oneindig grote wereld van de kosmos voelt de geest van de mens zich totaal overstegen in zijn mogelijkheden tot scheppen, ja zelfs in zijn verbeelding; hij begrijpt dat een werk van zo’n kwaliteit en omvang een Schepper vereist, wiens wijsheid elke maat overstijgt, wiens macht oneindig is.

Interne finaliteit

5. Alle onderzoekingen in verband met het leven leiden naar eenzelfde besluit. De evolutie van de levende wezens, waarvan de wetenschap de verscheidene fasen tracht te omschrijven en het ontwikkelingsproces te doorzien, vertoont een intern finalisme waarvoor men alleen maar in bewondering kan staan. Die doelgerichtheid oriënteert de levende wezens in een richting waarvan zijzelf de bewerkers noch de oorzaak kunnen zijn. Wij moeten geloven in een Geest die er de ontwerper en de schepper van is.

De geschiedenis van de mensheid en ook het leven van elk menselijk wezen vertoont een doelgerichtheid die nog indrukwekkender is. Het is duidelijk dat de mens niet in staat is zelf de zin uit te leggen van alles wat hem overkomt; ook moet hij erkennen dat hij zijn eigen bestemming niet zelf in handen heeft. Niet alleen heeft hij zichzelf niet geschapen, maar ook heeft hij de loop der gebeurtenissen in zijn bestaan niet in handen. Toch is hij ervan overtuigd, een doel te hebben; hij tracht de aard van dat doel te ontdekken, en hoe het in zijn bestaan is geënt. Soms slaagt hij erin die verborgen doelmatigheid gemakkelijker waar te nemen, omdat ze duidelijker een samenloop van omstandigheden en gebeurtenissen weergeeft. Daardoor wordt de mens ertoe gedwongen, de soevereiniteit te beamen van Hem, die deze doelgerichtheid heeft geschapen en er richting aan geeft in het leven van de mens.

6. Tussen al de elementen in de schepping die ons dwingen de ogen naar Boven te richten, is er tenslotte nog de schoonheid.

“De hemel verkondigt de majesteit van God;
de dag heft zijn roep tot de dag
de nacht aan de nacht zegt de mare”
(Ps. 19, 1-2)

Ze manifesteert zich in de vele kunstwerken, in literatuur, muziek, schilderkunst en plastische kunsten. Die schoonheid vinden we ook in morele gedragingen: in goede gevoelens, in daden die bewondering afdwingen!

De mens is zich bewust van het feit, dat hij heel die schoonheid ‘ontvangt’, zelfs als hij er zelf toe bijdraagt om haar te verwezenlijken. Hij ontdekt en bewondert ze pas ten volle, als hij haar bron erkent, de transcendente schoonheid van God.

7. Tegenover al deze ‘aanwijzigingen’ voor het bestaan van God stellen sommigen de kracht (virtû) van het toeval of de eigen mechanismen van de materie. Echter, het spreken over toeval in een universum dat ons een zo complexe organisatie van elementen en een zo bewonderenswaardige doelgerichtheid in het leven presenteert, betekent het afwijzen van een onderzoek naar de verklaring van de wereld zoals ze aan ons verschijnt. In feite zou het gelijkstaan met het accepteren van effecten zonder oorzaak. Het gaat dan om een afschaffing (abdicazione) van het menselijk intellect, dat op die manier zou afzien (rinuncerebbe) van het denken en van het zoeken van oplossingen voor zijn problemen.

Ontelbare aanwijzingen dwingen dus de mens, die het heelal waarin hij leeft, zoekt te begrijpen, zijn blik naar de Schepper te richten. De bewijzen van het bestaan van God zijn talrijk en convergent. Ook tonen ze aan dat het geloof niet strijdig is met de menselijke intelligentie; integendeel, ze stimuleren tot nadenken en laten de mens toe, beter het ‘waarom?’ te begrijpen dat opwelt bij het observeren van de werkelijkheid.

Erfelijkheid en evolutietheorie: de visie van paus Pius XII

pius12

De visie van de katholieke kerk op de evolutietheorie kunnen we gedeeltelijk ook terugvinden in een toespraak tot de deelnemers aan het eerste internationale congres voor medische erfelijkheidsleer, gehouden in september 1953. ‘Het karakteristieke van uw wetenschap, waardoor zij zich onderscheidt van andere takken van biologie en geneeskunde, is haar jeugd. Maar niettegenstaande haar jeugd kenmerkt zij zich door een snelle ontwikkeling en door de ver reikende, men zou haast zeggen, vermetele doeleinden, die zij zich heeft gesteld’, aldus de paus in zijn inleiding. Reden voor de kerk om zich uit te spreken. In het gedeelte van de toespraak getiteld: ‘Stand van de moderne erfelijkheidsleer’ gaat de paus in op de evolutietheorie.

Verband tussen erfelijkheidsleer en evolutietheorie

14. Wat de biologie en in het bijzonder de genetica zeggen over de kiemcellen, de erfelijkheidsfactoren, over modificaties, mutaties en selectie gaat boven de individuen in de verschillende soorten uit en raakt ten slotte de kwestie omtrent oorsprong en ontwikkeling van het leven in het algemeen en van het geheel der levende wezens. Men stelt dan deze vraag: Komt dit geheel tot stand door het feit, dat alle levende wezens voortkomen uit een enkel wezen en uit zijn onuitputtelijke kiemkracht langs de weg van afstamming en evolutie op de wijze en onder de invloeden, die boven zijn aangegeven? Het vraagstuk van de grote groepen verklaart, waarom de werken van sommige genetici de erfelijkheidstheorie verbinden met de evolutie. en afstammingstheorie; zij lopen in elkaar over.

De stand van het evolutievraagstuk

15. In de nieuwste werken over genetica leest men, dat niets het verband tussen alle levende wezens beter kan verklaren dan het beeld van één gemeenschappelijke stamboom. Maar tegelijkertijd wijst men er op, dat het daarbij slechts gaat over een beeld, een hypothese, en niet over een bewezen feit. Men meent zelfs er aan te moeten toevoegen, dat, als de meerderheid van de onderzoekers de afstammingsleer als een “feit” aandient, dit een overhaast oordeel is. Men zou heel goed ook andere hypothesen kunnen opstellen. Daarenboven zegt men, dat bekende geleerden dit doen zonder daardoor te willen ontkennen, dat het leven zich ontwikkeld heeft en dat bepaalde vondsten kunnen verklaard worden als preformaties van het menselijk lichaam. Maar, zo gaat men verder, die onderzoekers hebben zo uitdrukkelijk mogelijk aangegeven, dat men volgens hun oordeel nog absoluut niet weet, wat de uitdrukkingen: “evolutie”, “afstamming”, “overgang” werkelijk en precies betekenen; dat men overigens geen enkel natuurlijk proces kent, waarbij een wezen een ander van verschillende natuur voortbrengt; dat het proces, waardoor een soort een andere soort voortbrengt, nog volkomen ondoorgrondelijk blijft ondanks de talrijke tussenvormen; dat men er nog niet in geslaagd is, door experimenten een nieuwe soort uit een andere soort te doen voortkomen; en ten slotte, dat wij absoluut niet weten, op welk moment van de evolutie de hominide plotseling de drempel van het mens-zijn heeft overschreden. Men verwijst verder naar twee bijzondere ontdekkingen, waarover het meningsverschil tot op heden nog niet is opgelost. Het zou hier niet zozeer gaan over de ver gevorderde graad van evolutie bij het ontdekte materiaal, als wel over de datering van de geologische aardlaag. De laatste conclusie, die men er uit trekt, is deze: naar gelang de toekomst de juistheid zal aantonen van de ene of van de andere verklaring, zal de gebruikelijke voorstelling van de menselijke evolutie er ofwel een bevestiging in vinden ofwel men zal er zich een heel nieuwe voorstelling van moeten maken. Men meent te moeten zeggen, dat de onderzoekingen omtrent de oorsprong van de mens pas aan het begin staan; de voorstelling, die men er thans van heeft, zou men niet als de definitieve mogen beschouwen. Ziedaar, wat men zegt over de betrekkingen tussen de erfelijkheidstheorie en de evolutietheorie.

In de daarna volgende ‘principiële beschouwingen’ schrijft de paus eerst over waarheid en waarheidsliefde in de wetenschap en dan over het afstammingsvraagstuk van de mens.

Waarheld en waarheidsliefde in de wetenschap

20. De fundamentele eisen voor wetenschappelijke kennis zijn waarheid en waarheidsliefde.

1. Het begrip “waarheid”

21. Onder waarheid moet worden verstaan de overeenkomst van het oordeel van de mens met de werkelijkheid van het zijn en de werking der dingen zelf, in tegenstelling tot voorstellingen en ideeën, die de geest er in legt. Vroeger heerste en ook tegenwoordig heerst nog een opvatting, volgens welke de boodschap, die de objectieve werkelijkheid van zichzelf geeft, als door een lens in de geest doordringt en in haar loop kwalitatief en kwantitatief verandert. Men spreekt in dit geval van een dynamische gedachte die haar vorm op het voorwerp drukt, in tegenstelling met de statische gedachte die het alleen weerspiegelt, als men tenminste niet in princiep beweert, dat de eerste het enig mogelijke type is van menselijke kennis. Waarheid zou dan op slot van rekening zijn, de overeenstemming van de persoonlijke gedachte met de publieke of wetenschappelijke opinie van het ogenblik. Het denken van alle tijden, steunend op het gezond verstand, en in het bijzonder het christelijk denken zijn zich er van bewust, als wezenlijk beginsel te moeten handhaven: waarheid is de overeenstemming van het oordeel met het in zich bepaalde wezen der dingen, een oordeel dat dus in zich bepaald is, zonder daarmee de gedeeltelijke juistheid te willen loochenen van de bovenvermelde opvatting van de waarheid, die toch in haar geheel vals is. Wij hebben deze kwestie ook aangeroerd in onze encycliek Humani Generis van 12 augustus 1950 en toen de nadruk gelegd op een punt, dat wij menen hier te moeten herhalen: nl. de noodzakelijkheid om de grote ontologische wetten onaangetast te laten, want zonder deze wordt het onmogelijk, de werkelijkheid te begrijpen. Wij denken hier vooral aan de beginselen van contradictie, van voldoende grond, van oorzakelijkheid en van finaliteit.

3. Noodzakelijk onderscheid tussen de feiten en hun verklaring

23. Het onderscheid tussen de zekere feiten en hun verklaring of systematisering is voor de onderzoeker even fundamenteel als de definitie van de waarheid. Het feit is altijd waar, omdat er geen ontologische dwaling mogelijk is. Maar dit zelfde geldt niet zonder meer van de wetenschappelijke uitwerking er van. Hier loopt men gevaar om voorbarige conclusies te trekken of zich in zijn oordeel te vergissen.

4. Voorzichtigheid in het wetenschappelijk oordeel

24. Dit alles vraagt eerbied voor de feiten en voor het geheel van feiten, voorzichtigheid in het uiten van wetenschappelijke stellingen, gematigdheid in het wetenschappelijk oordeel en bescheidenheid, die door geleerden zozeer wordt gewaardeerd en die wordt ingegeven door het bewustzijn van het beperkt menselijk weten. Dit bevordert de openheid van geest en de leerzaamheid van de echte wetenschapsmens, die niet zal vasthouden aan zijn eigen ideeën, als deze onvoldoende gefundeerd blijken. Dit leidt er ten slotte toe om zonder vooroordeel de meningen van anderen te onderzoeken en te beoordelen.

5. Waarheidsliefde

25. Als men zo is ingesteld, dan zal men met eerbied voor de waarheid heel natuurlijk ook liefde voor de waarheid verenigen, d.w.z. de overeenstemming tussen zijn persoonlijke overtuiging en de wetenschappelijke stellingen, door woord en geschrift uitgedrukt.

6. Geen tegenspraak tussen de verschillende wetenschappen

26. Deze eis van waarheid en waarheidsliefde vraagt nog een opmerking in verband met wetenschappelijke kennis: het is zeldzaam, dat maar één enkele wetenschap zich met een bepaald onderwerp bezighoudt. Dikwijls zijn er verschillende, die het behandelen, ieder onder verschillend opzicht. Is echter hun onderzoek juist, dan is ook tegenspraak bij de resultaten niet mogelijk, want dat zou tegenspraak in de ontologische werkelijkheid veronderstellen. Welnu, de werkelijkheid kan niet in tegenspraak zijn met zichzelf. Als er nu ondanks alles toch tegenspraak ontstaat, dan kan deze slechts het gevolg zijn van een onjuiste waarneming of van een verkeerde verklaring van een juiste waarneming, ofwel van het feit, dat de onderzoeker de grenzen van zijn speciaal vak is te buiten gegaan en zich waagde op een terrein, dat hij niet kende. Wij menen, dat ook deze opmerking duidelijk geldt voor alle wetenschappen.

In een hoofdstuk over genetica en openbaring schrijft Pius XII

2. Belangstelling van de theologie voor het afstammingsvraagstuk

30. Wat de afstammingstheorie betreft, de essentiële vraag is hier die omtrent de oorsprong van fysiek organisme van de mens (niet van zijn geestelijke ziel). Terwijl uw wetenschappen zich ijverig bezighouden met dit probleem, heeft de theologie, de wetenschap die de openbaring tot voorwerp heeft, er ook een zeer levendige belangstelling voor gehad. Wij zelf hebben al twee maal, reeds in 1941 in een toespraak tot onze academie van wetenschappen en in 1950 in de bovengenoemde encycliek, aangedrongen op voortzetting van het onderzoek in de hoop, dat men wellicht eens zekere resultaten zal kunnen boeken, want tot nu toe heeft men nog niets definitiefs bereikt. Wij hebben er toe aangespoord, die kwesties te behandelen met de voorzichtigheid en de rijpheid van oordeel, die het groot belang er van eist. Uit de werken van uw speciaal vak hebben wij een citaat ontleend, waarin men, na al de hedendaagse ontdekkingen en de mening van de specialisten hieromtrent te hebben beschouwd, eveneens aanspoorde tot gematigdheid en waarin men een definitief oordeel opschortte.

Besluit

Hoewel deze tekst dus kadert in een genetisch debat kunnen we er een aantal wezenlijke zaken uit leren. Allereerst dat Pius XII een man van voorzichtigheid is die de wetenschap tot gematigde uitspraken aanzet over onbewezen zaken. De waarheid is hem een lief ding en die kan vanuit verschillende disciplines gezocht en gevonden worden en nooit met zichzelf in strijd zijn.

De houding van de katholieke kerk tegenover de ‘positive’ wetenschappen, volgens paus Pius XII

pius12

Diverse pausen hebben zich uitgesproken over de houding van de kerk ten aanzien van de wetenschap. Daarbij onderscheidt men de Openbaringzoals de kerk die ontvangen heeft binnen de joods-christelijke traditie. Hier de visie van Paus Pius XWII in zijn rondzendbrief (encycliek) ‘Humanis Generis’ (1950): ‘over sommige vasle meningen die de grondslagen van de katholieke leer dreigen te ondermijnen’. In het eerste deel van de encycliek gaat hij in op tendenzen en meningen binnen de theologie. In het tweede deel op het onderwerp ‘kerk en filosofie’. In het derde deel komen de ‘positieve’ wetenschappen aan bod.

Houding van de Kerk tegenover feiten en hypothesen van de positieve wetenschappen

35. Ten slotte moeten wij nog iets zeggen over vraagstukken, die wel behoren tot de zogenaamde “positieve” wetenschappen, maar toch min of meer in verband staan met de waarheden van het christelijk geloof. Velen immers eisen nadrukkelijk, dat de katholieke godsdienst zoveel mogelijk rekening zal houden met die wetenschappen. Dit is zonder twijfel uitstekend, waar het gaat over werkelijk bewezen feiten; maar als het gaat over “hypothesen”, die de leer van de heilige Schrift of van de traditie raken, dan moet men hier gereserveerd tegenover staan, al hebben deze hypothesen dan ook min of meer een wetenschappelijke basis. Gaan echter dergelijke hypothesen rechtstreeks of zijdelings in tegen de geopenbaarde leer, dan’ moet men deze eis volstrekt afwijzen.

1. De biologische en antropologische wetenschappen
a. Het evolutionisme.

36. Daarom verzet het kerkelijk leergezag zich er niet tegen, dat de leer van het “evolutionisme” overeenkomstig de tegenwoordige stand van de menselijke wetenschappen en de theologie door voor- en tegenstanders onder de vakmensen nader wordt bestudeerd en bediscussieerd; wij bedoelen de evolutieleer, in zover zij het ontstaan van het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof nagaat, want het katholiek geloof verplicht ons te houden, dat de zielen onmiddellijk door God geschapen worden. Deze studie moet dan zo geschieden, dat de bewijzen voor beide meningen, namelijk van voor- en tegenstanders, met de vereiste ernst, kalmte en gematigdheid worden gewikt en gewogen; onder voorwaarde tevens, dat allen bereid zijn, zich te onderwerpen aan het oordeel van de Kerk, want zij heeft van Christus de taak gekregen, de heilige Schrift met bindend gezag te verklaren en de dogma’s van het geloof te beschermen.

Sommigen echter durven de grenzen van deze vrijheid van discussie te overschrijden; zij doen namelijk, alsof door de tot nu toe gevonden gegevens en de daarvan uitgaande redeneringen reeds als volkomen zeker zou zijn bewezen, dat het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof is ontstaan. Bovendien doen zij het voorkomen, alsof er in de bronnen van de openbaring niets zou te vinden zijn, dat in deze kwestie de grootste gematigdheid en voorzichtigheid eist.

b. Het polygenisme

37. Met betrekking echter tot een andere hypothese, namelijk het zogenaamde polygenisme, hebben de kinderen van de Kerk deze vrijheid volstrekt niet. Want de gelovigen mogen niet die mening aanhangen, waarvan de voorstanders beweren, ofwel, dat er na Adam hier op aarde echte mensen hebben bestaan, die niet door natuurlijke voortplanting van hem als stamvader van allen zijn voortgekomen, ofwel, dat Adam een zeker aantal stamvaders betekent. Het blijkt immers volstrekt niet, hoe deze opvatting is overeen te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid en de akten van het kerkelijk leergezag leren omtrent de erfzonde, die voortkomt uit de door één Adam werkelijk bedreven zonde, en die door de voortplanting op allen overgaat en in ieder mens als hem eigen aanwezig is.

2. De historische wetenschappen
a. De verklaring van de historische boeken van het Oude Testament, in het bijzonder van Genesis 1-11.

38. Zoals op het gebied van de biologische en antropologische wetenschappen, zo zijn er ook op dat van de historische wetenschap mensen, die zich niet storen aan de door de Kerk vastgestelde grenzen en voorgeschreven reserve. In het bijzonder valt hier een bepaalde methode van exegese te betreuren, die een al te vrije verklaring geeft van de historische boeken van het Oude Testament. De aanhangers van deze methode verdedigen zich ten onrechte met een beroep op de brief, die de pauselijke bijbelcommissie kortgeleden heeft gericht tot de aartsbisschop van Parijs. Deze brief immers wijst er nadrukkelijk op, dat de eerste elf hoofdstukken van Genesis wel niet strikt beantwoorden aan de methoden van geschiedschrijving van de grote Griekse en Latijnse geschiedschrijvers en de vakmensen van onze tijd, maar toch in een werkelijke zin, die de exegeten nader moeten bestuderen en omschrijven, tot het historisch genre behoren. De brief wijst er verder op, dat deze hoofdstukken in eenvoudige en beeldrijke taal, aangepast aan de mentaliteit van een weinig ontwikkeld volk, de voornaamste waarheden leren, die voor ons eeuwig heil noodzakelijk zijn, en daarnaast een populaire beschrijving geven van het ontstaan van de mensheid en het uitverkoren volk. Als nu de oude gewijde schrijvers iets hebben ontleend aan volksverhalen, (wat men kan toegeven), dan mag men toch nooit vergeten, dat zij dit gedaan hebben onder invloed van de goddelijke inspiratie en dat zij hierdoor bij het kiezen en beoordelen van die documenten tegen iedere dwaling werden gevrijwaard.

b. Waarheid en eenvoud van de heilige Schrift in tegenstelling met de mythologie.

39. Wat echter in de heilige Schrift is overgenomen uit volksverhalen, mag niet op één lijn worden gesteld met mythologieën en dergelijke, die meer de vrucht zijn van een teugelloze verbeelding dan van een streven naar waarheid en eenvoud. Dit streven is zó kenmerkend voor de heilige boeken, ook voor die van het Oude Testament, dat onze gewijde schrijvers duidelijk de meerderen blijken van de profane schrijvers uit de oudheid.

Tenslotte schrijft de paus een ‘vermaning aan de docenten

42. De docenten aan kerkelijke onderwijsinstellingen moeten weten, dat zij het hun opgedragen leerambt niet in goed geweten kunnen uitoefenen, als zij de doctrinaire punten, die wij hebben uiteen gezet, niet eerbiedig aanvaarden en er zich niet stipt aan houden bij hun onderwijs. Zij moeten de verschuldigde eerbied en onderwerping, die zij bij hun dagelijkse arbeid moeten tonen voor het leergezag van de Kerk, ook in de geest en het hart van hun leerlingen inprenten.

43. Zeker, zij moeten met alle kracht en inspanning de wetenschappen, die zij doceren, vooruit trachten te brengen; maar zij dienen ook de grenzen in acht te nemen, die wij hebben vastgesteld om de waarheid van het katholiek geloof en van de katholieke leer te beschermen. Laten zij de nieuwe vraagstukken, die door de moderne cultuur en ontwikkeling aan de orde zijn gesteld, met alle ijver bestuderen, maar ook met de nodige voorzichtigheid en reserve. Ten slotte, laten zij niet in een vals “irenisme” menen, dat men de andersdenkenden en dwalenden met succes tot de Kerk kan terugbrengen, als men niet eerlijk aan allen De volledige in de Kerk levende waarheid voorhoudt zonder enige misvorming of verminking.

Besluit.

De kerk onder leiding van Pius XII weerhoudt de wetenschap dus niet haar werk te doen en vooruitgang te boeken. Wel waarschuwt zij de wetenschap zich niet op lichte hypothesen te baseren, noch zaken te beweren die tegen de ‘geopenbaarde’ waarheid ingaan. Zo is de mens volgens de openbaring ontstaan uit één ouderpaar en daar wijkt de kerk niet vanaf. Ook verdedigt zij et historisch karakter van de eerste hoofdstukken van Genesis, ook al hoeft blijkbaar niet alles even letterlijk genomen te worden, gezien de tijd waarin de teksten geschreven zijn. De goddelijke inspiratie en de waarheden die er in staan blijven onverkort van kracht.

Biofides 14 mei 2009

Bron: rkdocumenten

De Katholieke Catechismus over de Schepping


scheppingadam_grt

Wat zegt de katholieke kerk over het ontstaan van de zichtbare wereld? We kunnen daarvoor te rade gaan bij het geloofsboek van de katholieke kerk, de katholieke catechismus, een samenvatting van het gehele geloof van de kerk. Dit boek is uitgegeven in 1997 en geeft ons dus een recent beeld van hoe de Katholieke Kerk over dit onderwerp spreekt. De tekst die nu volgt is te vinden in het eerste van de vier delen van de catechismus dat handelt over de geloofsbelijdenis, dus de uiteenzetting van de inhoud van het katholiek-christelijke geloof.

1. God de Vader, schepper van hemel en aarde

Het eerste hoofdstuk van dat eerste deel van de catechismus gaat over het geloof in ‘God de Vader’. In artikel 1 gaat het dan meer specifiek over ‘de schepper van hemel en aarde’. Paragraaf 4 daarvan zegt:

279. “In het begin schiep God de hemel en de aarde” (Gen. 1, 1). Deze plechtige woorden staan aan het begin van de heilige Schrift. De geloofsbelijdenis neemt deze woorden weer op door God de almachtige Vader te belijden als “de Schepper van hemel en aarde”, “van al wat zichtbaar en onzichtbaar is” (Geloofsbelijdenis). Wij zullen daarom eerst spreken over de Schepper, vervolgens over zijn schepping en tenslotte over de zondeval. Hieruit is Jezus Christus, de Zoon van God, ons komen verlossen.

280. De schepping is het fundament van alle “heilzame raadsbesluiten van God”, “het begin van de heilsgeschiedenis”, die haar hoogtepunt heeft in Christus. Omgekeerd werpt het mysterie van Christus een beslissend licht op het mysterie van de schepping; het openbaart het doel met het oog waarop “God in het begin de hemel en de aarde schiep” (Gen. 1, 1) : vanaf het begin stond God de heerlijkheid van de nieuwe schepping in Christus voor ogen.

2. Schepping

Wat verstaat de katholieke kerk onder ‘schepping’ en hoe verhoudt zich dat tot de natuurweteschappelijke kijk op de kosmos en het leven? De catechismus stelt:

282. De catechese over de schepping is van kapitaal belang. Ze betreft de grondslagen zelf van het menselijk en christelijk leven: ze formuleert immers uitdrukkelijk het antwoord van het christelijk geloof op de elementaire vraag die mensen van alle tijden zich gesteld hebben: “Waar komen wij vandaan?” “Waar gaan wij heen?” “Wat is onze oorsprong?” “Wat is het doel?” “Waar komt alles wat bestaat vandaan en waar gaat het heen?” De twee vragen betreffende oorsprong en doel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze zijn beslissend voor de zin en de richting van ons leven en handelen.

283. De vraag naar de oorsprong van de wereld en van de mens is het onderwerp van talrijke wetenschappelijke onderzoekingen die op schitterende wijze onze kennis omtrent de ouderdom en de dimensies van de kosmos, het ontstaan van de vormen van leven, het verschijnen van de mens verrijkt hebben. Deze ontdekkingen nodigen ons uit de grootheid van de Schepper des te meer te bewonderen, Hem dank te zeggen voor al zijn werken en voor het inzicht en de wijsheid die Hij wetenschappers en onderzoekers schenkt. Met Salomo kunnen dezen zeggen: “Hij zelf immers heeft mij gegeven betrouwbare kennis van wat bestaat, zodat ik de bouw ken van het heelal en de kracht van de elementen (…) want de wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht” (Wijsh. 7, 17-21).

284. De grote belangstelling die aan deze onderzoekingen wordt besteed, wordt nog sterk aangewakkerd door een kwestie van een andere orde, die het eigenlijke gebied van de natuurwetenschappen overstijgt. Het gaat er niet alleen om te weten, wanneer en hoe de kosmos feitelijk ontstaan is, noch wanneer de mens verschenen is, maar het gaat er veeleer om, te ontdekken wat de zin van een dergelijke oorsprong is: of dit ontstaan beheerst wordt door toeval, een blind lot, een anonieme noodzaak, of door een transcendent, intelligent en goed wezen, God genaamd. En als de wereld voortkomt uit de wijsheid en de goedheid van God, waarom is er dan het kwaad? Waar komt dit vandaan? Wie is er verantwoordelijk voor? Bestaat er een bevrijding van dit kwaad?

285. Vanaf het allereerste begin is het christelijk geloof betreffende de kwestie van de oorsprong geconfronteerd met antwoorden die afweken van het eigen antwoord. Zo vindt men in de oude godsdiensten en culturen talrijke mythen die betrekking hebben op de oorsprong. Sommige filosofen hebben gezegd dat alles God is, dat de wereld God is, of dat de wording van de wereld de wording van God is (pantheïsme): anderen hebben gezegd dat de wereld een noodzakelijke emanatie van God is, die uit deze bron stroomt en er weer naar terugkeert; weer anderen hebben het bestaan aangenomen van twee eeuwige beginselen, goed en kwaad, licht en duisternis, die in een voortdurende strijd gewikkeld zijn met elkaar (dualisme, manicheïsme); volgens enkele van deze opvattingen zou de wereld (althans de materiële wereld) slecht zijn, voortgekomen uit verval, een wereld die men dus dient af te wijzen of waaraan men voorbij moet gaan (gnosis); anderen geven toe dat de wereld door God geschapen is, maar op de manier van een horlogemaker die, toen hij haar eenmaal gemaakt had, haar aan haar lot overgelaten zou hebben (deïsme); anderen tenslotte, aanvaarden geen enkel transcendent beginsel van de wereld, maar zien er louter het spel in van een materie die altijd bestaan zou hebben (materialisme). Al deze pogingen getuigen van de bestendigheid en de universaliteit van de vraag naar de oorsprong. Dit zoeken is eigen aan de mens.

286. Het menselijk verstand heeft zeker het vermogen reeds een antwoord op de vraag naar de oorsprong te vinden. Het bestaan van God de Schepper kan immers met zekerheid gekend worden door zijn werken, dankzij het licht van de menselijke rede, zelfs al wordt deze kennis dikwijls verduisterd en vervormd door dwaling. Daarom komt het geloof het verstand versterken en verlichten in het juiste begrip van deze waarheid: “Geloof doet ons zien dat het heelal tot stand is gekomen door Gods woord, zodat het zichtbare ontstaan is uit het onzichtbare” (Heb. 11, 3).

287. De waarheid van de schepping is zo belangrijk voor het hele menselijke leven, dat God in zijn liefde, aan zijn volk alles heeft willen openbaren wat met betrekking hiertoe heilzaam is te kennen. Buiten de kennis die iedere mens van nature over de Schepper kan hebben, heeft God aan Israël het mysterie van de schepping geleidelijk geopenbaard. Hij die de aartsvaders uitverkoren heeft, die Israël uit Egypte heeft laten vertrekken en die door zijn verkiezing Israël geschapen en gevormd heeft, openbaart zich als degene aan wie alle volken van de aarde en heel de aarde toebehoren, als degene die als enige “de hemel en de aarde gemaakt heeft” (Ps. 115, 15; Ps. 124, 8; Ps. 134, 3).

289. Onder alle woorden van de heilige Schrift over de schepping nemen de eerste drie hoofdstukken van Genesis een unieke plaats in. Literair gezien kunnen deze teksten verschillende bronnen hebben. De geïnspireerde auteurs hebben ze aan het begin van de Schrift geplaatst, zodat ze in hun plechtig taalgebruik de waarheden over de schepping, haar oorsprong en haar doel in God, haar ordening en haar goedheid, de roeping van de mens en tenslotte het drama van de zonde en de heilsverwachting, verwoorden. Gelezen in het licht van Christus blijven deze woorden, binnen de eenheid van de heilige Schrift en binnen de levende Overlevering van de Kerk, de belangrijkste bron voor de catechese over de mysteries “van het begin”: schepping, zondeval en heilsbelofte.

3. Het mysterie van de schepping

1. God schept in wijsheid en liefde.

295. Wij geloven dat God de wereld heeft geschapen overeenkomstig zijn wijsheid. Ze is niet het product van een of andere noodzaak, van een blind lot of van het toeval. Wij geloven dat ze voortkomt uit de vrije wilsbeschikking van God, die de schepselen heeft willen laten delen in zijn wezen, wijsheid en goedheid. “Want Gij hebt het heelal geschapen: door uw wil ontstond het en werd het gemaakt” (Apok. 4, 11). “Hoeveel is het wat Gij gedaan hebt, Heer, en alles in wijsheid gemaakt” (Ps. 104, 24). “De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte” (Ps. 145, 9).

2. God schept “uit het niet”

296. Wij geloven dat God geen behoefte heeft aan iets wat tevoren al bestond, noch aan enige hulp om te scheppen. De schepping is evenmin een noodzakelijk voortvloeisel (emanatie) van de goddelijke substantie. God schept in vrijheid “uit het niet”. Wat voor buitengewoons zou het geweest zijn, als God de wereld had geschapen uit materie die tevoren bestond? Als men een menselijk vakman materiaal geeft, dan maakt hij daarvan wat hij maar wil. Gods macht wordt echter hierin zichtbaar dat Hij uit het niet schept wat Hij maar wil.

297. De Schrift getuigt van het geloof in de schepping “uit het niet” als een waarheid vol belofte en hoop. Zo moedigt de moeder haar zeven zonen aan tot het martelaarschap: “Ik weet niet hoe jullie in mijn schoot gevormd zijn; niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat, tot een harmonisch geheel geordend, maar de Schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart (…). Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde met al wat ze bevatten en bedenk dat God dit alles uit het niet gemaakt heeft en dat ook het menselijk geslacht op dezelfde wijze is ontstaan”. (2 Makk. 7, 22-23.28).

298. Aangezien God uit het niet kan scheppen, kan Hij ook door de heilige Geest het leven van de ziel geven aan de zondaars door in hen een zuiver hart te scheppen en het leven van het lichaam aan de gestorvenen door de verrijzenis, Hij “die de doden levend maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept” (Rom. 4, 17). En aangezien Hij door zijn woord het licht in de duisternis heeft kunnen laten schijnen, kan Hij ook het licht van het geloof geven aan hen die het niet kennen.

3. God schept een geordende en goede wereld

299. Als God met wijsheid schept, dan is de schepping geordend: “Maar Gij hebt alles naar maat en getal en gewicht geordend” (Wijsh. 11, 20). Geschapen in en door het eeuwig Woord, “beeld van de onzichtbare God” (Kol. 1, 15), is ze bestemd voor en gericht op de mens als beeld van God, 10 zelf geroepen tot een persoonlijke band met God. Ons verstand kan, omdat het deel heeft aan het licht van het goddelijk intellect, begrijpen wat God ons zegt door zijn schepping, maar enkel met een grote inspanning en in een geest van nederigheid en respect ten opzichte van de Schepper en zijn werk. Voortgekomen uit de goddelijke goedheid heeft de schepping deel aan deze goedheid. De schepping is immers door God gewild als een geschenk aan de mens, als een erfenis die voor hem is bestemd en aan hem is toevertrouwd. De kerk heeft herhaaldelijk moeten verdedigen dat de schepping, de materiële wereld inbegrepen, van nature goed is.

4. God overtreft de schepping en Hij is erin tegenwoordig

300. God is oneindig veel groter dan al zijn werken. “Hoger dan de hemel reikt uw majesteit” (Ps. 8, 2), “zijn grootheid is niet te doorgronden” (Ps. 145, 3). Maar omdat Hij de hoogste en vrije Schepper is, eerste oorzaak van al wat bestaat, is Hij in het diepste innerlijk van zijn schepselen aanwezig. “Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn” (Hand. 17, 28). Volgens de woorden van de heilige Augustinus is Hij “dieper dan mijn diepste innerlijk en hoger dan het hoogste van mij”.

5. God houdt de schepping in stand en draagt haar

301. Bij de schepping laat God zijn schepsel niet aan zichzelf over. Hij geeft het niet alleen het zijn en het bestaan, maar Hij houdt het ook in stand op elk ogenblik van zijn bestaan. Hij geeft het de mogelijkheid om te handelen en brengt het naar zijn doel. Het erkennen van onze volledige afhankelijkheid van de Schepper is een bron van wijsheid en vrijheid, van vreugde en vertrouwen.

Want alles wat bestaat hebt Gij lief en Gij verafschuwt niets van wat Gij gemaakt hebt; ja, als Gij iets gehaat hadt, zoudt Gij het niet geschapen hebben. En hoe zou iets in stand zijn gebleven, als Gij het niet gewild hadt, of hoe zou iets behouden zijn, dat door U niet was geroepen? Gij spaart echter alles, omdat het van U is, Gij Heer, die al wat leeft bemint (Wijsh. 11, 24-26).

4. God voorziet

302. De schepping heeft haar eigen goedheid en volmaaktheid, maar ze is niet geheel voltooid uit de handen van de Schepper gekomen. Ze is geschapen in een staat van op-weg-zijn (“in statu viae”) naar een nog te verwachten, uiteindelijke voltooiing, waartoe God haar bestemd heeft. Wij noemen de beschikkingen waarmee God zijn schepping naar deze volmaaktheid leidt, goddelijke voorzienigheid.

303. Het getuigenis van de Schrift is unaniem in deze: de zorg van de goddelijke voorzienigheid is “concreet” en “onmiddellijk”; zij zorgt voor alles, van de kleinste dingen tot de grote gebeurtenissen in de wereld en de geschiedenis. De Schrift bevestigt met klem de absolute soevereiniteit van God in de loop van de gebeurtenissen: “De God van Israël is in de hemel, Hij handelt zoals Hij verkiest” (Ps. 115, 3); en van Christus wordt gezegd: “Als Hij opent, sluit niemand en als Hij sluit, opent niemand” (Apok. 3, 7); “In het hart van een man gaan veel plannen om, maar wat Jahwe besluit, dat komt tot stand” (Spr. 19, 21).

306. God is de soevereine Meester van zijn heilsplan. Maar om dit te verwezenlijken bedient Hij zich ook van de medewerking van zijn schepselen. Dit is geen teken van de zwakheid, maar van de grootheid en de goedheid van de almachtige God. Want God schenkt zijn schepselen niet alleen het bestaan, maar ook de waardigheid zelf te handelen, elkaars oorzaak en grondbeginsel te zijn en zo mee te werken aan de voltooiing van zijn heilsplan.

308. Met het geloof in God de Schepper is onlosmakelijk de waarheid verbonden dat God in elk handelen van zijn schepselen handelt. Hij is de eerste oorzaak die in en door de tweede oorzaken werkzaam is: “God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt om zijn heilsplan te verwezenlijken” (Fil. 2, 13) Door deze waarheid wordt de waardigheid van het schepsel verre van verminderd, integendeel, ze verleent haar meer luister Door de macht, de wijsheid en de goedheid van God uit het niet geschapen, kan het schepsel niets, als het van zijn oorsprong is afgesneden, want “zonder de Schepper verzinkt het schepsel in het niet”; 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36. §3, vert. uit Lat. en nog minder kan het zijn uiteindelijk doel bereiken zonder de hulp van de genade

5. Hemel en aarde

In paragraaf vijf wordt ingegaan op het begrip ‘hemel en aarde’; immers: God heeft niet alleen de zichtbare werkelijkheid geschapen zo gelooft de Kerk, ‘maar ook de wereld van de engelen’. In het tweede deel van deze paragraaf komen we dan uit bij het thema dat ook de evolutietheorie aangaat: de zichtbare wereld.

6. De zichtbare wereld

337. Het is God zelf die de zichtbare wereld, in al haar rijkdom, diversiteit en orde, geschapen heeft. De Schrift stelt het werk van de Schepper symbolisch voor als een opeenvolging van zes dagen van goddelijke “werkzaamheid” die eindigen met de “rust” van de zevende dag (Gen. 1, 1 – 2, 4). De gewijde tekst leert met betrekking tot de schepping waarheden, die door God voor ons heil geopenbaard zijn en die het mogelijk maken “het innerlijk wezen en de waarde van heel de schepping en haar gerichtheid op Gods eer te kennen” (Lumen Gentium 36).

338. Er bestaat niets wat zijn bestaan niet te danken heeft aan God als Schepper. De wereld is begonnen, op het moment dat ze door het woord van God uit het niet geschapen is; alle bestaande wezens, heel de natuur, heel de menselijke geschiedenis wortelen in deze oergebeurtenis: het is de geboorte zelf van de wereld zelf waarbij deze gevormd wordt en de tijd begonnen is.

339. Ieder schepsel heeft zijn eigen goedheid en volmaaktheid. Bij elk van de werken van de “zes dagen” wordt gezegd: “En God zag dat het goed was”. “Krachtens de aard van de schepping zelf bezitten de dingen hun eigen bestaan, hun waarheid en goedheid, hun eigen wetten en orde” (Gaudium et spes 36). De verschillende schepselen, volgens hun eigen wezen gewild, weerspiegelen op hun eigen wijze de oneindige wijsheid en goedheid van God. Daarom moet de mens de eigen goedheid van elk schepsel respecteren om een ongeordend gebruik van de dingen te vermijden, hetgeen een minachting van de Schepper is en rampzalige gevolgen met zich meebrengt voor de mens en zijn milieu.

340. De onderlinge afhankelijkheid van de schepselen is door God gewild. De zon en de maan, de ceder en het bloempje, de adelaar en de mus: het schouwspel van hun oneindige verscheidenheid en ongelijkheid betekent dat geen enkel schepsel aan zichzelf genoeg heeft. Zij bestaan slechts in onderlinge afhankelijkheid om elkaar wederzijds aan te vullen, ten dienste van elkaar.

341. De schoonheid van het heelal: de orde en de harmonie van de geschapen wereld volgen uit de verscheidenheid van de wezens en hun onderlinge verhouding. De mens ontdekt deze geleidelijk als natuurwetten. Die doen de geleerden verwonderd staan. De schoonheid van de schepping weerspiegelt de oneindige schoonheid van de Schepper. Zij moet inspireren tot respect en onderwerping van het verstand en de wil van de mens.

342. De hiërarchie onder de schepselen wordt uitgedrukt door de volgorde in de “zes dagen” die gaat van het minder naar het meer volmaakte. God bemint al zijn schepselen 5 en Hij zorgt voor ieder van hen, zelfs voor de mussen. Niettemin zegt Jezus: “Gij zijt meer waard dan een zwerm mussen” (Lc. 12, 7), of ook: “Wat betekent nu een schaap vergeleken bij een mens?” (Mt. 12, 12).

343. De mens is het hoogtepunt van het werk van de schepping. Het geïnspireerde verhaal brengt dit tot uitdrukking door de schepping van de mens duidelijk te onderscheiden van die van de andere schepselen. (Genesis 1, 26)

344. Er bestaat een solidariteit onder alle schepselen op grond van het feit dat ze alle dezelfde Schepper hebben en dat alle geordend zijn om Hem te verheerlijken.

Geprezen zijt Gij, Heer, met al uw schepselen
vooral zuster zon, die de dag is, en door wie Gij ons verlicht.
En zij is schoon en stralend met grote glans:
van U, Allerhoogste, is zij het zinnebeeld…
Geprezen zijt Gij, mijn Heer, om zuster water,
die zeer nuttig en nederig en kostbaar en rein is…
Geprezen zijt Gij, mijn Heer, om onze zuster, moeder aarde,
die ons onderhoudt en voedt
en verscheidene vruchten voortbrengt
samen met kleurrijke bloemen en gras.
Prijst en zegent de Heer en dankt Hem
en dient Hem in grote nederigheid.
(Sint Franciscus’ Zonnelied)

345. De sabbat – einde van de werkzaamheid van de “zes dagen”. De gewijde tekst zegt dat “God op de zevende dag het werk dat Hij verricht had, tot voltooiing bracht” en dat zo “de hemel en de aarde voltooid werden” en dat God op de zevende dag “rustte”: en dat Hij deze dag zegende en hem heilig maakte (Gen. 2, 1-3). Deze geïnspireerde woorden zijn rijk aan heilzaam onderricht:

346. In de schepping heeft God een fundament en duurzame wetten gelegd, waarop de gelovige vol vertrouwen kan steunen en die voor hem het teken en het onderpand zullen zijn van de onwankelbare betrouwbaarheid van Gods verbond. Van zijn kant zal de mens trouw moeten blijven aan dit fundament en zal hij de wetten die God daarin geschreven heeft, moeten respecteren.

347. De schepping is met het oog op de sabbat, en dus op de eredienst en de aanbidding van God, tot stand gebracht. De eredienst staat in de orde van de schepping geschreven. 10 “Niets boven Gods eredienst stellen” zegt de regel van de heilige Benedictus, waarmee de juiste volgorde van de menselijke beslommeringen aangegeven wordt.

348. De sabbat staat in het middelpunt van de Wet van Israël. Het onderhouden van de geboden is beantwoorden aan de wijsheid en de wil van God, zoals die tot uitdrukking komen in zijn scheppingswerk.

349. De achtste dag. Maar voor ons is een nieuwe dag opgegaan: de dag van Christus’ verrijzenis. De zevende dag voltooit de eerste schepping. Op de achtste dag begint de nieuwe schepping. Zo vindt het scheppingswerk zijn hoogtepunt in het grotere werk van de verlossing. De eerste schepping vindt haar betekenis en haar hoogtepunt in de nieuwe schepping in Christus, waarvan de glans die van de eerste overtreft.

7. De mens

“En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hem” (Gen. 1, 27). De mens heeft een unieke plaats in de schepping: hij is “als het beeld van God” (I); in zijn eigen wezen verenigt hij de geestelijke en de stoffelijke wereld (II); hij is geschapen “man en vrouw”; (III); God heeft hem in zijn vriendschap aangenomen (IV).

I. Als beeld van God

356. Van alle zichtbare schepselen is alleen de mens in staat zijn Schepper te kennen en lief te hebben;” 1 hij is “het enig schepsel op aarde dat om zichzelf door God is gewild”. 2 hij alleen is geroepen door kennis en liefde te delen in het leven van God. Hij is met dit doel geschapen en dit is de diepste grond van zijn waardigheid.

357. Omdat het menselijk individu is als het beeld van God, heeft het de waardigheid van een persoon: hij is niet alleen iets, maar ook iemand. Hij is in staat zichzelf te kennen, zichzelf te bezitten en zichzelf in vrijheid te geven en in contact te treden met andere personen, en hij is door genade geroepen tot een verbond met zijn Schepper, om aan Hem een antwoord van geloof en liefde te geven, dat niemand in zijn plaats kan geven.

II. “Eén naar lichaam en ziel”

362. De menselijke persoon, geschapen naar Gods beeld, is tegelijkertijd een lichamelijk en een geestelijk wezen. Het bijbelverhaal brengt deze werkelijkheid tot uitdrukking in een symbolisch taalgebruik, wanneer het zegt: “God boetseerde de mens uit stof, van de aarde genomen en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.” (Gen. 2, 7) De mens is dus in zijn geheel door God gewild.

363. Dikwijls staat de term “ziel” in de heilige Schrift voor “het menselijk leven” of voor heel de menselijke persoon. Maar hij geeft ook aan wat het diepste wezen van de mens en het meest waardevolle in hem, en eveneens datgene waardoor hij in het bijzonder Gods beeld is: “ziel” betekent het geestelijk beginsel in de mens.

364. Het lichaam van de mens heeft deel aan de waardigheid van “het beeld van God”: het is een menselijk lichaam; juist omdat het bezield wordt door een geestelijke ziel en het de menselijke persoon die in zijn geheel bestemd is om in het lichaam van Christus de tempel van de Geest te worden: Als een eenheid van lichaam en ziel verenigt de mens in zich, juist door zijn lichamelijkheid, de elementen van de stoffelijke wereld, zodat deze door hem hun hoogtepunt bereiken en hun stem verheffen om in vrijheid de Schepper te prijzen. De mens mag dus zijn lichamelijk leven niet minachten, integendeel, hij moet zijn lichaam als door God geschapen en door Hem bestemd voor de verrijzenis op de laatste dag, waarderen en eerbiedigen.

365. De eenheid van lichaam en ziel gaat zo diep dat men de ziel als de “vorm” van het lichaam moet beschouwen, d.w.z. dankzij de geestelijke ziel is het uit stof bestaande lichaam een menselijk en levend lichaam; geest en stof zijn in de mens geen twee met elkaar verenigde naturen, maar hun eenheid vormt een natuur.

366. De Kerk leert dat iedere geestelijke ziel direct door God geschapen wordt: zij wordt niet “voortgebracht” door de ouders; de Kerk leert ons ook dat de ziel onsterfelijk is: zij vergaat niet na haar scheiding van het lichaam bij de dood en zij zal zich opnieuw met het lichaam verenigen bij de uiteindelijke verrijzenis.

367. Soms blijkt de ziel onderscheiden te worden van de geest. Zo bidt de heilige Paulus dat ons “hele wezen, geest, ziel en lichaam, moge ongerept bewaard zijn bij de komst van onze Heer” (1 Tess. 5, 23). De Kerk leert dat dit onderscheid geen dualiteit in de ziel invoert.

368. De geestelijke traditie van de Kerk legt ook de nadruk op het hart in de bijbelse zin van “binnenste” (Jer. 31, 33), waar de mens wel of niet voor God kiest.

Conclusie

Schepping is iets dat met God van doen heeft, een transcendent, boven de natuur staande, eeuwige, persoonlijke god. UIt het niets doet hij de zichtbare werkelijkheid ontstaan. De Bijbel schrijft daarover in beeldrijke taal. We hoeven het verhaal van de schepping in zes dagen van de katholieke kerk niet letterlijk te nemen, maar mogen het symbolisch begrijpen. Hierin wijkt het standpunt van de katholieke kerk dus duidelijk af van dat van de creationisten. Die schepping is niet louter door toeval ontstaan: er is sprake van wijsheid waarin deze geschapen is, ordening, schoonheid, in ontwikkeling, gericht op een doel. De mens geldt als ‘beeld van God’ als hoogtepunt van die schepping, niet iets maar iemand, met een onsterfelijke ziel.

Biofides, 14 mei 2009

Bron: rkdocumenten.nl

Jean-Michel Maldamé, specialist op het terrein ‘geloof & wetenschap’

Maldame

Jean-Michel Maldamé werd geboren in 1939 (Algiers) en is lid van de Dominicaanse Orde (Ordo praedicatorum) sinds 1960. Opgeleid in de wiskunde, filosofie en theologie is hij lector aan de Dominicain Studium in Toulouse, vervolgens hoogleraar theologie aan de Katholieke Universiteit van Toulouse, decaan van de Faculteit Wijsbegeerte en directeur van de arts-school en nu directeur of Institut de Recherches Interdisplinaires sur les Sciences.
Als specialist op het terrein van de dialoog tussen wetenschap en religie heeft Jean-Michel Maldamé tien persoonlijke of collectieve boeken en veel artikelen of hoofdstukken in collectieve boeken op zijn naam staan. Hij is tevens sinds 1997 lid van de Pauselijke Academie van Wetenschappen.

Zijn belangrijkste publicaties in verband met evolutiebiologie zijn: Evolutie et creation (2000), Science et Foi en quête d’Unité (2003), Creation et ProvidenceBible et science (2005), Le Peche originel (2008).

Boek doorprikt mythe over Galileo Galilei


galileo_galilei

BRUSSEL (KerkNet/CNA/Cathnews) – De commissie belast met het onderzoek naar de zaak Galileo Galilei publiceert haar conclusies in het boek ‘Galileo en het Vaticaan’. Dat doorprikt de populaire mythe dat Galilei als een ketter door paus Urbanus VIII veroordeeld werd.

Kardinaal Paul Poupard, voorzitter emeritus van de Pauselijke Raad voor Cultuur: “Dit soort mythen blijven vaak eeuwenlang bestaan en zijn moeilijk uit te roeien. Tot op vandaag worden deze bizarre ideeën, waarvoor geen basis bestaat, verspreid. Het was belangrijk dat wij er een onderbouwd antwoord op formuleerden. De Kerk is geen vijand van de wetenschap.”

Mgr. Sanchez de Toca, vicesecretaris van de Pauselijke Raad voor de Cultuur, beklemtoont het belang van het werk van de commissie. Maar het is ook belangrijk dat vergissingen uit het verleden erkend en rechtgezet worden: “De rechters die Galileo destijds beoordeelden, vergisten zich niet alleen omdat zij dachten dat de aarde niet bewoog, maar ook omdat zij een oordeel uitspraken dat hun competentie te buiten ging. Zij dachten dat het Copernicaanse wereldbeeld, dat ook door Galileo verdedigd werd, het geloof van de gewone mens aan het wankelen bracht en daarom niet mocht onderwezen worden. Dat was een vergissing. Het is belangrijk dat ook dat erkend wordt.”

Paus Joannes Paulus II sprak in oktober 1992 een spijtbetuiging uit over de zaak Galileo.

Aids in Afrika: de feiten vernietigend voor de mythes


afrika

Het mysterie over de reden waarom Aids in Afrika zo vernietigend om zich heen grijpt is opgehelderd. En het is niet het gebrek aan condooms.

Het commentaar van Benedictus XVI over de Afrikaanse Aids-crisis – “deze gesel kan niet met het uitdelen van condooms uitgeschakeld worden. In tegendeel, het risico bestaat dat het probleem daardoor groter wordt.” – lokte internationaal een buitenproportionele reactie uit.

“Zet de paus af!” schreef een katholieke columnist in de Washington Post. Deze paus is “een ramp”, aldus een Vaticaanse functionaris in de London Telegraph. Deze boeketjes kwamen van zijn vrienden. Zijn vijanden reageerden agressief. “Schandelijk fout!” donderde de New York Times. “Er is geen bewijs dat het gebruik van condooms de epidemie verergert en er is een aanzienlijke hoeveelheid bewijzen dat condooms, ofschoon geen wondermiddel, in vele omstandigheden behulpzaam zijn.

Geen bewijs, he? Geen enkel? Zelfs geen ietsepietsie? Hebben de Gray Lady [New York Times, EM] en de duizenden andere politici en journalisten, die hun beschimpingen neer lieten dalen op de paus, niet een of andere Aids-expert hierover geraadpleegd? Blijkbaar niet. Als ze dat gedaan zouden hebben, dan zouden ze hebben ontdekt dat vele Afrikaanse Aids-beleidsmakers ernstige problemen hebben met een obsessie over condooms.
Een expert van Harvard University, dr. Edward C. Green, vertelde MercatorNet onomwonden: “De paus heeft feitelijk gelijk.” Green is geen lichtgewicht op het gebied van de Aids-research. Hij is de auteur van vijf boeken en meer dan 250 peer-reviewed artikelen – en, voegde hij toe, hij is een agnost, niet een katholiek.
De niet-genoeg-condooms-verklaring voor de wereldwijde HIV/Aids-epidemie wordt gevoed “niet door bewijs, maar door ideologie, stereotypes een onjuiste aannames”, aldus Green vorig jaar in het tijdschrift First Things. En mythes doden: “ze resulteren in inspanningen die op z’n best ineffectief zijn en op z’n hoogst schadelijk, terwijl de Aids-epidemie zich blijft verspreiden en een verwoestende tol eis aan mensenlevens (1).

Experts met twijfels

Edward C. Green is geen roepende in de woestijn. Vergelijkbare zienswijzen kunnen in ’s werelds toonaangevende wetenschappelijke tijdschriften gelezen worden. In een artikel in bijvoorbeeld The Lancet, schrijft James Shelton, van het Amerikaanse Agency for International Delvelopment, dat condoomgebruik als oplossing voor de Aids-epidemie tot een van de tien schadelijke mythes over de strijd tegen Aids behoort. “Condooms hebben slechts een gering effect in gegeneraliseerde epidemieën,” aldus Shelton. (2)

Nog maart kort gelden, in 2004, concludeerde het tijdschrift Studies in Family Planning dat er “nog geen duidelijke voorbeelden naar voren zijn gekomen van een land dat een gegeneraliseerde epidemie heeft teruggedrongen door hoofdzakelijk het stimuleren van het condoomgebruik.” In werkelijkheid kan de prevalentie van HIV/Aids stijgen met het toenemen van het gebruik van condooms. Kameroen bijvoorbeeld, het land waarnaar de paus vloog toen hij zijn beruchte opmerking maakte. Tussen 1992 en 2001 steeg de verkoop van condooms van 6 miljoen naar 15 miljoen – de HIV-prevalentie verdrievoudigde van 3 naar 9 procent. (3)

De criticasters van Benedictus nemen blind aan, dat de oplossing wordt geboden door meer condooms, omdat Aids in Soweto vergelijkbaar is met Aids in San Francisco. En dat is niet het geval. In het Westen beperkt de Aids zich tot hoge-risico-groepen, zoals prostituees, homoseksuelen en intraveneuze druggebruikers. Uit onderzoek blijkt dat binnen deze groepen condooms tot op zekere hoogte effectief zijn. Maar in Afrika is sprake van een gegeneraliseerde, heteroseksuele epidemie die gewone mensen treft.

Al vele jaren proberen wetenschappers wanhopig te begrijpen, waarom Aids juist daar zo verwoestende gevolgen heeft. Afrika ten zuiden van de Sahara is het zwaarst getroffen gebied in de wereld. In 2007 telt het wereldwijd 67 procent van alle mensen die leven met HIV en 72 procent van de Aids-doden. (4) De oorzaak is nu kristalhelder. De reden is de wijdverspreide gewoonte van “meervoudige, gelijktijdige partnerschappen.”

Multipele partners

Wat betekent dit? In Afrika is het voor een individu niet ongebruikelijk om voor een langere tijd meer dan een partner te hebben. In het Westen zouden we hiervoor de term ‘maîtresse’ of ‘vriendje’ kunnen gebruiken. Relaties zoals deze zijn meer dan slechts vluchtige contacten; tot op zekere hoogte zijn ze gebaseerd op intimiteit, vertrouwen en vriendschap. Onder deze omstandigheden is het erg moeilijk een man te overtuigen consistent condooms te gebruiken. ‘Concurrency’, zoals de wetenschappers het noemen, is een dodelijk recept.

Dit is het onderwerp van een in 2007 gepubliceerd en veelgeprezen boek van de hand van de medisch-journaliste Helen Epstein, The Invisible Cure: Africa, the West, and the Fight Against AIDS (overigens werd het boek door de New York Times ontvangen met een positieve recensie). Al lange tijd schreef ze de Aids-epidemie toe aan commerciële seks, armoede, discriminatie van vrouwen en aan een laag condoomgebruik. Maar nadat ze opmerkte dat de HIV-besmetting toenam ondanks een hoger condoomgebruik, begreep ze dat ‘concurrency’ de sleutel is van het probleem. Ze beschreef deze multipele duurzame partnerschappen als de “supersnelweg voor infecties” met gelegenheidsseks als “oprit”.
“Alleen condooms zullen het virus niet stoppen, omdat de overdracht plaats vindt binnen duurzame relaties, waarbinnen condooms zelden worden gebruikt,” vertelde ze vorig jaar tijdens een interview. “Daarom is een collectieve verandering in seksuele normen, in het bijzonder de reductie van het aantal partners, cruciaal.” (5)
En het blijkt dat condooms erger kunnen zijn dan slechts ineffectief in een gegeneraliseerde epidemie. Edward Green zei MercatorNet dat ze “zelfs de HIV-infectie graad kunnen verergeren vanwege het fenomeen dat risicocompensatie wordt genoemd of ‘behavioral disinhibition’. Mensen nemen een groter seksueel risico omdat ze zich veiliger voelen dan eigenlijk wordt gerechtvaardigd door condoomgebruik.

Effectieve oplossingen

Als het strooien van condooms over Afrika de epidemie niet kan stoppen, wat helpt dan wel? Volgens een recent artikel in Science van wetenschappers van de Universiteit van Berkeley in Californië, de Harvard Universiteit in Boston, de Universiteit van Californië in San Francisco en de San Francisco Department of Public Health werken slechts twee interventies echt: besnijdenis bij de man en het terugbrengen van multiple partnerschappen. (6)
Besnijdenis bij de man reduceert significant het risico op HIV-infectie bij heteroseksuelen en wordt zelfs als “chirurgisch vaccin” aangeduid. Het kan een verklaring zijn voor het feit dat het HIV besmettingspercentage in West-Afrika relatief laag is. De VN stimuleert het met kracht in zuidelijk Afrika. Maar de uitdaging is enorm – ongeveer 2,5 miljoen besnijdenissen tot het jaar 2010. Ik wens hen veel succes!

De andere effectieve strategie, aldus deze deskundigen, is “partnerreductie,” dat – wat een verrassing! – opmerkelijk veel lijkt op hetgeen de paus zei. In Oeganda, daalde de HIV-prevalentie dramatisch na een intensieve “zero grazing” campagne in de jaren 90. Een recente daling van de HIV-besmetting in Kenia lijkt te kunnen worden toegeschreven aan partnerreductie en echtelijke trouw. Bovendien, ondanks scepticisme door westerlingen, is het mogelijk om seksueel gedrag te veranderen. Een campagne in Swaziland over het gevaar van het hebben van een “geheime liefde” resulteerde in daling van het aantal partners.

Als het standaard HIV-preventiearsenaal “totaal gefaald heeft in reductie van de HIV-transmissie,” zoals Edward C. Green en andere onderzoekers schrijven in het huidige nummer van Studies in Family Planning (7), hoeveel wordt er dan besteed aan behandelingen die wel werken? Erg weinig, zo beklagen zich de auteurs van een artikel in Science. De grootste hap van de 3,2 miljard dollar budget van UNAIDS gaat op aan interventies die “niet worden ondersteund door hard bewijs”. Slechts 20 procent wordt besteed aan de gegeneraliseerde epidemieën in onder andere Afrika, ofschoon zij tweederde van alle HIV-infecties voor hun rekening nemen. Slechts 5 procent wordt besteed aan besnijdenissen bij de man – en een verwaarloosbaar bedrag aan het veranderen van seksueel gedrag.

Een editorial in de Seattle Times bespotte paus Benedictus XVI te leven in een “ander universum”. (8) Maar het is niet de paus die daar zijn woonplaats heeft gekozen. Het zijn zijn criticasters. Zoals Green vorig jaar schreef, hebben “christelijke kerken – en zelfs de meeste geloofsgemeenschappen – een relatief voordeel bij het stimuleren van de noodzakelijke gedragsveranderingen, omdat deze gedragingen in overeenstemming zijn met hun morele, ethische en bijbelse leer. Wat de kerken sowieso al geneigd zijn om te doen, blijkt bij Aids-preventie het beste te werken. (9)

Referenties

(1) Edward C. Green and Allison Herling Ruark. “AIDS and the Churches: Getting the Story Right”. First Things. April 2008.
(2) James D. Shelton. “Ten myths and one truth about generalised HIV epidemics.” The Lancet. December 1, 2007. pp 1809-1811.
(3) Norman Hearts and Sanny Chen. “Condom promotion for AIDS prevention in the developing world: is it working?” Studies in Family Planning. March 2004. pp 39-47.
(4) “2008 Report on the global AIDS epidemic”. UNAIDS. July 2008.
(5) “AIDS Journalist Helen Epstein on The Invisible Cure”. Philanthropy Action. May 20, 2008.
(6) Malcolm Potts et al. “Reassessing HIV Prevention”. Science, May 9, 2008. pp 749-750.
(7) Edward C. Green et al. “A Framework of Sexual Partnerships: Risks and Implications for HIV Prevention in Africa.” Studies in Family Planning. March 2009, pp 63-70.
(8) “Pope Benedict’s alternate universe”. Seattle Times. March 19, 2009.
(9) Edward C. Green and Allison Herling Ruark. “AIDS and the Churches: Getting the Story Right”. First Things. April 2008.

Michael Cook, Mercatornet.com, maart 2009

(vertaling Eric Masseus)


Congres in Rome: Evolutietheorie en scheppingsgeloof gaan samen


P1060039.JPG

Rome (Biofides) – Er zijn van die momenten in je leven dat je als bioloog en katholiek christen even ‘uit je dak’ gaat en zo’n moment was het congres Biologische Evolutie: feiten en theorieën, gehouden van 3 tot 7 maart jl. aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ te Rome. Topwetenschappers, filosofen en theologen uit de gehele wereld verzamelden zich om zich over de meest recente ontwikkelingen in de wetenschap en het gelovig denken over evolutie en schepping te buigen. Twee universiteiten stonden garant voor de wetenschappelijke kwaliteit: bovengenoemde Romeinse en de Notre Dame University in et Amerikaanse Indiana. En dat alles stevig ondersteund door het Vaticaan, in het bijzonder de Pauselijke Raad voor de Cultuur en de Congregatie van de Geloofsleer. Eén ding werd in elk geval opnieuw duidelijk: dat de katholieke kerk geen angst heeft voor wetenschappelijke inzichten en van harte bereid is om met de modernste wetenschappelijke inzichten geconfronteerd te worden. Ook als dat zou betekenen dat de mens toch van de aap afstamt.

Nu voor dat laatste, de afstamming van de aap, daarvoor hoefde men dit congres niet te organiseren. Pius XII heeft al gesteld dat de kerk daar geen theologische bezwaren tegen heeft, zolang de schepping van de menselijke ziel ‘direct door God’ maar niet in het geding komt. Hoe we ons de wording van de mens vanuit een gemeenschappelijke voorouders van mens, chimpansee, gorilla en orang-oetang dan verder moeten voorstellen, dat blijft vooralsnog onduidelijk, zij het dat paleontologen toch steeds meer inzicht lijken te krijgen over hoe de hominisatie vanuit één plaats in Afrika, ergens langs de Ethiopische rivier Omo, twee miljoen jaar geleden, als gevolg van veranderende fauna’s en ecosystemen, zoals de Franse paleoantropoloog Yves Coppens veronderstelt, is verlopen.

Maar wat is er nu in feite waar aan die hele evolutietheorie, wat is er ‘bewezen’? Dat een wetenschappelijke theorie aan het criterium van de verifieerbaarheid moet voldoen, gaat voor deze theorie alvast niet op, omdat de tijdschalen van het ontstaan van leven verificatie door experimenten per definitie niet toelaat. Is daarom de hele theorie speculatie, derhalve niet relevant en in het slechtste geval pure onzin? Dat is ook niet vol te houden. Vanuit de paleontologie, maar ook vanuit de moleculaire genetica en de vergelijkende taxonomie voeren wetenschappers te veel aanwijzingen aan voor de juistheid van de evolutietheorie om deze terzijde te kunnen leggen. Dus zonder de evolutie in detail te kunnen bewijzen komen wetenschappers tot de conclusie dat we hier van wetenschappelijke ‘feiten’ kunnen spreken, in de zin dat er dusdanig veel argumenten op evolutie wijzen dat je ‘veilig’ kan aanmenen dat het ook waar is. En ook de katholieke kerk heeft zich in deze zin aan de kant van de wetenschap geschaard, in de eerste plaats omdat de katholieke kerk de wetenschap niet alleen als haar vriend, maar zelfs een beetje als haar kind beschouwt en er niet vanuit gaat dat kind altijd maar liegt, maar eerder geneigd is – net als zijzelf op theologisch en moreel gebied – de waarheid te zoeken, vinden en spreken. Johannes Paulus II heeft daarom zoals bekend in een rede tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen in 1996 de theorie ‘meer dan een hypothese’ genoemd, wat in wetenschapsfilosofische kringen (Karol Woytila was een filosoof) zoveel betekent als dat we ervan uit mogen gaan dat het om een wetenschappelijke theorie gaat, die voor waar mag worden gehouden zolang er geen aanhoudende stroom van waarnemingen en feiten is die de theorie weerspreken.

Maar wat moeten we dan met onze bijbelverhalen, met de creationisten en de aanhangers van Intelligent Design en de relatie met religie in het algemeen? In de eerste plaats wordt aan de meest letterlijke interpretatie van het eerste hoofdstuk van Genesis, het verhaal van de schepping in zes dagen en een rustdag, al sinds de kerkvaders getwijfeld. De heersende opvatting onder bijbelgeleerden is dat het om een liturgische hymne gaat, een gedicht, dat de structuur aanneemt van de zevendaagse week, die dus al bestond toen het lied geschreven werd én het tien maal spreken van God conform de tien ‘woorden’ van God tot Mozes, iets ten onrechte door ons aangeduid als de tien ‘geboden’. Een prachtige poëtische constructie die vooral wil aanduiden, temidden van de vele niet-joodse kosmologische opvattingen van voor onze jaartelling, dat er één God is die verantwoordelijk is voor het bestaan van hemel en aarde, dat we de kosmos en de aarde en het leven dus op moeten vatten als ‘geschapen’ en dat God die schepping volgens een zekere orde heeft geschapen en ‘goed’, tot ‘zeer goed’. Wat haaks stond op de vele elkaar bestrijdende goden en halfgoden en de bedenkelijke aard van de natuurlijke orde, volgens bepaalde opvattingen in de oudheid. Natuurlijk moeten we daar het verhaal van de zondeval en de consequenties daarvan nog wel bijnemen, om als jood, christen of moslim deze wereld met haar kwaad te begrijpen, maar de schepper zowel als de schepping zijn in beginsel zeer goed van aard.

Het al te letterlijk nemen van Genesis 1 past dus niet in de grote traditie van het christelijk denken, en blijkt volgens een Amerikaanse protestantse historicus op het congres ook pas van zeer recente datum te zijn: de negentiende eeuw in bepaalde streng protestantse kringen in Amerika, voornamelijk als reactie op Darwin’s ‘Origin of the Species’. Op het congres wordt het er uit voortvloeiend Creationisme afgedaan als slechte theologie én slechte wetenschap. Het ontkent een overvloed aan bevindingen die wijzen op evolutie over lange perioden en toont voortdurend aan dat nog niet alles is opgehelderd in de evolutietheorie. En het vertrekt van een bijbelinterpretatie die weinig tot geen ankers heeft in de joods-christelijke traditie. Alsof de schrijvers van Genesis een feitenverslag hebben willen geven van de scheppingsdaden van God en we een tekst van eeuwen vóór Christus zouden mogen lezen als een natuurwetenschappelijke tekst met de intenties van een schrijver uit de 19e, 20e of 21e eeuw ná Christus.

Ook Intelligent Design komt er op het congres slecht vanaf. Het gaat hier om een beweging van meestal gelovige wetenschappers, die op een min of meer natuurwetenschappelijke manier willen aantonen – nog zonder succes – dat bepaalde complexe structuren in de natuur niet ‘zo maar’ ontstaan kunnen zijn. Daar moet God op de één of andere manier tussenbeide zijn gekomen. Je komt dat goed beschouwd uit bij een ‘God-van-de-gaten’: wat biologisch niet verklaarbaar is, dat heeft God zélf gedaan door even een duwtje te komen geven om iets tot stand te brengen. Vanuit de theologie wordt het bezwaar aangevoerd dat je God daarmee verlaagt tot een natuurlijke factor in de kosmos. Bovendien zou de kosmos zelf dan niet in staat zijn om te worden wat het geworden is, wat inhoudt dat de door God gegeven natuurwetten niet zouden volstaan. Het is ook deze God-van-de-gaten’ waar de bekende atheïstische bioloog Richard Dawkins tegen in verweer komt, omdat elke keer naar verloop van tijd en wetenschappelijke studie weer blijkt dat die gaten wel degelijk door een natuurlijke verklaring opgevuld kunnen worden. Zodat hij tot de conclusie komt dat dié god niet bestaat. In een lang gesprek tussen Dawkins en de voormalig directeur van de Vaticaanse sterrenwacht, de jezuïet Coyne, onlangs, maakt deze laatste Dawkins er dan ook fijntjes op attent dat hij als katholiek priester ook helemaal niet in dié god gelooft, maar wél in een transcendente God die de eerste oorzaak is van alle bestaan, op een bovennatuurlijk niveau, en het doel ervan, en van wie alle bestaan in de natuurlijke orde afhangt.

Een sleutelmoment in het congres vormde bijdrage van de Franse theologieprofessor Maldamé uit Toulouse, die twee niveaus van oorzakelijkheid duidelijk onderscheidt, de natuurlijke en de bovennatuurlijke. God heeft in de natuur de mogelijkheden gelegd om zich – zeg maar – autonoom te ontwikkelen van atomen en moleculen tot organisch leven en zelfs intelligent leven van de mens. God hoeft niet in te grijpen in de natuurwetten die Hijzelf geschreven heeft, want die natuurwetten, daar mankeert niets aan. Hij zal dat hoogstens af en toe doen en dan spreken we van tekenen en wonderen, zoals Jezus die deed, waarmee God op een uitzonderlijke manier zichzelf wil manifesteren. Maar in de regel laat God de zaken lopen zoals ze lopen. Zelfs toeval speelt daarin zijn rol. Al de Franse bioloogfilosoof Monod zegt dat de wereld niet door God maar door toeval geschapen is, dan zegt Maldamé dat God naast de natuurwetten en de kosmos het toeval aan het universum geschonken heeft als medeconstituerend beginsel. Toeval als geschenk van God! Als de kosmos maar genoeg tijd en ruimte heeft, en dat heeft ze, dan zal onvermijdelijk een sterrenstelsel, een planetenstelsel, een planeet als de aarde, leven op aarde – en misschien ook elders – en de mens ontstaan. Ook de evolutiebiologen op het congres bevestigden dat er veel aanwijzingen zijn op natuurlijk niveau voor deze onvermijdelijkheid van het ontstaan van bepaalde complexe structuren. Zo leveren paleontologen bewijzen voor het op diverse plaatsen in de ‘boom van het leven’ onafhankelijk van elkaar ontstaan van het cameraoog, ons oog. Volgens de biologen van nu vertoont de natuur op alle niveaus, dat van de atomen en moleculen, dat van de weefsels en organen (de ontwikkelingsbiologie speelt daarin een belangrijke rol), symptomen van ‘ingebakken ‘ onvermijdelijkheid van het ontstaan van complexe fenomenen. De mens zou volgens dat inzicht dus uiteindelijk een onvermijdelijk gevolg zijn van de materie en energie waaruit de kosmos, de ruimtetijd waarin wij leven, bestaat. Bovennatuurlijke oorzakelijkheid, het feit dat God het zo gemaakt heeft en laat functioneren, mogen we nooit verwarren met natuurlijke oorzakelijkheid, bijvoorbeeld dat door isolatie van een populatie van een bepaalde soort of door een veranderd milieu er veranderingen in de eigenschappen van een soort ontstaan. Wij moeten erin durven geloven dat alles in de kosmos langs natuurlijke wegen is ontstaan. Er bestaat een zekere afstand tussen God, die geest is en bovennatuurlijk, en ons de natuur, en er is een zekere autonomie van de schepping, een bepaalde vrijheid, die uiteindelijke resulteert in de vrijheid van de mens, die zelfs misschien wel voorwaarde is voor het ontstaan van een wezen met een vrije wil. Wel is er een relatie tussen God en de levende natuur, die van de afhankelijkheid. God is op een discrete maar beslissende manier in zijn schepping aanwezig. Zonder Gods wil zou dit alles niet bestaan. De juiste interpretatie van het ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’ is ook niet zozeer die van een begin in de tijd, ook al blijft ook die interpretatie van kracht, maar vooral van een ten principale voorafgaan van God aan de schepping. God is de ‘eerste oorzaak’ van het bestaan van hemel en aarde’ zoals de oude filosofen al stelden. God is volmaakt en heeft het niet nodig om de wereld te scheppen, maar de overvloed van zijn liefde en goedheid wil zich uitdrukken en daardoor bestaan wij. Dat God daarbij in wijsheid te werk is gegaan spreekt vanzelf. Er is vanuit theologisch oogpunt zeker sprake van een intelligent ontwerp, alleen speelt dat zich niet zozeer af op het natuurlijk niveau van de ‘klokkenmakergod’, die hoogst persoonlijk komt knutselen in de kosmos. Het gaat om een veel hogere wijsheid, ‘design’, die de geschapen natuur haar eigen karakteristieken meegeeft die haar in staat stellen om langs de weg van toevalsprocessen, met vallen en opstaan, ook met fouten, maar nog veel meer met biologische successen hoogontwikkeld leven en de mens te scheppen.

Het congres was een historische gebeurtenis. Voor het eerst in de geschiedenis gingen wetenschappers, filosofen en theologen om de tafel zitten om samen zich diepgaand over de evolutietheorie te buigen. Mensen uit zeer verschillende disciplines, niet alleen katholieken – in het organiserend comité zaten ook twee niet-gelovige wetenschappers – kwamen met elkaar in contact om hun gedachten met elkaar te delen. En het voornemen is om deze fascineerde dialoog een vervolg te gegeven. Maar de grootste verdienste was wellicht dat je voor je ogen zag gebeuren wat Johannes Paulus II als leidraad voor de dialoog geloof en wetenschap heeft geformuleerd: dat de wetenschap de theologie ontdoet van valse godsbeelden die in feite gebaseerd zijn op fenomenen die wij natuurlijk blijken te kunnen verklaren, en dat de theologie de wetenschap ontdoet van afgodendienst aan haar eigen verwezenlijkingen door er op te wijzen dat de eerste, bovennatuurlijke, oorzaak van alle dingen en het uiteindelijke doel, de zin van het bestaan en de onsterfelijke ziel van de mens, niet in de geschapen orde gevonden kunnen worden, maar bij God.

Vincent Kemme
biofides@gmail.com

Vaticaan eert wetenschapper Galileo Galileï met mis


galileo_galilei

VATICAANSTAD (RKnieuws.net) – Mgr. Gianfranco Ravasi, voorzitter van de pauselijke Raad voor cultuur eert zondag de verketterde wetenschapper Galileo Galileï zondag een een eucharistieviering. De Unesco heeft 2009 uitgeroepen tot internationaal jaar van de astronomie om het eerste gebruik van de telescoop door Galilei te herdenken. Het Vaticaan organiseert ook een tentoonstelling over Galileï en een symposium in de sterrenwacht van het Vaticaan. Van een standbeeld van de wetenschapper in de pauselijke tuinen komt niets in huis. Dat project werd vorige maand zonder opgave van redenen afgeblazen.

Het Vaticaan is van plan de akten van het proces Galilei opnieuw uit te geven om het geheugen op te frissen van hen die de katholieke Kerk ervan beschuldigen de beroemde fysicus (1564-1642) veroordeeld te hebben wegens zijn stellingen over het universum.

’Galileo Galilei werd nooit veroordeeld’, verklaarde mgr. Gianfranco Ravasi, voorzitter van de pauselijke raad voor Cultuur op de vooravond van een congres dat het Vaticaan organiseerde met als thema ’De wetenschap 400 jaar na Galilei’.

De veroordeling van Galilei tot een gevangenisstraf die in 1633 door de Inquisitie werd uitgesproken na een lang proces waarbij hij riskeerde veroordeeld te worden tot de brandstapel, is nooit ondertekend door paus Urbanus VIII. Galilei, die de stelling van het heliocentrisme verdedigde dat ervan uitgaat dat de zon het middelpunt van het universum is waar alles om heen draait, werd verplicht zijn stelling te herroepen. Zijn werken werden verboden.

Het Vaticaan heeft geleidelijk aan zijn fouten in de zaak Galilei erkend. Galilei werd niet zozeer vervolgd voor zijn zuivere wetenschappelijke stellingen dan wel voor de theologische implicaties ervan. Johannes Paulus II bracht in 1992 hulde aan de geleerde. (tb)

Volgende Pagina »