‘Wetenschap moet zich onder religieus-ethische leiding stellen’

Hilversum (Katholiek Nederland) – Staten en internationale organisaties moeten ervoor zorgen dat de technologische vooruitgang geen vloek is maar een zegen. Daartoe dienen zij religieus-ethisch advies in te winnen. Dat is een van de standpunten van de bilaterale commissie voor de joods-katholieke dialoog.

Verder lezen ‘‘Wetenschap moet zich onder religieus-ethische leiding stellen’’

Fundamentele vragen en de antwoorden van Mgr. Léonard

In een interview van september 2006 met Joël De Ceulaer, journalist bij het betere Vlaamse weekblad Knack, beantwoordt de nieuwe Belgische aartsbisschop Mgr. André-Mutien Léonard, voormalig professor in de filosofie, een aantal fundamentele vragen met betrekking tot de relatie tussen biologie en geloof. Een greep uit wat de oud-filosofieprofessor in Leuven en Louvin-le-Neuve zegt.

Verder lezen ‘Fundamentele vragen en de antwoorden van Mgr. Léonard’

Geloof, verstand en ethiek bij John van Salisbury

In een audiëntie van 16 december 2009 heeft paus Benedictus XVI de persoon van John van Salisbury (1100 of 1120 – 1180) naar voren gebracht, een middeleeuws theoloog en filosoof, die in interessante gedachten naar voren brengt over de relatie geloof, verstand en ethiek. We citeren hier uit de tekst van paus.

Verder lezen ‘Geloof, verstand en ethiek bij John van Salisbury’

Vaticaans Congres 2009 ‘Biologische Evolutie: feiten en theorieën’

In het kader van het Darwin-jaar werd er het afgelopen jaar 2009 een groot congres gehouden onder de titel ‘Biologische Evolutie: feiten en theorieën’. Het congres werd georganiseerd door de Pauselijke Raad voor de Cultuur, in samenwerking met de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ en de ‘Notre Dame University’ van Indiana (VS). Wetenschappers van naam uit de gehele wereld kwamen een vijftal dagen samen in de gebouwen van de prestigieuze ‘Gregoriana’ om elkaar te informeren over de stand van zaken rond de evolutietheorie. Ondergetekende had het voorrecht bij dit congres aanwezig te zijn en doet er graag verslag van in Acta Medica Catholica.

Verder lezen ‘Vaticaans Congres 2009 ‘Biologische Evolutie: feiten en theorieën’’

Europese rk bisschoppen over ‘Kopenhagen’

Verklaring van de voorzitter van COMECE, voor de Europese Bisschopen van de Katholeke Kerk, mgr. Van Luyn (Rotterdam) naar aanleiding van de VN-klimaatconferentie in Kopenhagen

‘Algemeen welzijn gaat boven nationaal belang’

Voor aanvang van de vergadering van de Europese Raad op 10 en 11 december in Brussel, riep de voorzitter van de Commissie van de bisschoppenconferenties van de Europese Unie (COMECE), mgr. A. van Luyn, de leiders van de EU en haar 27 lidstaten op om alles te doen wat in hun macht ligt zodat onder de hoede van de Verenigde Naties in Kopenhagen een ambitieus, omvattend en rechtvaardig akkoord voor klimaatbescherming aangenomen kan worden.

Verder lezen ‘Europese rk bisschoppen over ‘Kopenhagen’’

Het centrale belang van de natuurwet

Paus Benedictus XVITijdens een toespraak aan de Universiteit van Latheranen op 12 februari 2007 is paus Benedictus XVI ingegaan op de centrale betekenis van de zogenaamde ‘natuurwet’ voor de ethiek. Dat zijn de regels en beginselen die voor alle mensen gelden, omdat ze voortvloeien uit het verstand, zoals dat bepalend is voor de menselijke natuur. Alle andere ethische principes vloeien hieruit voort.

Verder lezen ‘Het centrale belang van de natuurwet’

Vaticaan houdt rekening met buitenaards leven

Hilversum (Katholiek Nederland) – Vandaag is in Vaticaanstad de vijfdaagse conferentie over astrobiologie afgesloten. De studiedagen over eventueel buitenaards leven was belegd door de Pauselijke Academie voor de Wetenschappen.

Verder lezen ‘Vaticaan houdt rekening met buitenaards leven’

Pleidooi voor universele ethiek..

BRUSSEL (KerkNet/OSR/Kathpress/Zenit/LaCroix) – Vijf jaar geleden kreeg de internationale theologische commissie van het Vaticaan de opdracht om de natuurwet als fundament van de katholieke moraal opnieuw onder de loep te nemen. Doel was bij te dragen tot de vorming van een universele ethiek. Vorige week publiceerde de commissie haar eindrapport onder de titel: ‘Op zoek naar een universele ethiek’.

Het document kan ontgoochelen voor wie hoopte dat de theologische en filosofische inzichten van de laatste vijftig jaar een plaats erin zouden krijgen. Het denkkader blijft het traditionele kader van Thomas van Aquino. Volgens het natuurrecht kunnen individuen en gemeenschappen in de natuur, in het licht van de rede, basisoriëntaties herkennen voor het ethisch handelen. Toch biedt het document nieuwe oriëntaties die christenen helpen moreel te antwoorden op hedendaagse ethische problemen.

De commissie vertrok van de nieuwe context van mondialisering, die het zoeken naar universele waarden opdringt. Ze stelt een heel open benadering van de natuurwet voor. Allereerst bekijkt ze welke inzichten uit andere religieuze tradities het christelijke concept van de natuurwet bijtreden. Zo wordt duidelijk gemaakt dat het christendom geen alleenrecht heeft op de waarheid over de mens. De commissie gaat ook de geschiedenis van de natuurwet na en stelt vast dat de toepassing ervan niet altijd dezelfde was doorheen de eeuwen. Misschien hebben we ons zelfs wel eens vergist, stelt het document. ”De christelijke theologie heeft bepaalde antropologische toestanden te gemakkelijk gerechtvaardigd in naam van de natuurwet, terwijl ze enkel ingegeven waren door de historische en culturele context.”
De Franse dominicaan en commissielid Serge-Thomas Bonino schrijft in ‘L’Osservatore Romano’: “Er moet een consensus nagestreefd worden over ethisch objectieve en universele waarden om de wispelturigheid van de publieke opinie en manipulatie van regeringen tegen te gaan. Zo wordt een steviger basis gegeven aan de mensenrechten.” De theologische commissie stelt een hernieuwde belangstelling vast voor de zoektocht naar gemeenschappelijke ethische waarden. Die universele ethiek is des te noodzakelijker tegen de achtergrond van de globalisering, de klimaatverandering, de terreur, de georganiseerde misdaad en de gentechniek. Volgens de Vaticaanse theologen moeten principes die uit het natuurrecht worden afgeleid de basis vormen voor “de samenwerking van alle mensen van goede wil, ongeacht hun religieuze overtuiging”.

Klimaatsverandering vergt een nieuwe globale ethiek

KlimaatveranderingBRUSSEL (RKnieuws.net) – Caritas internationalis heeft een rapport gepubliceerd waarin wordt opgeroepen tot een nieuwe en globale benadering van de huidige klimaatswijzigingen. Het rapport, getiteld “Klimaat rechtvaardigheid: op zoek naar een globale ethiek”, vraagt aandacht voor de ethische, morele en theologische dimensies van de milieuproblemen, want “de wetenschappelijke en economische aanpak ervan is belangrijk, maar niet voldoende”.

“Het rapport ontwikkelt duidelijke morele argumenten, gebaseerd op de bijbel en op de sociale leer van de katholieke kerk. Wij moeten de enge persoonlijke en nationale belangen overstijgen en het algemeen welzijn voor ogen houden. Wij moeten daarom radicaal het roer omgooien om de uitdagingen van de toekomst het hoofd te bieden. De wetenschap en de economie zijn duidelijk over de beteugeling van de klimaatsverandering, maar om écht succes te boeken is een bescheidener levensstijl van ons allemaal vereist. De komende VN-klimaattop in de Deense hoofdstad Kopenhagen (7-18 december 2009) biedt de wereldleiders een unieke kans om de noodzakelijke maatregelen te nemen, die de negatieve gevolgen van de klimaatsverandering wegnemen”, zegt kardinaal Oscar Maradiaga (foto), voorzitter van Caritas Internationalis.

De Derde Wereld

Klimaatsverandering bemoeilijkt de humanitaire hulp en het ontwikkelingswerk van de 163 aangesloten leden van het Caritas-netwerk, die in de toekomst met steeds meer noodsituaties zullen worden geconfronteerd. De klimaatsverandering is ook deel gaan uitmaken van het dagelijkse leven van de armen in de Derde Wereld. In een recente opiniepeiling van Caritas in de ontwikkelingslanden zegt 90% van de deelnemers dat ze belangrijke wijzigingen van het weer hebben ondervonden en 95% stelt ongunstige wijzigingen vast in het neerslag-patroon.

“Het is een structureel onrecht dat degenen die het minst hebben bijgedragen tot de klimaatsverandering, nl. degenen die leven in minder ontwikkelde en minder geïndustrialiseerde gebieden, het meest te lijden hebben aan de kwalijke gevolgen ervan. Wegens hun aanzienlijke rijkdom, technologische vernuft en ondernemingszin moeten de ontwikkelde landen niet enkel grotere inspanningen leveren om oplossingen te vinden, maar de armere landen ook tonen hoe ze zich kunnen ontwikkelen op een ecologisch verantwoorde manier”, lezen we in het rapport.

Solidariteit

In haar inleiding op het rapport schrijft Lesley-Anne Knight, secretaris-generaal van Caritas Internationalis: “De economische en technologische lasten bij de aanpak van de klimaatsverandering zullen hun prijs hebben. Het is maar normaal dat de rijke industrielanden het leeuwenaandeel van het prijskaartje betalen. Deze landen zijn immers grotendeels verantwoordelijk voor de productie en de uitstoot van schadelijke gassen. Zij zijn het die het meest hebben geprofiteerd van de groei en ontwikkeling, die leidden tot de opwarming van de aarde, het zogeheten broeikaseffect. De beleidslieden daar zullen moeten blijk geven van véél politieke moed om de bevolking aan te zetten tot een verminderd consumptiegedrag. Het ingang doen vinden van een lagere levensstandaard levert nu eenmaal geen electorale winst op!”.

Caritas in Veritate

L.-A. Knight verwijst naar de recente encycliek van paus Benedictus XVI, “Caritas in Veritate”, waarin echte solidariteit wordt omschreven als “een besef van verantwoordelijkheid van iedereen tegenover iedereen. Rechtvaardigheid en naastenliefde veronderstellen het streven naar het algemeen welzijn.”

Volgens het Caritas-rapport moeten de uitwassen in de ontwikkelde landen worden beteugeld en vervangen door een besef van de eindigheid van de beschikbare natuurlijke rijkdommen. De rijke industrielanden, die deelnemen aan de aanstaande milieutop van Kopenhagen, worden aangespoord om een doeltreffende en juridisch bindende overeenkomst te sluiten over een verminderde uitstoot van schadelijke broeikasgassen. Tegelijk wordt van hen méér financiele en technologische steun aan de armste landen verwacht, zodat deze zich kunnen aanpassen aan de hardere weersomstandigheden.

De zaak Galileo Galileï: conflict tussen geloof en wetenschap? Wat feiten.

galileo_galilei

Galileo Galilei (1564-1642) was een Toscaanse wiskundige en astronoom die met wiskundige methoden de Copernicaanse kosmologie verdedigde: niet de aarde maar de zon is middelpunt van het heelal. Hij werd geboren in Pisa en maakte als eerste gebruik van een telescoop. Daarmee ontdekte hij onder meer dat er vier manen om de planeet Jupiter heen draaide.

Verder lezen ‘De zaak Galileo Galileï: conflict tussen geloof en wetenschap? Wat feiten.’

Doelgroepen Biofides

People

Biofides wil inzichten met u delen op het raakvlak van biologie en geloof. Het is eeninitiatief van een gewezen biologieleraar, katholiek christen, gehuwd en vader van zes kinderen, waarvan de oudsten reeds het ouderlijk nest hebben verlaten.

Tot wie wil Biofides zich richten?

- leerlingen en studenten in het middelbaar, hoger en universitair onderwijs
- leraars en professoren in het middelbaar, hoger en universitair onderwijs
- verplegend personeel en artsen
- samenwonenenden, verloofden en gehuwden
- pastores, priesters, bisschoppen en religieuzen
- beleidsmakers en politici
- journalisten en opiniemakers
- …

U kan zich bij ons bekend maken, een vraag stellen of een opmerking achterlaten door een mail te sturen naar biofides@gmail.com. Uw bericht wordt zeer op prijs gesteld.

Het statuut van het embryo


menselijk embryo

Voor tal van medische proefnemingen worden menselijke embryo’s gebruikt en dus vernietigd. Jezuïet Alain Mattheeuws is bioloog, theoloog en docent aan het ‘Institut d’Etudes Théologiques’ in Brussel. Aansluitend bij het interview met K.U.Leuven-rector Mark Waer in Tertio nr. 501 legt hij uit waarom christenen daar een probleem voor de menselijke waardigheid in zien.

Verder lezen ‘Het statuut van het embryo’

Plannen voor artikelen op de Biofides.eu site

Op deze site willen we in de nabije toekomst schrijven over de volgende onderwerpen.

1. Geloof en wetenschap, hoe verhouden die zich tot elkaar?
2. Biologie en theologie, een vergelijking tussen twee wetenschappen?
3. Evolutietheorie en scheppingsgeloof, gaan die samen?
4. Creationisme en Intelligent Design, wat moeten we er van denken?
5. Toeval en doelgerichtheid in de natuur, hoe zit dat?
6. Seksualiteit en vruchtbaarheid bij de mens, hoe ga je er mee om?
7. Homoseksualiteit, ‘normaal’ of een vergissing?
8. Relaties en seksualiteit, wanneer doe je wat?
9. Voorbehoedmiddelen en natuurlijk geboorteregeling
10. Biologie en ethiek, mag alles wat kan?
11. Het menselijk embryo, wanneer wordt het een mens?
12. Het menselijk embryo, gevaren op de weg naar de geboorte.
13. Medisch begeleide voortplanting, een zegen of een vloek?
14. Stamcellen en klonen, kansen en risico’s voor de mens.
15. Euthanasie en palliatieve zorg.
16. Gods schepping en ons natuur- en milieubeheer.

Deze opsomming is niet uitputtend.

Heeft u vragen of suggesties, mail die dan naar biofides@gmail.com.

Biofides, over de compatibiliteit van biologie en geloof..

Deze website is het verhaal van een Nederlandse bioloog die tijdens zijn studie in Utrecht God leerde kennen. Wat hij niet voor mogelijk had gehouden omdat hij er niet van wist, is dat God niet alleen bestaat, maar zich ook aan mensen openbaart. God is geen abstracte werkelijkheid, of een product van de menselijke inbeelding, maar een geestelijke persoon die de door Hem geschapen werkelijkheid en de mens liefheeft en zich door de mens laat kennen.

De bioloog komt bij deze ontdekking dan voor een aantal deelterreinen van het menselijk kennen en handelen te staan die niet zelden door een problematisch samengaan van de moderne biologie met het geopenbaarde godsgeloof gekenmerkt lijken te worden. Traditioneel komt dat de kwestie evolutie en schepping in beeld, in recenter tijden aangevuld met verhitte discussies over Intelligent Design. Maar geloof heeft ook iets te maken met doen en laten, en dan kom je uit bij het heikele terrein van de menselijke seksualiteit en vruchtbaarheid en de manier waarop wij er mee omgaan. Een ander ethisch mijnenveld, niet los te zien van het vorige, is dat van de manier waarop wij omgaan met menselijk leven in het prilste stadium, het menselijk embryo, als ook de mens in de terminale fase van het leven. Tenslotte is er het vraagstuk van de menselijke omgang met de schepping, waarbij we denken aan het behoud van de biodiversiteit, natuurbescherming in het algemeen, klimaatbeheersing, etcetera.

Op deze site willen we aan de hand van die vier terreinen, evolutie en schepping, seksualiteit en vruchtbaarheid, begin en einde van het leven, en natuur en milieu, de relatie tussen biologie en geloof onderzoeken. Daarbij is het onze bedoeling om na te gaan of beide manieren van tegen het leven aankijken niet heel goed met elkaar overeenstemmen en elkaar zelfs bevestigen. We proberen dat op een kritische manier te doen, dus niet vanuit een idee om campagne te voeren voor geloof in de bijbel, geen seks voor hert huwelijk, bescherming van ongeboren kinderen, palliative zorg of beperking van de CO2-uitstoot: dan doen anderen. We willen hier liever trachten op grond van redelijke argumenten vanuit de biologie én de openbaringsgodsdienst de bezoeker van deze site tot min of meer onweerlegbare conclusies te laten komen, die zijn denken en handelen dan verder kan bepalen.

Reacties kunt u sturen naar biofides – at – gmail.com.

Vaticaan op kop in schone energie

st-peters-basilica-vatican-city-i749Den Bosch (Katholiek Nieuwsblad) – Vaticaanse experts hebben groots werk verricht in het onafhankelijk maken van het Vaticaan van fossiele brandstoffen door nieuwe vormen van energie te introduceren en energieverbruik te reduceren. Dat hebben VN deskundigen op het gebied van energiebeleid uit de VS gezegd.

Delegatieleider Mark Hopkins zei dat hij voor zijn bezoek aan het Vaticaan op 12 juni geen flauw benul had van de betrokkenheid van de ministaat in zoveel “significante projecten” om haar eigen brandstoffen te reduceren. “Het is imponerend dat zij werkelijk doen waar anderen alleen over praten en wel op een substantiële manier,” zei Hopkins.

Het is volgens hem “denkbaar dat het Vaticaan de eerste staat zal zijn die nieuwe energiebronnen gebruikt en de eerste natie die koolsteen-vrij is”. Dat is voor een deel het resultaat van plannen om grote zonnepanelen te plaatsen op eigendommen van het Vaticaan aan de rand van Rome. Deze status zou de Kerk “een grote morele autoriteit” geven die haar in de positie plaatst om andere landen aan te zetten meer te doen aan schone energie.

Hopkins was door de Amerikaanse ambassadeur bij het Vaticaan uitgenodigd om met journalisten te praten over zijn 35-jarige ervaring om effectiviteit te bevorderen en zijn werk voor de VN in het vinden van oplossingen voor de meest dringende problemen in de wereld. (KN/CNS)

Evolutie en schepping (5)

Tekst van de uitzending op Radio Maria, vijfde in een een serie van vijf.

Aflevering 5 – Deel 1

Introductie
Beste luisteraars van Radio Maria. In deze serie van vijf uitzendingen over de evolutietheorie en het scheppingsgeloof zijn we toegekomen aan de vijfde en laatste uitzending. In de eerste drie heeft Patrick Vandeputte een uiteenzetting gegeven over de stand van zaken rond de evolutietheorie op dit moment. In de vierde uitzending ben ik ingegaan op de verschillen en raakpunten tussen de evolutiebiologie en de scheppingstheologie. Deze uitzending ga ik in op een aantal bekende stromingen die we tegenkomen in de discussie over schepping en evolutie en zal ik ingaan op het standpunt van de Katholieke Kerk. Ik stel mijzelf nogmaals kort aan u voor: Vincent Kemme, voormalig docent biologie aan de Sint-Jozefschool in Tilburg en de Europese Scholen te Brussel. Samen met Patrick Vandeputte nam ik onlangs deel aan het congres ‘Biological Evolution, facts and theories’, gehouden aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ in Rome, wat de directe aanleiding vormde voor deze reeks uitzendingen op Radio Maria. U kunt de tekst van de vijf uitzendingen downloaden van de website radiomaria.nl en na deze uitzending, althans overdag tussen 11 en twaalf uur, telefonisch mij een vraag stellen. Het nummer zal na afloop bekend gemaakt worden. Luistert u naar een herhaling, bijvoorbeeld ’s avonds tussen 9 en 10 uur, dan kunt u helaas geen telefonische vraag stellen. Wel kunt u altijd uw vraag of opmerking sturen naar info@radiomaria.nl. We gaan graag op uw vragen in.

Evolutiebiologie en scheppingtheologie
In de eerste drie uitzendingen heeft Patrick Vandeputte onderscheid gemaakt tussen de evolutie in historische zin en het mechanisme van de evolutie. Van het eerste, de evolutionaire geschiedenis, is het op wetenschappelijke gronden redelijk aan te nemen dat er inderdaad sprake is van een opeenvolging van het verschijnen van soorten op aarde. De theorieën die echter een mechanisme van evolutie voorstellen zijn nog erg onzeker en speculatief. In mijn vorige uitzending heb ik de evolutiebiologie geconfronteerd met de scheppingstheologie qua object en methode. Daarbij komen grote verschillen aan het licht, maar ook belangrijke raakvlakken, namelijk die van de natuur en de mens qua object en die van de redelijkheid qua methode. De twee benaderingen ontkomen er dus niet aan om met elkaar in dialoog te gaan. We kunnen de goddelijke werkelijkheid die zich uit in de geschapen natuurlijke orde niet scheiden van de biologische werkelijkheid, maar we moeten de twee wel heel goed van elkaar onderscheiden. Natuurlijke oorzaken voor natuurlijke verschijnselen moeten helder onderscheiden worden van bovennatuurlijke oorzakelijkheid die komt van God.
In deze uitzending willen we dat nader uitwerken aan de hand van het atheïstisch evolutionisme, het creationisme en Intelligent Design. Tenslotte zullen we zoals aangekondigd nagaan wat de Katholieke Kerk in deze discussie voor standpunten inneemt.

Atheïstisch en maatschappelijk evolutionisme
De formulering van de evolutietheorie heeft in christelijke kringen nogal wat stof doen opwaaien, omdat op het eerste gezicht het leek alsof er een aanval werd gepleegd op de scheppingsgeloof. Voor niet weinig mensen werden heilige huisjes omver gehaald en inderdaad, niet weinigen uit een ander kamp gebruikten de evolutietheorie voor een antireligieuze, atheïstische doeleinden. Immers, nu werd aannemelijk gemaakt dat niet God de wereld had geschapen, maar dat de wereld zichzelf had geschapen door natuurlijke processen die langs de weg van het blinde toeval plaats vonden. Bij nadere bestudering blijkt het echter allemaal wat genuanceerder te liggen. Darwin zelf heeft de evolutietheorie nooit tegenover het geloof in een Schepper willen plaatsen. Hij heeft slechts een biologisch mechanisme voorgesteld om de vorming van aan hun omgeving aangepaste soorten te verklaren, een biologische hypothese dus, die in het geheel niets zegt over het bestaan van God, zijn scheppingswerk en de manier waarop God in de natuur en de evolutie een rol speelt. Dat neemt niet weg dat de evolutietheorie op grote schaal is uitgelegd als een verklaring voor de wereld waarbij het geloof in God overbodig was geworden. Maar indien de evolutietheorie slechts een biologische theorie is kan die atheïstische interpretatie niet anders dan een extrapolatie zijn van de theorie naar het theologisch domein. Een extrapolatie die geen rekening houdt met het feit dat oorzaken in de natuur niet op één lijn gesteld kunnen worden met een bovennatuurlijke oorzaak voor het bestaan van leven. Gods scheppend handelen is uit de aard van God zelf transcendent, bovennatuurlijk, en niet natuurlijk van aard. Als er een natuurlijke oorzaak is te vinden voor het ontstaan van complexe biologische structuren en een grote biodiversiteit, dan zegt dat niets over het bestaan van God en het idee of geloof dat het bestaan zélf van deze verschijnselen ‘van God gegeven zijn’, om het zo te zeggen. God ontkennen op grond van de evolutietheorie, is een god ontkennen die als natuurlijke factor zou hebben opgetreden in het ontstaan van complex leven en nieuwe soorten. Dat is een binnenwereldlijke god, wat in feite een contradictio interminis is: God is per definitie niet binnenwereldlijke. De wereld is een uiting van zijn creativiteit.

Een andere extrapolatie die plaats gevonden heeft is die naar andere wetenschappen, van de sociologie, tot de politiek. Triest dieptepunt daarbij was wel de toepassing van evolutionistische principes in het Nazisme. Tegelijkertijd kan je stellen dat de invloed van de evolutietheorie op het maatschappelijk en politiek denken beperkt is geweest. Voor ons is van belang de evolutietheorie terug te brengen bij wat het is: een beschrijvende en verklarende theorie over het ontstaan van de soorten, geen theologisch of sociologisch denksysteem. Dit aangevuld met het eerder vermelde hoogspeculatieve karakter is er reden te over om de evolutietheorie niet groter te maken dan zij is. En een atheïstisch evolutionisme is eerder een variant van het atheïsme dat een biologische theorie inpalmt voor het eigen doel: te ontkennen dat God bestaat. Atheïsme, wat men er ook over zeggen mag, is in elk geval geen biologie. Na de onderbreking bespreken we het creationisme en Intelligent Design.

Aflevering 5 – Deel 2
Creationisme

Tegenover het atheïstisch evolutionisme, of misschien moeten we zeggen: evolutionistisch atheïsme, staat het creationisme, dat vooral voorkomt in bepaalde protestants-christelijke geloofsgemeenschappen. Wat het creationisme in feite doet is ageren tegen een atheïstisch evolutionistisch wereldbeeld, omdat dat het bestaan van de Schepper ontkent. Daarbij maakt het creationisme veelvuldig gebruik van het feit dat er in de evolutietheorie nog erg veel onopgehelderd is, zoveel, dat je geen creationist of gelovige hoeft te zijn om ernstige bedenkingen bij de theorie te hebben. Patrick Vandeputte is daar in de tweede uitzending uitgebreid op in gegaan. Het creationisme vraagt dus terecht aandacht voor het bijbelse openbaringsgegeven dat God wel degelijk bestaat en de Schepper van hemel en aarde is. Er bestaan echter grote bedenkingen tegen de manier waarop het creationisme dat doet. In de eerste plaats gaan veel creationisten, want ook hier is natuurlijk sprake van een heterogene groep, ten onrechte er van uit te gaan dat de evolutietheorie per definitie atheïstisch is. We hebben denk ik, voldoende aangetoond dat dat een misvatting is. Vervolgens wantrouwen veel creationisten elk wetenschappelijk voorgesteld model dat afwijkt van een ontstaan van de aarde en het biologisch leven in zes dagen van vierentwintig uur. Zij gaan dus uit van een uiterst letterlijke interpretatie van het scheppingsverhaal in Genesis 1, zelfs als diezelfde bijbel, in Genesis 2, een heel andere voorstelling geeft van de historische gebeurtenissen. Er wordt gedaan alsof deze teksten een soort ooggetuigenverslagen zijn van de scheppingsdaden in tijd en ruimte door God, terwijl er ook talloze aanwijzingen zijn dat we deze teksten hoewel niet zonder historische betekenis als teksten moeten begrijpen die ons essentiële geloofswaarheden willen communiceren en niet zozeer feiteninformatie over gebeurtenissen in de zichtbare werkelijkheid. In de exegese, de wereld van de bijbeluitleg, worden heel andere voorstellen gedaan over de aard van deze teksten. Zo zou Genesis 1 opgevat kunnen worden als een liturgisch gezang uit de Joodse eredienst ten tijde van de Babylonische Ballingschap van de zesde eeuw voor Christus, dat de poëtische structuur aanneemt van enerzijds de zeven dagen van de week, die er dus al waren, en anderzijds het tienvoudig spreken van God tegen Mozes op de berg Sinaï, volgens sommigen te dateren op de 14e eeuw voor Christus. Wat daar ook van waar zij: we zouden deze teksten dus vooral allegorisch mogen verstaan en niet bij de exacte historiciteit van de beschreven feiten moeten blijven steken. Een al te letterlijke interpretatie van de twee scheppingsverhalen is minstens zo omstreden als de evolutietheorie zélf en dus een slecht vertrekpunt om de evolutietheorie te bestrijden. Bovendien is het zeker dat bijbelse teksten, ontstaan ver voor het begin van onze jaartelling, niet de pretentie hebben om een natuurwetenschappelijk verantwoord verhaal te vertellen. De natuurwetenschap is immers pas aan het einde van de Middeleeuwen is ontstaan, dus ongeveer tweeduizend jaar later.

Ik kom nog even terug op het bekritiseren door creationisten van de evolutietheorie op haar zwakke plekken. Dat er kritiek op de evolutietheorie in historische én vooral in verklarende zin mogelijk is, is geen nieuws, maar de vraag is of het creationisme op een overtuigende manier die bezwaren kan formuleren, zodat de wetenschappelijke gemeenschap tot een andere consensus komt, en dat is niet het geval. Blijkbaar zijn de geologische en biologische argumenten die het creationisme aandraagt onvoldoende om de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen, maar wat erger is, is dat men openlijk religieuze argumenten aanvoert om natuurwetenschappelijke stellingen onderuit te halen. Dat is een ontoelaatbare vermenging van zeer verschillende niveaus van denken, die terecht door de wetenschappelijke gemeenschap, gelovig of ongelovig, verworpen wordt omdat het onredelijk is. Als je een geoloog ervan wil overtuigen dat de aarde maar zes duizend jaar oud is, dan moet je dat doen met klinkende geologische bewijzen, en niet met een bijbeltekst in de hand, hoe waardevol of ‘heilig’ die tekst voor jou ook mag zijn. En als je wil aantonen dat God bestaat en de wereld, hoe dan ook, geschapen heeft, dan moet je met theologische en filosofische argumenten komen, niet met biologische of geologische argumenten.

Dit creationistisch denken heeft te maken heeft met de grote afhankelijkheid van protestantse geloofstradities van de bijbel, als enige bron van openbaringskennis, volgens het principe sola Scriptura. De kerkelijke traditie als tweede bron, waar de bijbelse traditie een centrale plaats inneemt, is de protestantse traditie in feite onbekend, net als het kerkelijk leergezag dat, als dat nodig is, zich bindend kan uitspreken. Het gevolg lijkt dat men zich genoodzaakt ziet zodanig te hechten aan de bijbelse teksten, vanuit de angst dat als men daar ook maar iets van afdoet, bijvoorbeeld de letterlijke interpretatie van bepaalde passages, men dan niets meer overhoudt van het geloof in de Schepper. Die vrees is echter ongegrond. God kan wel degelijk schepper van hemel en aarde blijven als wij de bijbelse scheppingsverhalen meer allegorisch durven te lezen, zonder overigens de historische betekenis geheel en al overboord te gooien. Ook de katholieke traditie gelooft in een begin van de schepping, zoals de bijbel zegt. En de wetenschap lijkt dat beeld te bevestigen als zij besluit tot de zg. Big-Bang theorie, het begin van materie, energie, ruimte en tijd. Beide visies zijn althans “niet met elkaar in strijd”, zoals de Kerk het heeft geformuleerd.

Intelligent Design
Naast het creationisme horen we vandaag veel spreken over Intelligent Design. Dat is een beweging van meestal gelovige wetenschappers die door publicaties, discussieforums enzovoort, gedachten formuleren over een intelligente oorzaak van het bestaan van biologisch leven en de evolutie daarvan. Hoofdargument daarbij is de complexiteit van structuren die we in de natuur aantreffen. Men kan zich niet voorstellen dat bepaalde ingewikkelde structuren, zoals het ‘cameraoog’ zomaar in de geschiedenis van het leven zouden zijn ontstaan. Michael Behe, biochemicus, stelt bijvoorbeeld, dat er structuren bestaan “waarvan geen enkel onderdeel kan worden weggelaten zonder dat het geheel ophoudt met werken”, de zg. onherleidbare complexiteit. Dat zou volgens sommigen inhouden dat deze structuren te complex zijn om verklaard te kunnen worden met behulp van evolutionaire mechanismen. Wat voor weer anderen de deur open zet voor rechtstreekse bovennatuurlijke interventies die tot het ontstaan van dergelijke structuren leiden. We belanden we bij wat men ‘de god van de gaten’ noemt. Daarbij worden nog onverklaarde natuurlijke verschijnselen toegeschreven aan een interventie van God. God zou in de evolutie zo af en toe ‘binnenstappen’ om het proces een duw in de goede richting te geven. Daarmee zou God of op die momenten een ‘wonder’ doen, wat nodig is om zelf ‘bovennatuurlijk’ te blijven, of Hij zou zichzelf maken tot een natuurlijke oorzaak van een levensverschijnsel, wat zijn goddelijkheid en transcendentie in gevaar brengt. Als God de wereld werkelijk ‘goed‘ geschapen heeft lijkt het ons dat er ook geen bijzondere interventies nodig zijn om de natuurlijke orde haar bestemming te voeren, te laten evolueren. God doet alleen wonderen om op een bijzondere manier zijn bestaan en zijn liefde aan mensen te openbaren, en dan nog wel vaak in de zin van een reddend handelen in het menselijk bestaan, zodat er geen aanleiding is te denken dat Hij dat ook zou doen in de evolutionaire geschiedenis, ver voordat de mens bestaat. En stel dat de biologie morgen een natuurlijke verklaring vindt voor een ingewikkeld biologisch verschijnsel, dan houdt de god die tot dat moment als verklaring gold voor dat fenomeen opeens op te bestaan. Voor de atheïstische bioloog Richard Dawkins is dat reden om elk geloof in God te verwerpen. Immers, steeds weer vindt de wetenschap natuurlijke verklaringen voor tot dan toe onopgehelderde zaken, zodat die god van deze gaten steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.

Andere aanhangers van de ID-beweging zeggen dan weer dat ze geen religie binnen de wetenschap willen halen: over de aard van de intelligente oorzaak willen ze zich niet uitspreken; men vraagt alleen aandacht voor de in hun ogen onverklaarbare complexiteit van veel biologische fenomenen, onverklaarbaar door toevallige mutaties en selectiedruk alleen. Wat ons inziens niet uitsluit dat er toch biologische verklaringen voor deze zaken kunnen gevonden worden. Onder evolutiebiologen bestaat redelijk veel erkenning voor het feit dat er in de evolutie complexe structuren ontstaan, zonder dat men precies begrijpt hoe dat kan gebeuren. Het is echter binnen de biologie onacceptabel om een intelligente oorzaak voor te stellen dan wel te ontkennen: de biologie mist de instrumenten om dat te onderzoeken. Een intelligente oorzaak voor complex leven behoort per definitie niet tot de natuurlijke realiteit, maar staat er boven. Het is een filosofische discussie, die gevoed kan worden door inzichten vanuit de theologie. En de theologie verklaart al millennia lang dat de natuur ‘in wijsheid’ geschapen is door een intelligente goddelijke Persoon. Niets nieuws onder de zon dus, als er gespeculeerd wordt over intelligent ontwerp in de natuur, zolang we het geen natuurwetenschap noemen maar filosofie of theologie. En zolang de biologie maar vrij haar weg kan gaan in het vinden van natuurlijke oorzaken voor het ontstaan van biologische verschijnselen. Die oorzaken staan het geloof in een intelligente schepper niet in de weg: deze bedient zich immers van deze mechanismen, waarvan Hij zelf de bedenker is. Van belang is, opnieuw, dat we de niveaus van denken: natuurwetenschap, filosofie en theologie helder van elkaar blijven onderscheiden. De biologie kan geen uitspraken doen over een intelligente ontwerper van de natuur, een filosoof kan er over speculeren en een theoloog kan het bestaan van die Ontwerper bevestigen. Kort samengevat zou men kunnen zeggen dat de ID-beweging belangrijke vragen stelt aan de wetenschap, maar dat niet alle antwoorden die uit deze beweging voorspruiten even gelukkig zijn. We onderbreken even met muziek alvorens verder te gaan met de visie van de Katholieke Kerk op de evolutietheorie.

Aflevering 5 – Deel 3
De visie van de katholieke kerk

De Katholieke Kerk heeft – anders dan men vaak suggereert – altijd een positieve houding ten aanzien van de wetenschap, dus ook de biologie. In feite is de moderne wetenschap in de late Middeleeuwen in hoge mate uit de katholiek-christelijke traditie ontsproten, met mensen als Albert de Grote in Keulen. In haar catechismus van 1992 onder nummer 283 zegt de Kerk over de vraag naar de oorsprong van de wereld en van de mens dat wetenschappelijke onderzoekingen “op schitterende wijze onze kennis omtrent de ouderdom en de dimensies van de kosmos, het ontstaan van de vormen van leven, het verschijnen van de mens verrijkt hebben”. Over eventuele spanningen tussen geloof en wetenschap zegt de Kerk bij monde van het Eerste Vaticaans Concilie dat er “nooit sprake kan zijn van een werkelijke tegenstelling tussen het geloof en het verstand”. En het Tweede Vaticaans Concilie voegt daar aan toe: “Daarom zal het methodisch onderzoek op welk wetenschappelijk gebied dan ook, mits het echt wetenschappelijk (…) geschiedt, nooit werkelijk in strijd zijn met het geloof, omdat de profane werkelijkheden en de geloofswerkelijkheden hun oorsprong hebben in dezelfde God”. Geloof en wetenschap zijn twee wegen die tot dezelfde waarheid voeren; er kan uiteindelijk immers maar één waarheid bestaan. Als er sprake is van tegengestelde opvattingen, dan moet dat het gevolg zijn van fouten in de warnemingen of redeneringen binnen (een van) die wetenschappen, zaken die nader opgehelderd moeten worden. Het zogenaamde conflict tussen geloof en wetenschap is dus slechts een zaak van schijnbare tegenstellingen zijn, van paradoxen. “Geloof en rede”, zegt Johannes Paulus II in de encycliek Fides et Ratio van 1998, “zijn als twee vleugels waarmee de menselijke geest zich verheft om de waarheid te beschouwen”.

De Kerk zal zelf niet snel een wetenschappelijke theorie voor ‘waar’ verklaren, om de simpele reden dat zij geen natuurwetenschappelijke instelling is, zich ook niet competent weet op zuiver wetenschappelijk terrein en zich dus ook niet in het vaarwater van de wetenschap wil begeven. Zij kent de wetenschap een ‘rechtmatige autonomie’ toe, die echter niet kan leiden tot principiële tegenstellingen tussen geloof en wetenschap. Dat is wel eens mis gegaan, in de geschiedenis, met name in de zaak rond Galileo Galilei, toen kerkelijke functionarissen deze wetenschapper veroordeelden op grond van zijn opvattingen over de draaiing van aarde rond de zon en niet omgekeerd. Dat is uiteindelijk door Johannes Paulus II rechtgezet: er had zich een ongelukkige vermenging voorgedaan tussen inzichten in de natuur en inzichten op grond van een letterlijke interpretatie van bepaalde passages van de Bijbel. Omdat Galileo Galilei uiteindelijk gelijk had waar het zijn kosmologisch inzicht aanging, heeft dat de Kerk bij sommigen een anti-wetenschappelijk imago gegeven, een beeldvorming die in feite door vele andere uitingen van de Kerk in overmaat weersproken wordt. Gevolg is dat de dat de Katholieke Kerk in andere natuurwetenschappelijke discussies zoals die rond Darwin’s evolutietheorie uiterst terughoudend is in het doen van wetenschappelijke uitspraken. Wél zal zij hetgeen de wetenschap beweert tegen het licht van de theologie van de openbaring en dat van de filosofie houden. Daarbij wijst de Kerk de wetenschap met enige regelmaat op haar beperkingen. Zo stelde de huidige paus Benedictus XVI nog voor zijn pauskeuze als kardinaal Ratzinger ‘dat het kosmologische en biologische mechanisme van evolutie niet kan verklaren wat de wereld en de mens ten diepste zijn: schepselen van God.’ De theologie, anders gezegd, geeft antwoorden op vragen die de kosmologie en de biologie laten liggen.

Ook ten aanzien van de evolutiebiologie neemt de Kerk dus een positieve en welwillende houding aan. In 1950 heeft zij de evolutietheorie bij monde van paus Pius XII in zijn encycliek Humanis Generis betiteld als ‘een serieuze hypothese’, weliswaar naast andere hypothesen. De Kerk heeft daarbij bijzondere belangstelling voor de schepping van de mens. Deze is immers – zo zegt de scheppingstheologie – ‘naar Gods beeld en gelijkenis gemaakt’. Pius XII stelt dat “het kerkelijk leergezag zich er niet tegen verzet, dat de leer van het “evolutionisme” nader wordt bestudeerd en bediscussieerd, te weten de evolutieleer in zover zij het ontstaan van het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof nagaat. Want het katholiek geloof verplicht ons te houden, dat de zielen onmiddellijk door God geschapen worden.” Pius XII maakt dus een duidelijk onderscheidt tussen de natuurlijke orde van de mens biologisch gezien en de geest of de ziel, die de mens maakt tot een transcendent wezen, die in staat is God te kennen, met hem te communiceren en de biologische dood zogezegd te overleven. Overigens staat hij niet achter het zg. polygenisme, dat stelt “dat er na Adam (…) mensen hebben bestaan, die niet door natuurlijke voortplanting van hem (…) zijn voortgekomen, ofwel, dat Adam een zeker aantal stamvaders betekent”. “Het blijkt immers volstrekt niet”, zo vervolgt hij, “hoe deze opvatting is overeen te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid (…) leren omtrent de erfzonde, die voortkomt uit de door één Adam werkelijk bedreven zonde (…)”. Het is misschien aardig op te merken dat de overheersende opvatting binnen de wetenschap is dat de mens in elk geval op één plaats op aarde is ontstaan en niet op diverse plaatsen. Net als bij de Big-Bang theorie in de kosmologie lijken ook hier geloof en wetenschap elkaar eerder te bevestigen dan tegen te spreken.

Tijdens een catechese over God en de schepping zei Johannes Paulus II in 1985: “Alle onderzoekingen in verband met het leven leiden naar eenzelfde besluit. De evolutie van de levende wezens, waarvan de wetenschap de verscheidene fasen tracht te omschrijven en het mechanisme te doorzien, vertoont een intern finalisme waarvoor men alleen maar in bewondering kan staan”. Daarmee onderkent deze paus dus dat er evolutie heeft plaatsgevonden en duidt hij de wetenschappelijke activiteit als het omschrijven van de evolutiefasen en het achterliggende mechanisme. Voor de doelgerichtheid in de schepping staat de wetenschap echter voor een raadsel.

In 1996 stelde dezelfde paus voor de leden van zijn Academie voor Wetenschappen, dat op grond van ‘nieuwe gegevens’ de evolutietheorie als ‘meer dan een hypothese’ mocht worden beschouwd. Wat zoveel inhoudt als dat de evolutietheorie – in wetenschapsfilosofische termen – neigt naar de status van een wetenschappelijke theorie. En een wetenschappelijke theorie is een breed geaccepteerde en veelomvattende wetenschappelijke opvatting die steunt op vele waargenomen feiten en deeltheorieën. De wetenschappelijke gemeenschap – niet in de eerste plaats door de kerkelijke gemeenschap – houdt zo’n theorie voor ‘waar’ zolang door andere bevindingen het tegendeel niet gebleken is. Daarmee heeft de paus dus duidelijk willen maken, dat de Kerk de evolutietheorie serieus neemt en niet vijandig tegenover de evolutietheorie staat. Wel heeft hij daarbij opgemerkt dat er een veelheid van evolutietheorieën bestaan, en dat niet elke theorie op evenveel steun van de Kerk kan rekenen, afhankelijk van hun filosofische uitgangspunten. Wat de paus daarmee dus niet heeft gezegd, maar wat hem wel in de mond is gelegd, is dat hij daarmee de neo-darwinistische evolutietheorie die uitgaat van een volledig toevallig en ongeleid proces omarmd zou hebben.

Kardinaal Ratzinger, onze huidige paus, heeft als voorzitter van een Internationale Theologencommissie in 2004 een verklaring onderschreven waarin gesteld wordt dat de Kerk “geen probleem heeft met ‘de evolutieleer’ zoals de meeste biologen die voorstaan. En die visie staat gelijk aan het neodarwinisme.” Maar de commissie waarschuwt ook dat “de brief niet gelezen kan worden als een goedkeuring van alle evolutietheorieën, inclusief de neodarwinistische, die nadrukkelijk een oorzakelijke rol van een goddelijke voorzienigheid in de ontwikkeling van het leven ontkennen”. Volgens de commissie “kan een ongeleid evolutieproces – buiten het bereik van de goddelijke voorzienigheid – niet bestaan”. We citeren hier uit een artikel van Kardinaal Schönborn in de New York Times in 2005 enkele maanden na de installatie van kardinaal Ratzinger als Benedictus XVI . In de preek bij zijn inhuldiging zei de kersverse paus: ,,Wij zijn niet zomaar een toevallig en zinloos product van evolutie. Ieder van ons is het resultaat van een gedachte van God. Ieder van ons is gewild, ieder van ons is bemind, ieder van ons is nodig.”

In 2006 was er de bijeenkomst rond de nieuwe paus van de ‘Schülerkreis’ een jaarlijkse reünie van Joseph Ratzinger met studenten die bij hem zijn gepromoveerd toen hij tot 1978 hoogleraar was in Duitsland. Ook kardinaal Schönborn was daar als oud-student bij aanwezig. Een verslag van de lezingen en de discussie verscheen in 2007 in het boek “Schöpfung und Evolution”. Daarin zegt de paus niet te kunnen kiezen tussen het creationisme, dat ,,zich principieel voor de wetenschap afsluit”, en een evolutietheorie, ,,die haar eigen lacunes gladstrijkt en de vragen die de methodische mogelijkheden van de natuurwetenschap te boven gaan, niet wil zien”. Paus Benedictus formuleerde tijdens de discussies de grote vragen die de gangbare evolutietheorie volgens hem openlaat. Ze is niet met experimenten te bewijzen, ,,eenvoudig omdat we geen tienduizend generaties in een laboratorium kunnen krijgen”. Ze gaat uit van geleidelijkheid en kan grote overgangen van de ene diersoort naar de andere, en van dier naar mens, niet verklaren. En de aanname van een ontwikkeling naar steeds complexere en steeds hogere levensvormen is onwaarschijnlijk; de kans dat een soort zich negatief ontwikkelt (degeneratie), is veel groter. Paus Benedictus haalt de uitspraak van Johannes Paulus II uit 1996 aan toen deze stelde dat de evolutietheorie ‘meer is dan een hypothese’, maar voegt daar aan toe dat ,,de evolutieleer nog geen complete, wetenschappelijk verifieerbare theorie is”. Dat is geen correctie op zijn voorganger, want die had dat ook niet beweerd. Men moet in die zaken goed de gekozen woorden wegen. Eerder was al bekend dat Joseph Ratzinger wel gelooft in ‘micro-evolutie’, de ontwikkeling binnen een diersoort, doordat die zich aanpast aan zijn omstandigheden; maar van ‘macro-evolutie’, de ontwikkeling van de ene diersoort uit de andere, is hij veel minder overtuigd. Benedictus vindt dat echter een wetenschappelijke kwestie, waarover de kerk zich niet behoeft uit te spreken. Hij kritiseert vooral op een dieperliggend niveau de evolutietheorie, als deze haar grenzen niet kent: uit de geleidelijke ontwikkeling van het leven leiden evolutionisten zomaar af dat God daarin geen rol speelt en dat het leven enkel van toeval, zinloosheid en het recht van de sterkste aan elkaar hangt. Dat is voor de Kerk een onacceptabele conclusie.

Over creationisme is de Kerk duidelijk: in een document uit 1993 van de Pauselijke Bijbelcommissie, ook onder voorzitterschap van Joseph Ratzinger neemt de Kerk in niet mis te verstane bewoordingen afstand van een te letterlijke interpretatie van de Bijbel: het gaat om een ‘fundamentalistische wijze van Bijbellezing’, is ‘bekrompen’ ‘tegen iedere wetenschappelijk methode voor de uitleg van de Bijbel’, ’heeft de neiging zeer beperkte standpunten in te nemen’. ‘beschouwt een oude voorbije kosmologie als werkelijkheid’, ‘is gevaarlijk’, ‘’brengt mensen ertoe hun denken uit te schakelen’, ‘verschaft een valse zekerheid’, om maar een selectie van de negatieve kwalificaties te citeren. Een allegorische lezing van de eerste hoofdstukken van Genesis is dus niet alleen aanvaardbaar maar zelfs hoogst noodzakelijk voor een goed begrip, zonder daarbij de gehele historiciteit van deze teksten te verwerpen. In het geciteerde boek van de Schüler Kreiz verwijt paus Benedictus het creationisme “de wetenschap niet serieus te nemen”.

Wat betreft intelligent design liggen de zaken wat genuanceerder. Johannes Paulus II zegt in een catechese van 1985. “Die doelgerichtheid (in de natuur) oriënteert de levende wezens in een richting waarvan zijzelf de bewerkers noch de oorzaak kunnen zijn. Wij moeten geloven in een Geest die er de ontwerper en de schepper van is”. Schönborn merkt in zijn brief in de New York Times op dat de term doelgerichtheid synoniem is met de filosofische begrippen ‘uiteindelijke oorzaak’, ‘doel’ of ‘ontwerp’. Hij zegt dus niets over de natuurlijke oorzaken die hierbij een rol spelen, wat het terrein van de natuurwetenschappen is. Op die manier worden biologie, filosofie en theologie op een heldere manier van elkaar onderscheiden. Paus Benedictus wijst in zijn bijdrage aan het boek “Schöpfung und Evolution” ook op de rationaliteit van de natuur: er zijn wetmatigheden, er zit logica in de eigenschappen en de ontwikkeling van planten en dieren, waardoor we de natuur kunnen ‘lezen’ en doorgronden. ,,Dat opent een venster op de Creator Spiritus”, op God als Schepper-Geest. ,,Het is het Bijbelse scheppingsgeloof dat ons de weg tot een beschaving van het verstand heeft gewezen, al hoort het daarbij ook tot de mogelijkheden dat die zichzelf weer vernietigt.” Tegelijk geeft de rationaliteit van de natuur ook weer geen inzicht in Gods plan. Er zijn rampen en er is het raadsel van zoveel lijden, wreedheid en dood in de natuur, aldus de paus. ,,Hier laat het geloof ons de Logos zien, het Woord, dat het scheppende vernuft is en dat ongelofelijk genoeg tegelijk vlees kon worden en kon sterven en opstaan.” Dat er dus in de scheppingstheologie over intelligent ontwerp wordt gesproken is een vanzelfsprekende zaak, en is het ook terecht een onderwerp van filosofische discussie. Maar dat betekent niet dat de Kerk achter elke vorm van ID-denken staat, met name niet achter die stromingen waarbij de natuur haar relatieve autonomie ten opzichte van de Schepper ontnomen wordt.

Daarmee komen we aan het einde van deze vijfdelige serie over evolutie en schepping. Wij hopen dat deze uitzending hebben kunnen bijdragen tot een helderder inzicht in de geloofwaardigheid van de evolutietheorie op zich en haar relatie tot het katholiek-christelijke geloof. En wij danken Radio Maria dat zij Patrick en mij in de gelegenheid heeft willen stellen om onze inzichten, gevoed door de bevindingen tijdens het recente Evolutiecongres in Rome met u hebben mogen delen. Heeft u nog vragen, dan kunt u na deze uitzending, indien u niet ‘s avonds naar een herhaling luistert bellen met Radio Maria. U kunt mij en Patrick Vandeputte ook schriftelijk vragen stellen via het e-mail adres van Radio Maria. Mede namens hem dank ik u hartelijk dat u geluisterd hebt, ook als u niet alle vijf de uitzending hebt kunnen horen. U kunt de tekst van deze vijfuitzendingen nog downloaden van de website. Ondertussen wensen wij u alle goeds en mogelijk tot een volgende gelegenheid.

U hoorde de heer Vincent Kemme in een conferentiereeks over schepping en evolutie bij gelegenheid van het Darwinjaar.


Vaticaan in dialoog met CERN


kn_690852_cern2

Hilversum (Katholiek Nederland) – Het Vaticaan heeft onlangs een afvaardiging gestuurd naar CERN in Genève, een van de grootste wetenschappelijke centra ter wereld. De RK-Kerk heeft daarmee opnieuw een dialoog tussen geloof en wetenschap op het hoogste niveau tot stand gebracht.

Prelaten en astronomen
De delegatie bestond uit de president van het gouvernement van Vaticaanstad, kardinaal Giovanni Lajolo; de Vaticaanse vertegenwoordiger bij de VN in Genève, aartsbisschop Silvano Tomasi; het hoofd van de Vaticaanse sterrenwacht, pater Jose Funes; en de Amerikaanse astronoom en jezuïet Guy Consolmagno.

Deeltjesversneller
Het idee van de ontmoeting kwam van Ugo Amaldi, president van de TERA-stichting. Dit wetenschappelijk instituut werkt nauw samen met CERN op het gebied van de toepassing van nucleaire technologie bij de behandeling van kanker. CERN is vooral bekend door de deeltjesversneller die vorig jaar in gebruik werd genomen. Wegens een storing moest het gevaarte echter stil worden gezet.

Geen vijandschap
Aartsbisschop Tomasi zei tegenover het katholieke persagentschap CNS dat er gesproken is over de grote wijsgerige vragen, zoals naar de zin van het leven. Zowel theologen en wetenschappers houden zich met die vraag bezig maar doen dat in “twee totaal verschillende werelden”, zei de Vaticaanse VN-gezant. “Er bestaat geen vijandschap tussen de twee, maar er is wel behoefte om over de grenzen heen met elkaar te spreken en te kijken hoe de menselijke kennis kan worden bevorderd.”

Angels and Demons
Het is opmerkelijk dat zowel CERN als Vaticaanstad het decor vormt in de Hollywood-film Angels and Demons, die nog in de Nederlandse bioscopen draait. In het verhaal is een in Genève werkzame priester-wetenschapper het eerste dodelijke slachtoffer in een complot tegen de RK-Kerk.

Evolutie en schepping (4)

Vierde aflevering van een vijfdelige uitzending op Radio Maria

Aflevering 4 – Deel 1

Introductie
Beste luisteraars van Radio Maria. In deze serie van vijf uitzendingen over de evolutietheorie en het scheppingsgeloof zijn we toegekomen aan de vierde uitzending. In de eerste drie heeft Patrick Vanderputte een uiteenzetting gegeven over de stand van zaken rond de evolutietheorie op dit moment. In de twee laatste uitzendingen zal ik wat meer ingaan op de theologische en filosofisch aspecten van de evolutietheorie in relatie tot het joods-christelijke scheppingsgeloof. Ik stel mijzelf kort aan u voor: Vincent Kemme, voormalig docent biologie aan de Sint-Jozefschool in Tilburg en de Europese Scholen te Brussel. De biologie heb ik bestudeerd aan de Universiteit van Utrecht. De theologie, voorzover mijn loopbaan mij toeliet, onder meer aan het Instituut voor Theologische Studies van de Franstalige Jezuïeten in Brussel. In mijn verhandeling laat ik mij bovendien leiden door het denken van professor Dominique Lambert, wetenschapsfilosoof aan de Katholieke Universiteit ‘Notre Dame de la Paix’ in Namen. Lambert geldt internationaal als specialist op het terrein van de relatie geloof en wetenschap. Samen met Patrick Vanderputte nam ik onlangs deel aan het congres ‘Biological Evolution, facts and theories’, gehouden aan de Pauselijke Universiteit ‘Gregoriana’ in Rome. Dit congres vormde de directe aanleiding voor deze reeks uitzendingen op Radio Maria.

Verder lezen ‘Evolutie en schepping (4)’

Vaticaan geeft groen ligt voor genetisch gemodioficeerde orgaismen

vatican01

BRUSSEL (KerkNet/New Scientist/Cathnews) – Volgens ‘New Scientist’ heeft het Vaticaan tijdens een seminarie in Rome zijn zegen gegeven over genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), om een dam op te werpen tegen de armoede en de honger in de wereld. In het verleden stelde Rome zich eerder afzijdig of zelfs afwijzend op. Bovendien verwierp een denktank van de Verenigde Naties de gewassen vorig jaar nog als oplossing voor de honger in de wereld.

Het seminarie vond plaats op initiatief van de Pauselijke Academie voor Wetenschappen. Volgens de deelnemers van het seminarie kunnen de gewassen voedselzekerheid en -veiligheid, evenals een betere gezondheid bieden. Zij zijn ook duurzamer voor het milieu. Maar er waren ook negatieve stemmen. Sommigen waarschuwden voor een nog grotere machtsgreep van de multinationals op de economie van het Zuiden door deze technologie. Bovendien krijgen, door de strikte regels, vaak alleen de grote multinationals de nodige vergunningen.

Vaticaan publiceert historisch-kritische uitgave proces Galileo Galilei

galileo_galilei
BRUSSEL (KerkNet/Kathpress) – Naar aanleiding van het ‘Jaar van de Astronomie’ heeft het Vaticaan een historisch-kritische uitgave gepubliceerd van de procesakten van de zaak Galileo Galilei. Het boek bevat ook twintig, niet eerder gepubliceerde documenten uit de archieven van het Heilig Officie, voorganger van de Congregatie voor de Geloofsleer. Ook de historische context waarin die moeten bestudeerd worden, wordt in het boek toegelicht.

De documenten dateren allen van 1616, het jaar waarin de dominicaan Tommaso Caccini de wetenschapper aanklaagde, tot 1741. Dat is het jaar waarin paus Benedictus XIV de bouw toestond van een grafmonument in de Heilig Kruisbasiliek in Firenze.

De Italiaanse natuurkundige Galileo Galilei (1564-1642) keek vierhonderd jaar geleden voor het eerst met een telescoop naar de hemel. Daarmee gaf hij de aanzet tot een nieuw wetenschappelijk tijdperk. Later viel hij in ongenade bij de katholieke Kerk wegens zijn stelling dat de zon en niet de aarde in het centrum van het heelal staat. Pas in 1992 schonk paus Joannes Paulus II eerherstel, nadat een onderzoekscommissie van het Vaticaan zich verdiept had in het geval Galileo Galilei.

De jezuïet en astronoom George Coyne verklaarde tegenover Radio Vaticaan dat de zaak Gailileo met de publicatie van dit boek nu afgehandeld is. “De katholieke Kerk leverde met drie decennia historisch onderzoek van de processen tegen de wetenschapper haar bijdrage.” Ter verdediging voegt Coyne eraan toe dat in de tijd ook in niet-kerkelijke kringen vele misverstanden bestonden met betrekking tot de natuurwetenschappen, die nog maar in hun kinderschoenen stonden. Van een doorgedreven Bijbelexegese was in die tijd al helemaal geen sprake.

Symbiogenese als mechanisme voor evolutie

margulis. Over het ontstaan van leven en van de vele soorten die we op aarde kennen blijven wetenschappers speculeren. Darwin stelde in zijn Origin of species dat door toevallige mutaties en natuurlijke selectie de best aangepaste levensvormen overleefden en dat daarmee het mechanisme van evolutie beschreven is. Die theorie, die niet meer dan een theorie is waarvoor géén bewijzen bestaan, is door velen als onvoldoende gekwalificeerd om het gehele ontstaan van het biologische leven zoals we dat nu kennen te verklaren. Eén alternatief geluid is dat van de Amerikaanse biologe Lynn Margulis. Zou houdt het er op dat complexere levensvormen ontstaan zijn door symbiose van eenvoudiger levensvormen. De eukaryotische cel zou ontstaan zijn door een samengaan van verschillende soorten van bacteriën.

Lynn Margulis, Distinguished University Professor Geosciences aan de universiteit van Massachusetts-Amherst en schrijfster van opwindende boeken als Symbiotic Planet, What is Life (met haar zoon Dorion Sagan) en Acquiring Genomes, werd als Lynn Alexander, oudste dochter van Morris Alexander (jurist en zakenman) en Leone Wise (reisleidster), in 1938 geboren in Chicago. Ze ging naar de Hyde Park High School en al op de leeftijd van veertien jaar naar de universiteit van Chicago, waar ze in 1957 haar graad behaalde. Hetzelfde jaar trouwde ze met de later beroemd geworden astronoom Carl Sagan. Daarna studeerde ze genetica en zoölogie aan de universiteit van Wisconsin, waarin ze in 1960 afstudeerde. In 1963 scheidde ze van Sagan. Ze promoveerde in 1965 en datzelfde jaar trouwde ze met de chemicus Thomas Margulis, van wie ze in 1978 scheidde, maar zij bleef haar werk onder zijn achternaam voortzetten. Samen met Tony Swain was Margulis in 1979 de oprichter van het Planetary Biology Internship, die het gevorderde studenten mogelijk maakt om te participeren in biologisch onderzoek van de NASA.

Het idee van symbiogenese is begin twintigste eeuw voor het eerst geopperd door de Russische bioloog Mereschowski. Maar in 1893 vermoedde de Duitse Andrea Schimper dat chloroplasten heel vroeger bacteriën waren. In haar proefschrift uit 1965 liet Lynn Margulis voor het eerst een endosymbiontenhypothese zien: eukaryote cellen zouden zijn voortgekomen uit symbiose van diverse soorten bacteriën. Margulis stelde dat complexe celorganellen evolutionaire bewijzen ervoor zouden bevatten. In 1967 werd haar verhandeling Origins of Mitosing Cells (De oorsprong van cellen met mitose) in de Journal of Theoretical Biology gepubliceerd. Margulis voorzag haar weinig invloedrijke gedachte in de jaren zeventig van een stevig fundament, onder meer in haar in 1970 gepubliceerde boek The Origin of Eukaryotic Cells. Ze bracht er een kleine revolutie in de biologie mee teweeg en werd op slag wereldberoemd. In 1983 werd zij gekozen als lid van de Nationale Academie van Wetenschappen. Haar SET-theory wordt tegenwoordig in wijde wetenschappelijke kring aanvaard. In 2008 kreeg ze de Darwin-Wallace Medal van de Linnean Society of London.

Margulis’ theorie stelt dat bacteriën tijdens de eerste drie miljard jaar van de evolutie meermalen met elkaar zijn versmolten, waarbij de cellen ontstonden van dieren, planten en de andere ‘hogere’ levensvormen, al naar gelang welke bacteriën met elkaar in symbiose gingen leven. Aërobe bacteriën gingen vanaf twee miljard jaar geleden een symbiose aan (een verregaande vorm van samenwerking: ze fuseerden) met grote Amoebe-achtige cellen en werden mitochondriën. De bacterie verkreeg zo voedsel, de Amoebe-achtige een energieleverancier. Fotosynthetiserende (cyaan-)bacteriën werd chloroplasten. Ciliaten hebben ons volgens Margulis de harige structuren op cellen gegeven (luchtpijp, darmen). En de spirocheten – spiraalvormige, snel bewegende bacteriën – gaven onze cellen centriolen (die bij celdeling de chromosomen verdelen) en maakten dat spermacellen zo hard kunnen zwemmen. Ons eigen lichaam is volgens Margulis in feite een gigantische verzameling bacteriën die zich georganiseerd hebben in cellen en organen, en die met z’n allen zo op elkaar inwerken dat ze een zelfstandig organisme zijn gaan vormen – wij.

Pas na haar publicatie in 1967 werd goed duidelijk dat mitochondriën en bladgroenkorrels hun eigen DNA meedragen: het maakte de symbiose-theorie in een klap geaccepteerd. Margulis staafde haar symbiont-idee indertijd met transmissie-experimenten, zo licht ze nu toe. ’De meeste eigenschappen gedragen zich Mendeliaans: als je groen met wit kruist, zijn alle nakomelingen groen, als die kruist krijg je groen en wit in de verhouding drie staat tot één, et cetera. Echter, er waren ook eigenschappen binnen organismen die zich niet-Mendeliaans gedragen, zoals bepaalde eigenschappen van chloroplasten. Die eigenschappen werden door één ouderorganisme bepaald en niet door twee. We wisten dat bacteriën en virussen zich niet-Mendeliaans gedragen en dat naakte genen in eukaryoten niet bestaan – ze zijn omgeven door een biologische entiteit. De beste verklaring was daarom de aanwezigheid van micro-organismen.

De oorspong van chloroplasten en mitochondriën is inmiddels middelbare-schoolstof. Toch is niet de gehele endosymbiose-theorie gemeengoed. Margulis: ’We have won three out of four’. Eén is de oorspong van het cytoplasma, van archaeabacteria. Twee is mitochondriën, drie chloroplasten. Vier is cilia, aan het bewijs daarvoor werken we nu. Deze week (2002, red.) verschijnt ons artikel in PNAS over de oorspong van cilia en de kern.

Margulis vermoedde dat daar fossiel bewijs voor moest zijn: tussenvormen van pro- en eukaryoten. Een Nederlander leek uitkomst te bieden. ‘Ik wist toen niets van geologie: ik begon als genetica-student, en had me op bacteriën gestort. Maar ik kwam een boek tegen van M.J. Rutten, uit Utrecht. Eenmaal heb ik hem ontmoet, de man is inmiddels overleden. Zijn boek heette Origins of life, over fossielen uit het precambium. In mijn manuscript verwees ik naar hem. ’Omdat ik me onzeker voelde in dit nieuwe vakgebied, stuurde ik mijn artikel op naar Elso Barghoorn, de befaamde hoogleraar van Harvard universiteit. Vier maanden later belde hij mij op. “Ik ben het niet oneens met je,” zei hij, “maar dat fossiele archief klopt niet.” Al mijn fossiele voorbeelden kwamen uit dat boek. It was all wrong! ’Rutten ging overigens af op data van anderen. Barghoorn gaf me vanaf toen tot aan zijn dood lessen in het fossiele archief van het precambium. Hij is de founder van precambium paleobiologie, een fantastische man. Ik corrigeerde de fouten in het artikel (Origin of nucleated cells) en het werd gepubliceerd. We hebben in amber geconserveerde fossielen gevonden van termieten uit het Mioceen (20 miljoen jaar geleden), recenter dan het precambium dus. Daarin zagen we karyomastigonten, structuren die zijn ontstaan doordat langwerpige spirocheten zich deels in archaea-bacteriën hebben geboord.’ Margulis stelt dat het DNA van beide bacteriën zich gemengd heeft en vanuit het endoplasmatisch reticulum voorzien werd van een membraan: de celkern. De langwerpige structuren die buiten de oorspronkelijke archaeabacterie bleven hangen, zijn geworden tot wat we nu cilia (haartjes) noemen.’

Vandaag de dag erkennen vrijwel alle deskundigen dat symbiogenese een rol speelt in de evolutie. Maar voor haar stelling dat dit het enige evolutionaire mechanisme is, krijgt Margulis nauwelijks bijval. De meeste experts blijven erbij dat moeder natuur veel meer trucs aanwendt om genetisch materiaal te veranderen: ze verdubbelt hele stukken DNA, keert ze om, verplaatst ze, brengt er kleine mutaties in aan, enzovoort.

Lynn Marcelis wordt ook beschouwd als de moeder van de Gaia-theorie, genoemd naar de godin van de aarde uit de Griekse mythologie. De Gaia-hypothese beschouwt de aarde als een zichzelf regulerend organisme; Margulis beperkt zich overigens tot een strook van 20 kilometer breedte, 8 km boven en 12 km onder het aardoppervlak. Zo kunnen oceaanalgen met het uitstoten van dimethylsulfide-gas de vorming van wolken stimuleren en zo de hoeveelheid invallend zonlicht reguleren. ‘De Gaia-hypothese stelt dat de samenstelling van reactieve gassen, de zuurgraad, de oxidatietoestand van biologisch belangrijke elementen als koolstof, zwavel, stikstof en fosfor, en de oppervlaktetemperatuur bepaald worden door het leven op aarde. Maar let wel, Gaia is erg complex en er bestaan vele definities.’ Margulis vermoedt nog veel meer Gaia-fenomenen. ‘Dit zijn mijn suggesties voor verder onderzoek: regen is een biologisch fenomeen; de laterale beweging van de tektonische platen; het vergroten van raakvlakken tussen vaste, vloeibare en gasvormen; de kringloopbewegingen van metalen en fosfor; en het behouden van zout in de oceanen.’ Ze is niet de bedenker van Gaia. Wijlen Vladimir Vernadsky opperde het idee, en James Lovelock gaf de hypothese een naam en faam. Margulis: ‘Vernadsky is de grootvader van Gaia, James Lovelock de vader en Peter Westbroek de stiefvader.’ En over de planeet Mars: ‘Eigenlijk zouden we naar Mars moeten. Als wij Mars koloniseren, heeft Gaia zich voortgeplant en is de Gaia-hypothese bewezen.’

Deze Gaia-theorie is niet bepaald een geaccepteerd gedachtegoed binnen de biogeologie. Het Britse wetenschapsblad Nature schreef ooit een vernietigend commentaar over Gaia. Margulis versterkte het zweverig aura dat aan Gaia kleeft. Een filmpje over ‘moeder aarde’ had ze voorzien van een ritmische new age-muziek, zodat ze er zelf overheen moest schreeuwen (‘The earth has a face and it’s name is Gaia’). Het maakte haar presentatie even spannend als surrealistisch.

Daarmee neemt Lunn Marcelis een eigen plaats in in het debat over evolutie en geloof. Ze kiest ogenschijnlijk voor de New Age visie, dat een pseudo-religueze opvatting is over natuur en bovennatuur, zonder daar een helder onderscheid in aan te brengen, en welke de joods-cnristelijke openbaring in bij bel en christelijke (katholieke) traditie terzijde schuift. Het bestaan van een persoonlijke God, schepper van hemel en aarde wordt ontkent evenals zijn zelfopenbaring in de persoon van Jezus, de christelijke filosofie over de relatie natuur en bovennatuur en geloof en wetenschap. Toch was Lynn Marcelis een van de sprekers tijden het door het Vaticaans georganiseerde congres over Biologische Evolutie, begin maart 2009, waar ze vooral op haar symbyogenese-theorie inging, wat als een welkome aanvulling werd ervaren op het enge neodarwinisme met zijn evolutie door toevallige mtaties en natuurlijke selectie alleen.

Bron: Wikipedia/Trouw/De Gids/Kennislink/Bionieuws

Kosmologie en fundamentele natuurkunde en geloof: de visie van Johannes Paulus II

popejp1_wideweb__470x339,0

MOGE DE WIJSHEID VAN DE MENSHEID ALTIJD HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK BEGELEIDEN

Fragmenten uit de toespraak van paus Johannes Paulus II tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen op  3 oktober 1981

Na een inleidend woord zegt de paus:

2. Gedurende deze studieweek buigt u zich over het probleem van de ‘Cosmologie en fundamentele natuurkunde’ met de deelneming van geleerden uit heel de wereld, van de twee Amerika’s tot Europa en China. Dit thema staat in verband met de onderwerpen die reeds door de Pauselijke Academie van Wetenschappen zijn behandeld in de loop van haar aanzienlijke geschiedenis. Ik wil hier spreken van de zittingen over de microseismen, over de sterrenbevolking, over de kosmische stralingen, over kernen van de melkwegen, zittingen die plaats hadden onder het voorzitterschap van pater Gemelli, de heer Lemaitre en ook van pater O’Connel aan wie ik mijn hartelijkste wensen richt en de Heer vraag hem bij te staan in zijn beproeving met de gezondheid.

De cosmogonie en de cosmologie hebben altijd een grote belangstelling gewekt bij de volkeren en in de godsdiensten. De bijbel zelf spreekt over het ontstaan van het heelal en haar samenstelling, niet om ons een wetenschappelijke verhandeling te verschaffen, maar om nauwkeurig de juiste verhoudingen van de mens met God en met het heelal uit te drukken. De heilige Schrift wil eenvoudig verklaren dat de wereld door God is geschapen, en om deze waarheid te leren drukt zij zich uit met de bewoordingen van de cosmologie welke in gebruik was in de tijd van de schrijver. Het gewijde boek wil bovendien aan de mensen doen weten, dat de wereld niet is geschapen als zetel van de goden, zoals andere cosmogenieën en cosmologieën leren, maar dat hij is geschapen in dienst van de mens en tot glorie van God. Elke andere leer over het ontstaan en de samenstelling van het heelal is vreemd aan de bedoelingen van de bijbel: deze wil niet leren hoe de hemel is gemaakt, maar hoe men in de hemel komt. Elke wetenschappelijke hypothese over het ontstaan van de wereld, zoals die van een oeratoom waaruit het geheel van het fysieke heelal zou voortvloeien, laat het probleem betreffende het begin van het heelal open. De wetenschap kan uit zichzelf een dergelijke kwestie niet oplossen: dit weten van de mensen moet zich verheffen boven de natuurkunde en de astrofysica en wat de metafysica wordt genoemd; het weten moet vooral komen van de openbaring van God.

Dertig jaar geleden drukte mijn voorganger paus Pius XII zich op 22 november 1951 aldus uit, toen hij over het probleem van het ontstaan van het heelal sprak tijdens de studieweek over het probleem van de microseismen welke was georganiseerd door de Pauselijke Academie van Wetenschappen:

‘Tevergeefs verwacht men hier een antwoord van de natuurwetenschap, die van haar kant overigens loyaal verklaart voor een onoplosbaar raadsel te staan. Het is waar: men zou daarmee ook te veel van de natuurwetenschap vragen; doch van de andere kant is het ook zeker, dat de in wijsgerige bespiegelingen ervaren menselijke geest dieper tot het vraagstuk doordringt. Ontegenzeglijk voelt een verlichte geest, verrijkt met de moderne wetenschappelijke kennis, zich bij het wikken en wegen van dit vraagstuk, zo dit sereen geschiedt, gedwongen de kring te doorbreken van een totaal onafhankelijke en autotochtone materie – van een materie die ongeschapen zou zijn of zichzelf zou hebben geschapen – om op te stijgen tot een scheppende Geest. Met dezelfde klare en kritische blik, waarmede hij de verschijnselen waarneemt en beoordeelt, ziet en ontdekt hij daarin het werk van een scheppende Almacht, waarvan de kracht, in beweging gebracht door een machtig, milliarden jaren geleden door de scheppende Geest uitgesproken ‘fiat’, uitging over het universum en in een daad van edelmoedige liefde de van energie overvolle materie tot bestaan riep’

3. Ik verheug me zeer, heren academici, over het thema dat u hebt gekozen voor uw voltallige zitting welke vandaag zelf begint: ‘De weerslag van de moleculaire biologie op de samenleving’. Ik waardeer de voordelen die voortvloeien – en die nog kunnen voortvloeien – uit de studie en de toepassingen van de moleculaire biologie, aangevuld door de andere wetenschappen zoals de genetica en haar technologische toepassing in de landbouw en de industries en ook zoals voorzien wordt, voor de behandeling van verschillende ziekten, waarvan sommige van erfelijke aard zijn. Ik heb een vast vertrouwen in de wetenschappelijke wereldgemeenschap en op een heel bijzondere wijze in de Pauselijke Academie van Wetenschappen, dat juist dank zij haar de vooruitgang en de biologische onderzoekingen, evenals overigens alle ander wetenschappelijk onderzoek en zijn technologische toepassing, zullen worden volbracht in het volle respect voor de morele normen met waarborging van de waardigheid van de mensen, hun vrijheid en hun gelijkheid. Het is noodzakelijk, dat de wetenschap altijd samengaat en wordt beheerst door de wijsheid welke tot het blijvend geestelijk erfgoed van de mensheid behoort en welke wordt bezield door het plan van God dat in de schepping is gegrift alvorens vervolgens door zijn woord te worden verkondigd.

Een bezinning welke door de wetenschap en de wijsheid van de wetenschappelijke wereldgemeenschap wordt geïnspireerd moet de mensheid voorlichten over de gevolgen – goede en slechte – van het wetenschappelijk onderzoek en vooral welke de mens betreft, opdat men zich enerzijds niet vastlegt op anticulturele standpunten die de vooruitgang van de mensheid vertragen en anderzijds niet schenden wat voor de mens het meest kostbaar is: de waardigheid van zijn persoon die bestemd is voor een echte vooruitgang in de samenhang van zijn lichamelijke, verstandelijke en geestelijke eenheid.

4. Een ander onderwerp heeft deze dagen de aandacht vastgehouden van sommigen onder u, uitstekende geleerden uit verschillende delen van de wereld, die door de Pauselijke Academie van Wetenschappen zijn bijeengeroepen: dat van de parasitaire ziekten die de armste landen van de wereld treffen en een ernstige belemmering zijn voor de ontwikkeling van de mens in het geëvenredigde kader van fysiek, economisch en geestelijk welzijn. De inspanningen om zoveel mogelijk de plagen uit te bannen die door de parasitaire ziekten in een groot deel van de mensheid worden teweeggebracht, zijn onafscheidelijk van die welke moeten worden ondernomen voor de sociaal-economische ontwikkeling van dezelfde bevolkingen. De mensen hebben normaal een voldoende gezondheid nodig en een minimum aan materiële goederen om waardig volgens hun menselijke en goddelijke roeping te kunnen leven. Daarom keerde Christus Jezus zich met een oneindige liefde tot de zieken en gebrekkigen, en heeft Hij ettelijke ziekten waarmee u zich in deze dagen hebt beziggehouden op wonderbare wijze genezen.

Moge de Heer de activiteit inspireren en schragen van de geleerden en medici die hun onderzoek en hun beroep wijden aan de bestudering en de nood van de menselijke gebrekkigheden, vooral van de meest ernstige en meest vernederende!

5. Naast het onderwerp van de parasitaire ziekten heeft de academie het probleem aangeroerd van een plaag van catastrofale omvang en ernst welke de gezondheid van de mensheid zou kunnen treffen, wanneer een kernconflict zou uitbreken. Behalve de dood van een groot deel van de wereldbevolking, zou een kernconflict onberekenbare gevolgen kunnen veroorzaken voor de gezondheid van de huidige en toekomstige generaties. De multi-disciplinaire studie welke u op het punt staat te voltooien zal niet kunnen nalaten voor de staatshoofden een beroep op hun onmetelijke verantwoordelijkheid te vormen en in heel de mensheid een steeds brandender dorst te veroorzaken naar eendracht en vrede: dit verlangen komt uit het diepste van het menselijk hart, en eveneens uit de boodschap van Christus die is gekomen om de vrede te brengen aan de mensen van goede wil.

Krachtens mijn universele zending wil ik me nogmaals de vertolker maken van het recht van de mens op rechtvaardigheid en vrede, en van de wil van God die alle mensen gered wil zien. En ik hernieuw de oproep welke ik in Hiroshima op 25 februari jongstleden heb gedaan: ‘Besluiten wij hier en nu plechtig nooit meer oorlog toe te laten, of zelfs te zoeken, als middel om conflicten op te lossen! Beloven wij onze medemensen onvermoeibaar te werken aan de ontwapening en de uitbanning van alle atoomwapenen! Laten wij geweld en haat vervangen door wederzijds vertrouwen en solidariteit’. 2

6. Onder de inspanningen die voor de vrede van de mensen moeten worden ondernomen, is die welke voor alle volkeren energie wil waarborgen, welke noodzakelijk is voor hun vreedzame ontwikkeling. De academie heeft zich tijdens de studieweek van het afgelopen jaar met dit probleem beziggehouden. 3 Ik ben blij vandaag de gouden medaille van Pius XI te kunnen overreiken aan een geleerde die op een aanzienlijke wijze door zijn onderzoek op het gebied van de foto-chemie heeft bijgedragen aan het benutten van de zonenergie. Het betreft professor Jean-Marie Lehn van het Collège de France en van de universiteit van Straatsburg, aan wie ik mijn hartelijke gelukwensen aanbied.

Aan u allen, heren, richt ik mijn oprechte wensen voor het werk dat u zult verrichten in het wetenschappelijk onderzoek. Ik bid de Almachtige God u te zegenen, uzelf, uw gezinnen, degenen die u dierbaar zijn, uw medewerkers, en heel de mensheid waarvoor u en ik, langs verschillende maar elkaar kruisende wegen, de zending moeten volbrengen welke ons door God is toevertrouwd.

© Archief van de Kerken, 37e jrg (1982) nr. 6

Bewijzen van het bestaan van God volgens paus Johannes Paulus II

PausIedereen vraat zich wel eens af of God bestaat. Paus Johannes Paulus II heeft er in 1985 in zijn catechese over de geloofsbelijdenis van de katholieke kerk het volgende antwoord op gegeven.

1. Wanneer men ons vraagt: “Waarom gelooft gij in God?”, dan is het eerste antwoord dat van ons geloof: God heeft zich aan de mens geopenbaard; Hij is de mens tegemoet gekomen. De hoogste openbaring van God hebben we ontvangen in Jezus Christus, de mens geworden God. Wij geloven in God omdat Hij zich heeft doen kennen als het Opperste Wezen, als de grote ‘Zijnde’.

Maar dat geloof in een God die zich openbaart, steunt ook op verstandelijke argumenten. Bij enig nadenken zien we in dat het ons niet ontbreekt aan bewijzen voor het bestaan van God. Die bewijzen werden door denkers uitgewerkt in de vorm van filosofische bewijsvoeringen, door de samenhang van een onweerlegbare logica. Maar die bewijzen worden ook aangeboden in een eenvoudiger vorm, zodat ze verstaanbaar zijn voor ieder die zoekt naar de zin van de wereld die hem omringt.


Wetenschappelijke bewijzen

2. Als we spreken over bewijzen voor het bestaan van God moeten we er de nadruk op leggen, dat het dan niet gaat om bewijzen van wetenschappelijke en experimentele aard. In de moderne betekenis van het begrip hebben alleen zintuiglijk waarneembare feiten waarde als wetenschappelijke bewijzen, want alleen dáár kan men gebruik maken van instrumenten voor opzoekingen en controle waarvan de moderne wetenschap zich bedient. Het bestaan van God wetenschappelijk willen vaststellen zou een neerhalen van God betekenen tot het niveau van de schepselen van onze wereld, zodat we ons meteen methodologisch zouden vergissen met betrekking tot de persoon van God. De wetenschap moet haar beperkingen en onvermogen erkennen als het gaat om iets te weten over het bestaan van God: ze kan dat bestaan bevestigen noch ontkennen.

Maar dat betekent niet dat geleerden niet in staat zouden zijn door wetenschappelijke studie motieven aan te voeren voor een erkenning van het bestaan van God.

Als de wetenschap als zodanig niet in staat is, tot het Godsbestaan te komen, dan kan de geleerde, wiens wetenschappelijk denken zich niet alleen beperkt tot het tastbare in de wereld, toch redenen vinden die toelaten het bestaan te veronderstellen van een Wezen dat hem overstijgt. Vele geleerden hebben die ontdekking gedaan en vele doen dat nog steeds.

Wie met een open geest nadenkt over het ontstaan van de stoffelijke wereld, wordt ertoe gedwongen zich vragen te stellen in verband met de oorsprong. Wanneer we geconfronteerd worden met sommige gebeurtenissen, vragen we instinctief naar de oorzaken. Waarom zouden we ons dan geen vragen stellen in verband met het geheel van de schepselen en de fenomenen, zoals we die in de wereld ontdekken?

De opperste oorzaak

3. Bij een wetenschappelijke hypothese als bijvoorbeeld die van de uitdeining van het heelal, rijst het probleem in zijn volle dimensie; als het heelal in voortdurende ontwikkeling en uitbreiding is, moet men dan niet in de tijd kunnen terugkeren tot het punt dat men ‘beginpunt’ zou kunnen nemen, het moment waarop die wording in gang werd gezet? Die principiële vraag kan men niet ontwijken, welke ook de aanvaarde theorie in verband met het ontstaan van het heelal is. Dat heelal, dat in voortdurende beweging is, roept inderdaad de vraag op naar een oorzaak waarin het zijn ontstaan vindt, die het zijn beweging geeft en zonder ophouden in stand houdt. Bij ontbreken van een hogere oorzaak blijft de wereld en iedere bestaande beweging ‘zonder verklaring’ en ‘onverklaarbaar’; en ons verstand blijft onbevredigd. De menselijke geest kan alleen maar een antwoord op die vragen vinden, als hij een hoger wezen aanvaardt, dat de wereld vanuit zijn kracht geschapen heeft en voortdurend in stand houdt.

4. De noodzaak om een hogere oorzaak te aanvaarden, wordt nog dringender, wanneer men oog heeft voor de volmaakte planning die de wetenschap altijd verder ontdekt in de structuur van de materie. Het menselijk verstand spant zich in en tracht met grote moeite de opbouwen de krachten in de stofdeeltjes zelf te ontdekken. Is het dan niet normaal, dat men als het ware gedreven wordt de oorsprong te zoeken in een superieur verstand, dat alles ontworpen heeft? Tegenover de wonderen van de onmetelijk kleine wereld van het atoom en de oneindig grote wereld van de kosmos voelt de geest van de mens zich totaal overstegen in zijn mogelijkheden tot scheppen, ja zelfs in zijn verbeelding; hij begrijpt dat een werk van zo’n kwaliteit en omvang een Schepper vereist, wiens wijsheid elke maat overstijgt, wiens macht oneindig is.

Interne finaliteit

5. Alle onderzoekingen in verband met het leven leiden naar eenzelfde besluit. De evolutie van de levende wezens, waarvan de wetenschap de verscheidene fasen tracht te omschrijven en het ontwikkelingsproces te doorzien, vertoont een intern finalisme waarvoor men alleen maar in bewondering kan staan. Die doelgerichtheid oriënteert de levende wezens in een richting waarvan zijzelf de bewerkers noch de oorzaak kunnen zijn. Wij moeten geloven in een Geest die er de ontwerper en de schepper van is.

De geschiedenis van de mensheid en ook het leven van elk menselijk wezen vertoont een doelgerichtheid die nog indrukwekkender is. Het is duidelijk dat de mens niet in staat is zelf de zin uit te leggen van alles wat hem overkomt; ook moet hij erkennen dat hij zijn eigen bestemming niet zelf in handen heeft. Niet alleen heeft hij zichzelf niet geschapen, maar ook heeft hij de loop der gebeurtenissen in zijn bestaan niet in handen. Toch is hij ervan overtuigd, een doel te hebben; hij tracht de aard van dat doel te ontdekken, en hoe het in zijn bestaan is geënt. Soms slaagt hij erin die verborgen doelmatigheid gemakkelijker waar te nemen, omdat ze duidelijker een samenloop van omstandigheden en gebeurtenissen weergeeft. Daardoor wordt de mens ertoe gedwongen, de soevereiniteit te beamen van Hem, die deze doelgerichtheid heeft geschapen en er richting aan geeft in het leven van de mens.

6. Tussen al de elementen in de schepping die ons dwingen de ogen naar Boven te richten, is er tenslotte nog de schoonheid.

“De hemel verkondigt de majesteit van God;
de dag heft zijn roep tot de dag
de nacht aan de nacht zegt de mare”
(Ps. 19, 1-2)

Ze manifesteert zich in de vele kunstwerken, in literatuur, muziek, schilderkunst en plastische kunsten. Die schoonheid vinden we ook in morele gedragingen: in goede gevoelens, in daden die bewondering afdwingen!

De mens is zich bewust van het feit, dat hij heel die schoonheid ‘ontvangt’, zelfs als hij er zelf toe bijdraagt om haar te verwezenlijken. Hij ontdekt en bewondert ze pas ten volle, als hij haar bron erkent, de transcendente schoonheid van God.

7. Tegenover al deze ‘aanwijzigingen’ voor het bestaan van God stellen sommigen de kracht (virtû) van het toeval of de eigen mechanismen van de materie. Echter, het spreken over toeval in een universum dat ons een zo complexe organisatie van elementen en een zo bewonderenswaardige doelgerichtheid in het leven presenteert, betekent het afwijzen van een onderzoek naar de verklaring van de wereld zoals ze aan ons verschijnt. In feite zou het gelijkstaan met het accepteren van effecten zonder oorzaak. Het gaat dan om een afschaffing (abdicazione) van het menselijk intellect, dat op die manier zou afzien (rinuncerebbe) van het denken en van het zoeken van oplossingen voor zijn problemen.

Ontelbare aanwijzingen dwingen dus de mens, die het heelal waarin hij leeft, zoekt te begrijpen, zijn blik naar de Schepper te richten. De bewijzen van het bestaan van God zijn talrijk en convergent. Ook tonen ze aan dat het geloof niet strijdig is met de menselijke intelligentie; integendeel, ze stimuleren tot nadenken en laten de mens toe, beter het ‘waarom?’ te begrijpen dat opwelt bij het observeren van de werkelijkheid.

Erfelijkheid en evolutietheorie: de visie van paus Pius XII

pius12

De visie van de katholieke kerk op de evolutietheorie kunnen we gedeeltelijk ook terugvinden in een toespraak tot de deelnemers aan het eerste internationale congres voor medische erfelijkheidsleer, gehouden in september 1953. ‘Het karakteristieke van uw wetenschap, waardoor zij zich onderscheidt van andere takken van biologie en geneeskunde, is haar jeugd. Maar niettegenstaande haar jeugd kenmerkt zij zich door een snelle ontwikkeling en door de ver reikende, men zou haast zeggen, vermetele doeleinden, die zij zich heeft gesteld’, aldus de paus in zijn inleiding. Reden voor de kerk om zich uit te spreken. In het gedeelte van de toespraak getiteld: ‘Stand van de moderne erfelijkheidsleer’ gaat de paus in op de evolutietheorie.

Verband tussen erfelijkheidsleer en evolutietheorie

14. Wat de biologie en in het bijzonder de genetica zeggen over de kiemcellen, de erfelijkheidsfactoren, over modificaties, mutaties en selectie gaat boven de individuen in de verschillende soorten uit en raakt ten slotte de kwestie omtrent oorsprong en ontwikkeling van het leven in het algemeen en van het geheel der levende wezens. Men stelt dan deze vraag: Komt dit geheel tot stand door het feit, dat alle levende wezens voortkomen uit een enkel wezen en uit zijn onuitputtelijke kiemkracht langs de weg van afstamming en evolutie op de wijze en onder de invloeden, die boven zijn aangegeven? Het vraagstuk van de grote groepen verklaart, waarom de werken van sommige genetici de erfelijkheidstheorie verbinden met de evolutie. en afstammingstheorie; zij lopen in elkaar over.

De stand van het evolutievraagstuk

15. In de nieuwste werken over genetica leest men, dat niets het verband tussen alle levende wezens beter kan verklaren dan het beeld van één gemeenschappelijke stamboom. Maar tegelijkertijd wijst men er op, dat het daarbij slechts gaat over een beeld, een hypothese, en niet over een bewezen feit. Men meent zelfs er aan te moeten toevoegen, dat, als de meerderheid van de onderzoekers de afstammingsleer als een “feit” aandient, dit een overhaast oordeel is. Men zou heel goed ook andere hypothesen kunnen opstellen. Daarenboven zegt men, dat bekende geleerden dit doen zonder daardoor te willen ontkennen, dat het leven zich ontwikkeld heeft en dat bepaalde vondsten kunnen verklaard worden als preformaties van het menselijk lichaam. Maar, zo gaat men verder, die onderzoekers hebben zo uitdrukkelijk mogelijk aangegeven, dat men volgens hun oordeel nog absoluut niet weet, wat de uitdrukkingen: “evolutie”, “afstamming”, “overgang” werkelijk en precies betekenen; dat men overigens geen enkel natuurlijk proces kent, waarbij een wezen een ander van verschillende natuur voortbrengt; dat het proces, waardoor een soort een andere soort voortbrengt, nog volkomen ondoorgrondelijk blijft ondanks de talrijke tussenvormen; dat men er nog niet in geslaagd is, door experimenten een nieuwe soort uit een andere soort te doen voortkomen; en ten slotte, dat wij absoluut niet weten, op welk moment van de evolutie de hominide plotseling de drempel van het mens-zijn heeft overschreden. Men verwijst verder naar twee bijzondere ontdekkingen, waarover het meningsverschil tot op heden nog niet is opgelost. Het zou hier niet zozeer gaan over de ver gevorderde graad van evolutie bij het ontdekte materiaal, als wel over de datering van de geologische aardlaag. De laatste conclusie, die men er uit trekt, is deze: naar gelang de toekomst de juistheid zal aantonen van de ene of van de andere verklaring, zal de gebruikelijke voorstelling van de menselijke evolutie er ofwel een bevestiging in vinden ofwel men zal er zich een heel nieuwe voorstelling van moeten maken. Men meent te moeten zeggen, dat de onderzoekingen omtrent de oorsprong van de mens pas aan het begin staan; de voorstelling, die men er thans van heeft, zou men niet als de definitieve mogen beschouwen. Ziedaar, wat men zegt over de betrekkingen tussen de erfelijkheidstheorie en de evolutietheorie.

In de daarna volgende ‘principiële beschouwingen’ schrijft de paus eerst over waarheid en waarheidsliefde in de wetenschap en dan over het afstammingsvraagstuk van de mens.

Waarheld en waarheidsliefde in de wetenschap

20. De fundamentele eisen voor wetenschappelijke kennis zijn waarheid en waarheidsliefde.

1. Het begrip “waarheid”

21. Onder waarheid moet worden verstaan de overeenkomst van het oordeel van de mens met de werkelijkheid van het zijn en de werking der dingen zelf, in tegenstelling tot voorstellingen en ideeën, die de geest er in legt. Vroeger heerste en ook tegenwoordig heerst nog een opvatting, volgens welke de boodschap, die de objectieve werkelijkheid van zichzelf geeft, als door een lens in de geest doordringt en in haar loop kwalitatief en kwantitatief verandert. Men spreekt in dit geval van een dynamische gedachte die haar vorm op het voorwerp drukt, in tegenstelling met de statische gedachte die het alleen weerspiegelt, als men tenminste niet in princiep beweert, dat de eerste het enig mogelijke type is van menselijke kennis. Waarheid zou dan op slot van rekening zijn, de overeenstemming van de persoonlijke gedachte met de publieke of wetenschappelijke opinie van het ogenblik. Het denken van alle tijden, steunend op het gezond verstand, en in het bijzonder het christelijk denken zijn zich er van bewust, als wezenlijk beginsel te moeten handhaven: waarheid is de overeenstemming van het oordeel met het in zich bepaalde wezen der dingen, een oordeel dat dus in zich bepaald is, zonder daarmee de gedeeltelijke juistheid te willen loochenen van de bovenvermelde opvatting van de waarheid, die toch in haar geheel vals is. Wij hebben deze kwestie ook aangeroerd in onze encycliek Humani Generis van 12 augustus 1950 en toen de nadruk gelegd op een punt, dat wij menen hier te moeten herhalen: nl. de noodzakelijkheid om de grote ontologische wetten onaangetast te laten, want zonder deze wordt het onmogelijk, de werkelijkheid te begrijpen. Wij denken hier vooral aan de beginselen van contradictie, van voldoende grond, van oorzakelijkheid en van finaliteit.

3. Noodzakelijk onderscheid tussen de feiten en hun verklaring

23. Het onderscheid tussen de zekere feiten en hun verklaring of systematisering is voor de onderzoeker even fundamenteel als de definitie van de waarheid. Het feit is altijd waar, omdat er geen ontologische dwaling mogelijk is. Maar dit zelfde geldt niet zonder meer van de wetenschappelijke uitwerking er van. Hier loopt men gevaar om voorbarige conclusies te trekken of zich in zijn oordeel te vergissen.

4. Voorzichtigheid in het wetenschappelijk oordeel

24. Dit alles vraagt eerbied voor de feiten en voor het geheel van feiten, voorzichtigheid in het uiten van wetenschappelijke stellingen, gematigdheid in het wetenschappelijk oordeel en bescheidenheid, die door geleerden zozeer wordt gewaardeerd en die wordt ingegeven door het bewustzijn van het beperkt menselijk weten. Dit bevordert de openheid van geest en de leerzaamheid van de echte wetenschapsmens, die niet zal vasthouden aan zijn eigen ideeën, als deze onvoldoende gefundeerd blijken. Dit leidt er ten slotte toe om zonder vooroordeel de meningen van anderen te onderzoeken en te beoordelen.

5. Waarheidsliefde

25. Als men zo is ingesteld, dan zal men met eerbied voor de waarheid heel natuurlijk ook liefde voor de waarheid verenigen, d.w.z. de overeenstemming tussen zijn persoonlijke overtuiging en de wetenschappelijke stellingen, door woord en geschrift uitgedrukt.

6. Geen tegenspraak tussen de verschillende wetenschappen

26. Deze eis van waarheid en waarheidsliefde vraagt nog een opmerking in verband met wetenschappelijke kennis: het is zeldzaam, dat maar één enkele wetenschap zich met een bepaald onderwerp bezighoudt. Dikwijls zijn er verschillende, die het behandelen, ieder onder verschillend opzicht. Is echter hun onderzoek juist, dan is ook tegenspraak bij de resultaten niet mogelijk, want dat zou tegenspraak in de ontologische werkelijkheid veronderstellen. Welnu, de werkelijkheid kan niet in tegenspraak zijn met zichzelf. Als er nu ondanks alles toch tegenspraak ontstaat, dan kan deze slechts het gevolg zijn van een onjuiste waarneming of van een verkeerde verklaring van een juiste waarneming, ofwel van het feit, dat de onderzoeker de grenzen van zijn speciaal vak is te buiten gegaan en zich waagde op een terrein, dat hij niet kende. Wij menen, dat ook deze opmerking duidelijk geldt voor alle wetenschappen.

In een hoofdstuk over genetica en openbaring schrijft Pius XII

2. Belangstelling van de theologie voor het afstammingsvraagstuk

30. Wat de afstammingstheorie betreft, de essentiële vraag is hier die omtrent de oorsprong van fysiek organisme van de mens (niet van zijn geestelijke ziel). Terwijl uw wetenschappen zich ijverig bezighouden met dit probleem, heeft de theologie, de wetenschap die de openbaring tot voorwerp heeft, er ook een zeer levendige belangstelling voor gehad. Wij zelf hebben al twee maal, reeds in 1941 in een toespraak tot onze academie van wetenschappen en in 1950 in de bovengenoemde encycliek, aangedrongen op voortzetting van het onderzoek in de hoop, dat men wellicht eens zekere resultaten zal kunnen boeken, want tot nu toe heeft men nog niets definitiefs bereikt. Wij hebben er toe aangespoord, die kwesties te behandelen met de voorzichtigheid en de rijpheid van oordeel, die het groot belang er van eist. Uit de werken van uw speciaal vak hebben wij een citaat ontleend, waarin men, na al de hedendaagse ontdekkingen en de mening van de specialisten hieromtrent te hebben beschouwd, eveneens aanspoorde tot gematigdheid en waarin men een definitief oordeel opschortte.

Besluit

Hoewel deze tekst dus kadert in een genetisch debat kunnen we er een aantal wezenlijke zaken uit leren. Allereerst dat Pius XII een man van voorzichtigheid is die de wetenschap tot gematigde uitspraken aanzet over onbewezen zaken. De waarheid is hem een lief ding en die kan vanuit verschillende disciplines gezocht en gevonden worden en nooit met zichzelf in strijd zijn.

De houding van de katholieke kerk tegenover de ‘positive’ wetenschappen, volgens paus Pius XII

pius12

Diverse pausen hebben zich uitgesproken over de houding van de kerk ten aanzien van de wetenschap. Daarbij onderscheidt men de Openbaringzoals de kerk die ontvangen heeft binnen de joods-christelijke traditie. Hier de visie van Paus Pius XWII in zijn rondzendbrief (encycliek) ‘Humanis Generis’ (1950): ‘over sommige vasle meningen die de grondslagen van de katholieke leer dreigen te ondermijnen’. In het eerste deel van de encycliek gaat hij in op tendenzen en meningen binnen de theologie. In het tweede deel op het onderwerp ‘kerk en filosofie’. In het derde deel komen de ‘positieve’ wetenschappen aan bod.

Houding van de Kerk tegenover feiten en hypothesen van de positieve wetenschappen

35. Ten slotte moeten wij nog iets zeggen over vraagstukken, die wel behoren tot de zogenaamde “positieve” wetenschappen, maar toch min of meer in verband staan met de waarheden van het christelijk geloof. Velen immers eisen nadrukkelijk, dat de katholieke godsdienst zoveel mogelijk rekening zal houden met die wetenschappen. Dit is zonder twijfel uitstekend, waar het gaat over werkelijk bewezen feiten; maar als het gaat over “hypothesen”, die de leer van de heilige Schrift of van de traditie raken, dan moet men hier gereserveerd tegenover staan, al hebben deze hypothesen dan ook min of meer een wetenschappelijke basis. Gaan echter dergelijke hypothesen rechtstreeks of zijdelings in tegen de geopenbaarde leer, dan’ moet men deze eis volstrekt afwijzen.

1. De biologische en antropologische wetenschappen
a. Het evolutionisme.

36. Daarom verzet het kerkelijk leergezag zich er niet tegen, dat de leer van het “evolutionisme” overeenkomstig de tegenwoordige stand van de menselijke wetenschappen en de theologie door voor- en tegenstanders onder de vakmensen nader wordt bestudeerd en bediscussieerd; wij bedoelen de evolutieleer, in zover zij het ontstaan van het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof nagaat, want het katholiek geloof verplicht ons te houden, dat de zielen onmiddellijk door God geschapen worden. Deze studie moet dan zo geschieden, dat de bewijzen voor beide meningen, namelijk van voor- en tegenstanders, met de vereiste ernst, kalmte en gematigdheid worden gewikt en gewogen; onder voorwaarde tevens, dat allen bereid zijn, zich te onderwerpen aan het oordeel van de Kerk, want zij heeft van Christus de taak gekregen, de heilige Schrift met bindend gezag te verklaren en de dogma’s van het geloof te beschermen.

Sommigen echter durven de grenzen van deze vrijheid van discussie te overschrijden; zij doen namelijk, alsof door de tot nu toe gevonden gegevens en de daarvan uitgaande redeneringen reeds als volkomen zeker zou zijn bewezen, dat het menselijk lichaam uit reeds bestaande en levende stof is ontstaan. Bovendien doen zij het voorkomen, alsof er in de bronnen van de openbaring niets zou te vinden zijn, dat in deze kwestie de grootste gematigdheid en voorzichtigheid eist.

b. Het polygenisme

37. Met betrekking echter tot een andere hypothese, namelijk het zogenaamde polygenisme, hebben de kinderen van de Kerk deze vrijheid volstrekt niet. Want de gelovigen mogen niet die mening aanhangen, waarvan de voorstanders beweren, ofwel, dat er na Adam hier op aarde echte mensen hebben bestaan, die niet door natuurlijke voortplanting van hem als stamvader van allen zijn voortgekomen, ofwel, dat Adam een zeker aantal stamvaders betekent. Het blijkt immers volstrekt niet, hoe deze opvatting is overeen te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid en de akten van het kerkelijk leergezag leren omtrent de erfzonde, die voortkomt uit de door één Adam werkelijk bedreven zonde, en die door de voortplanting op allen overgaat en in ieder mens als hem eigen aanwezig is.

2. De historische wetenschappen
a. De verklaring van de historische boeken van het Oude Testament, in het bijzonder van Genesis 1-11.

38. Zoals op het gebied van de biologische en antropologische wetenschappen, zo zijn er ook op dat van de historische wetenschap mensen, die zich niet storen aan de door de Kerk vastgestelde grenzen en voorgeschreven reserve. In het bijzonder valt hier een bepaalde methode van exegese te betreuren, die een al te vrije verklaring geeft van de historische boeken van het Oude Testament. De aanhangers van deze methode verdedigen zich ten onrechte met een beroep op de brief, die de pauselijke bijbelcommissie kortgeleden heeft gericht tot de aartsbisschop van Parijs. Deze brief immers wijst er nadrukkelijk op, dat de eerste elf hoofdstukken van Genesis wel niet strikt beantwoorden aan de methoden van geschiedschrijving van de grote Griekse en Latijnse geschiedschrijvers en de vakmensen van onze tijd, maar toch in een werkelijke zin, die de exegeten nader moeten bestuderen en omschrijven, tot het historisch genre behoren. De brief wijst er verder op, dat deze hoofdstukken in eenvoudige en beeldrijke taal, aangepast aan de mentaliteit van een weinig ontwikkeld volk, de voornaamste waarheden leren, die voor ons eeuwig heil noodzakelijk zijn, en daarnaast een populaire beschrijving geven van het ontstaan van de mensheid en het uitverkoren volk. Als nu de oude gewijde schrijvers iets hebben ontleend aan volksverhalen, (wat men kan toegeven), dan mag men toch nooit vergeten, dat zij dit gedaan hebben onder invloed van de goddelijke inspiratie en dat zij hierdoor bij het kiezen en beoordelen van die documenten tegen iedere dwaling werden gevrijwaard.

b. Waarheid en eenvoud van de heilige Schrift in tegenstelling met de mythologie.

39. Wat echter in de heilige Schrift is overgenomen uit volksverhalen, mag niet op één lijn worden gesteld met mythologieën en dergelijke, die meer de vrucht zijn van een teugelloze verbeelding dan van een streven naar waarheid en eenvoud. Dit streven is zó kenmerkend voor de heilige boeken, ook voor die van het Oude Testament, dat onze gewijde schrijvers duidelijk de meerderen blijken van de profane schrijvers uit de oudheid.

Tenslotte schrijft de paus een ‘vermaning aan de docenten

42. De docenten aan kerkelijke onderwijsinstellingen moeten weten, dat zij het hun opgedragen leerambt niet in goed geweten kunnen uitoefenen, als zij de doctrinaire punten, die wij hebben uiteen gezet, niet eerbiedig aanvaarden en er zich niet stipt aan houden bij hun onderwijs. Zij moeten de verschuldigde eerbied en onderwerping, die zij bij hun dagelijkse arbeid moeten tonen voor het leergezag van de Kerk, ook in de geest en het hart van hun leerlingen inprenten.

43. Zeker, zij moeten met alle kracht en inspanning de wetenschappen, die zij doceren, vooruit trachten te brengen; maar zij dienen ook de grenzen in acht te nemen, die wij hebben vastgesteld om de waarheid van het katholiek geloof en van de katholieke leer te beschermen. Laten zij de nieuwe vraagstukken, die door de moderne cultuur en ontwikkeling aan de orde zijn gesteld, met alle ijver bestuderen, maar ook met de nodige voorzichtigheid en reserve. Ten slotte, laten zij niet in een vals “irenisme” menen, dat men de andersdenkenden en dwalenden met succes tot de Kerk kan terugbrengen, als men niet eerlijk aan allen De volledige in de Kerk levende waarheid voorhoudt zonder enige misvorming of verminking.

Besluit.

De kerk onder leiding van Pius XII weerhoudt de wetenschap dus niet haar werk te doen en vooruitgang te boeken. Wel waarschuwt zij de wetenschap zich niet op lichte hypothesen te baseren, noch zaken te beweren die tegen de ‘geopenbaarde’ waarheid ingaan. Zo is de mens volgens de openbaring ontstaan uit één ouderpaar en daar wijkt de kerk niet vanaf. Ook verdedigt zij et historisch karakter van de eerste hoofdstukken van Genesis, ook al hoeft blijkbaar niet alles even letterlijk genomen te worden, gezien de tijd waarin de teksten geschreven zijn. De goddelijke inspiratie en de waarheden die er in staan blijven onverkort van kracht.

Biofides 14 mei 2009

Bron: rkdocumenten

Volgende pagina »